1. Hoe verhoudt de definitie van 'Alternative Dispute Resolution' (ADR) zich tot de
positie van mediation binnen het bredere juridische spectrum?
A) Het fungeert als verzamelnaam voor methoden die buiten de klassieke rechtspraak
treden.
B) Het stelt de mediator gelijk aan een arbiter met bindende bevoegdheden.
C) Het impliceert een uitsluiting van juridische waarborgen ten gunste van sociale
psychologie.
D) Het vervangt de civielrechtelijke procedure door een verplichte administratieve
toetsing.
2. Binnen het kader van mediation wordt 'autonomie' vaak gelijkgesteld aan
'zelfbeschikking'. Wat is het fundamentele mechanisme dat deze concepten
onderscheidt van 'vrijwilligheid'?
A) Autonomie waarborgt de vertrouwelijkheid, terwijl vrijwilligheid de onpartijdigheid
dicteert.
B) Autonomie richt zich op de inhoudelijke besluitvorming, terwijl vrijwilligheid ziet op de
procesdeelname.
C) Vrijwilligheid is een dwingendrechtelijk principe, terwijl autonomie een procesmatige
afspraak is.
D) Zelfbeschikking beperkt de rol van de mediator, terwijl vrijwilligheid de macht van de
rechter vergroot.
3. Wanneer hanteert een mediator 'actieve neutraliteit' in plaats van een louter
passieve of afwachtende houding?
A) Als de mediator een bindend advies geeft over de juridische haalbaarheid van een
standpunt.
B) Indien de mediator een persoonlijk zakelijk belang heeft bij de specifieke uitkomst.
C) Wanneer een partij de vertrouwelijkheid schendt door informatie met derden te delen.
D) Om de procesgang vlot te trekken of de machtsbalans tussen de deelnemers actief
te bewaken.
4. Hoe wordt het fenomeen 'tegenoverdracht' binnen de professionele houding
van de mediator gekarakteriseerd?
A) De projectie van de voorgeschiedenis van de deelnemer op de huidige
conflictcontext.
B) Het proces waarbij deelnemers elkaars gedrag onbewust gaan imiteren tijdens de
sessie.
2
,C) De bewuste keuze van de mediator om partijdige gevoelens te uiten ter stimulering
van het proces.
D) De emotionele reactie van de mediator die wordt opgeroepen door het gedrag van
een deelnemer.
5. Wat is de kernwaarde van een 'problem solving orientation' bij deelnemers aan
een mediationtraject?
A) De focus ligt op het maximaliseren van het eigen gewin ten koste van de wederpartij.
B) Een houding waarbij het geschil wordt getransformeerd tot een gemeenschappelijke
uitdaging.
C) Het vermogen om de mediator te zien als de uiteindelijke beslisser in het geschil.
D) De bereidheid om juridische procedures volledig te negeren ten gunste van
emotionele ontlading.
6. Welk specifiek effect beoogt de mediator te bereiken door het toepassen van de
techniek 'spiegelen' (ook wel echoën genoemd)?
A) Het uitnodigen tot verdere exploratie door de focus op specifieke woorden van de
deelnemer.
B) Het corrigeren van feitelijke onjuistheden in het verhaal van de deelnemer.
C) Het dwingen van de deelnemer tot het aannemen van een louter rationeel standpunt.
D) Het neutraliseren van de emotionele lading door de boodschap feitelijk te
herstructureren.
7. Wat is het primaire doel van het stellen van 'circulaire vragen' tijdens een
mediationsessie?
A) Het bevorderen van een lineaire tijdslijn van de gebeurtenissen die tot het conflict
leidden.
B) Het inzichtelijk maken van de wederzijdse afhankelijkheid en de relationele
dynamiek.
C) Het verzamelen van statistische gegevens over de frequentie van conflictmomenten.
D) Het confronteren van de deelnemer met tegenstrijdigheden in hun eigen eerdere
verklaringen.
8. Wat is het mechanisme achter een succesvolle 'paradoxale interventie' door
een mediator?
A) Het bestrijden van weerstand door directief op te treden tegen elk negatief gedrag.
B) Het ontzeggen van autonomie aan partijen om hen tot medewerking te dwingen.
C) Het doorbreken van een blokkade door mee te gaan in de weerstand of negativiteit
van een partij.
D) Het veranderen van de context door een subtiele suggestie in de gewenste richting
3
, (nudging).
9. Bij de techniek 'double listening' luistert de mediator tegelijkertijd naar twee
specifieke 'verhalen'. Welke twee zijn dit?
A) De uitgesproken tekst en de non-verbale signalen van de luisterende partij.
B) Het feitelijke relaas van de gebeurtenissen en de reconstructie door de tegenpartij.
C) Het juridische dossier en de emotionele beleving van de juridische adviseurs.
D) Het verhaal over de klacht en het onderliggende verhaal van hoop of waarden.
10. Wanneer spreekt men in een mediationtraject van een 'recognition omslag'?
A) Zodra de deelnemers de mediationovereenkomst officieel hebben ondertekend.
B) Op het moment dat de mediator zijn eigen onpartijdigheid publiekelijk bevestigt.
C) Wanneer deelnemers weer openstaan voor het perspectief en de behoeften van de
ander.
D) Als een partij formeel erkent dat de juridische positie onhoudbaar is geworden.
11. Waarom is de 'metaboodschap' in conflictcommunicatie vaak dominanter dan
de feitelijke inhoudelijke boodschap?
A) Omdat het de relationele betekenis en de positionering (footing) van de partijen
definieert.
B) Omdat het de juridische bewijslast bepaalt in een eventuele latere rechtszaak.
C) Omdat het de enige laag is waar de mediator directe en dwingende feedback op mag
geven.
D) Omdat het uitsluitend betrekking heeft op de feitelijke juistheid van de beweringen.
12. Wat typeert 'symmetrisch conflictgedrag' in de interactie tussen twee partijen?
A) Een partij weigert elke communicatie terwijl de ander blijft aandringen op gesprek.
B) Beide partijen vertonen hetzelfde type gedrag, zoals wederzijdse verbale agressie.
C) De ene partij valt aan terwijl de andere partij zich onmiddellijk fysiek terugtrekt.
D) De partijen vertonen een verschillend type gedrag dat elkaar paradoxaal in stand
houdt.
13. In de context van emotionele communicatie, wat wordt exact verstaan onder
een 'appelsituatie'?
A) De fysieke sensatie die men waarneemt bij het ervaren van woede of angst.
B) De interne betekenisverlening die een persoon aan een specifiek gevoel geeft.
C) De automatische gedragsimpuls die volgt op een affectieve gewaarwording.
D) Een externe gebeurtenis die als trigger fungeert voor een emotionele reactie.
14. Wat is de kenmerkende werkwijze van een 'transformatieve mediator' ten
opzichte van een faciliterende mediator?
4