1. Wat typeert het fundamentele juridische verschil tussen een rechtshandeling en
een feitelijke handeling?
A) Bij een feitelijke handeling is er altijd sprake van een onrechtmatig karakter, terwijl
een rechtshandeling per definitie rechtmatig is.
B) Bij een rechtshandeling beoogt de actor bewust een specifiek rechtsgevolg, terwijl bij
een feitelijke handeling het rechtsgevolg intreedt ongeacht de wil van de actor.
C) Een rechtshandeling vereist altijd een schriftelijke vastlegging, terwijl een feitelijke
handeling vormvrij kan plaatsvinden.
D) Rechtshandelingen vallen onder het vermogensrecht, terwijl feitelijke handelingen
uitsluitend betrekking hebben op het personen- en familierecht.
2. Waarom wordt de onrechtmatige daad binnen de systematiek van het Burgerlijk
Wetboek niet als een rechtshandeling gekwalificeerd?
A) Omdat een onrechtmatige daad uitsluitend gericht is op het toebrengen van schade
en niet op het scheppen van een verbintenis.
B) Omdat de wetgever de onrechtmatige daad als een rechtsfeit beschouwt dat buiten
de invloedssfeer van de menselijke wil valt.
C) Omdat de verbintenis tot schadevergoeding direct uit de wet voortvloeit en niet
afhankelijk is van de intentie van de dader om dit juridische effect te bereiken.
D) Omdat rechtshandelingen enkel meerzijdige overeenkomsten kunnen zijn, terwijl de
onrechtmatige daad een eenzijdige handeling betreft.
3. Welk van de volgende scenario's kwalificeert juridisch als een eenzijdig niet-
gerichte rechtshandeling?
A) De aanvaarding van een aanbod tot verkoop van een onroerende zaak.
B) De vernietiging van een koopovereenkomst wegens dwaling door middel van een
buitengerechtelijke verklaring.
C) De opzegging van een huurovereenkomst door een verhuurder aan een huurder.
D) Het bij testament legateren van een kunstcollectie aan een museum zonder dat het
museum hiervan op de hoogte is.
4. Hoe verhoudt de gelaagde structuur van het Burgerlijk Wetboek zich tot de
toepassing van regels op een specifieke koopovereenkomst?
A) De algemene regels van Titel 6.1 BW vervallen zodra er sprake is van een obligatoire
overeenkomst onder Titel 6.5 BW.
B) Regels uit Boek 7 (bijzondere overeenkomsten) zijn altijd exclusief van toepassing en
sluiten Titel 3.2 BW volledig uit.
C) Titel 3.2 BW is alleen van toepassing indien partijen de werking van Boek 6 en Boek
7 uitdrukkelijk hebben uitgesloten in hun contract.
2
,D) De overeenkomst is cumulatief onderworpen aan de regels voor rechtshandelingen
(3.2), algemene overeenkomsten (6.5) en de specifieke koopregels (7.1).
5. Wanneer is er sprake van een wederkerige overeenkomst conform de definitie
in artikel 6:221 lid 1 BW?
A) Wanneer de wet bepaalt dat een eenzijdige rechtshandeling de rechtsgevolgen van
een overeenkomst moet krijgen.
B) Wanneer een overeenkomst door meer dan twee partijen wordt ondertekend en zij
allen een gemeenschappelijk doel nastreven.
C) Wanneer partijen over en weer verbintenissen aangaan waarbij de prestatie van de
een wordt verricht ter verkrijging van de prestatie van de ander.
D) Wanneer een prestatie wordt verricht zonder dat daar een tegenprestatie tegenover
staat, mits dit schriftelijk is overeengekomen.
6. Wat is het cruciale onderscheid tussen een wederkerige overeenkomst en een
overeenkomst onder bezwarende titel?
A) Wederkerige overeenkomsten zijn gericht op de toekomst, terwijl overeenkomsten
onder bezwarende titel direct bij het sluiten worden afgewikkeld.
B) Een overeenkomst onder bezwarende titel kan uitsluitend tussen ondernemingen
worden gesloten, terwijl wederkerigheid ook voor consumenten geldt.
C) Een overeenkomst onder bezwarende titel vereist altijd een notariële akte, terwijl een
wederkerige overeenkomst vormvrij is.
D) Bij bezwarende titel ligt de nadruk op de feitelijke economische tegenprestatie, terwijl
bij wederkerigheid de juridische afhankelijkheid (synallagma) tussen beide
verbintenissen centraal staat.
7. Welk mechanisme is kenmerkend voor de totstandkoming van een reëel
contract?
A) De overeenkomst vereist een schriftelijke akte die door beide partijen ten overstaan
van een getuige is ondertekend.
B) De rechtshandeling komt pas tot stand op het moment van de feitelijke overhandiging
van de zaak waar de overeenkomst betrekking op heeft.
C) De overeenkomst ontstaat pas nadat de rechter de precontractuele verklaringen van
partijen heeft getoetst aan de redelijkheid.
D) De overeenkomst ontstaat door loutere wilsovereenstemming tussen partijen zonder
verdere handelingen.
8. Op welke wijze markeert artikel 3:40 BW de grens van de contractsvrijheid in
het Nederlandse recht?
A) Door te bepalen dat elke overeenkomst die niet schriftelijk is vastgelegd, van
rechtswege vernietigbaar is.
3
, B) Door een overeenkomst nietig te verklaren indien de inhoud of strekking in strijd is
met de goede zeden, de openbare orde of een dwingende wetsbepaling.
C) Door voor te schrijven dat partijen hun overeenkomst altijd ter goedkeuring moeten
voorleggen aan de Kamer van Koophandel.
D) Door te eisen dat de prijs in een koopovereenkomst altijd exact overeenkomt met de
marktwaarde van het object.
9. Hoe verhoudt het beginsel 'pacta sunt servanda' zich tot de corrigerende
werking van artikel 6:248 lid 2 BW?
A) De verbindende kracht van een overeenkomst kan wijken indien een contractuele
regel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zou zijn.
B) De verbindende kracht van een overeenkomst is absoluut en kan uitsluitend door een
beroep op dwaling of bedrog worden doorbroken.
C) De redelijkheid en billijkheid kunnen enkel aanvullend werken en nooit een
bestaande contractuele afspraak buiten werking stellen.
D) Artikel 6:248 lid 2 BW geldt uitsluitend voor consumentenkoop en niet voor
overeenkomsten tussen professionele partijen.
10. In welke situatie wordt de contra proferentem-regel toegepast bij de uitleg van
een overeenkomst?
A) Wanneer een partij haar verplichtingen niet nakomt als gevolg van een onvoorziene
omstandigheid die voor rekening van de wederpartij komt.
B) Wanneer een koper weigert de koopprijs te betalen omdat hij de overeenkomst niet
langer wenst voort te zetten.
C) Wanneer beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst dezelfde onjuiste
voorstelling van zaken hadden.
D) Wanneer een beding in een door een professionele partij opgestelde overeenkomst
onduidelijk is, waardoor de voor de wederpartij gunstigste uitleg prevaleert.
11. Wat is het kernpunt van de Haviltex-maatstaf bij de interpretatie van
contractuele bedingen?
A) De uitleg van een overeenkomst moet altijd geschieden volgens de objectieve
betekenis die een gemiddelde derde aan de tekst zou geven.
B) Contractsuitleg is een zuiver juridische exercitie waarbij de feitelijke gedragingen van
partijen na het sluiten van het contract buiten beschouwing blijven.
C) Het gaat om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer
redelijkerwijs aan elkaars verklaringen mochten toekennen, mede gelet op hun
maatschappelijke positie.
D) De taalkundige betekenis van de woorden in de schriftelijke overeenkomst is in alle
gevallen doorslaggevend voor de uitleg.
4