De natuur van mensen
Inhoudsopgave
Module A: De biologische factor in menselijk gedrag.............................................................................3
Evolutie Evolutie is het biologische begrip waarmee het proces van verandering in alle vormen van
leven van generatie op generatie wordt aangegeven. Door middel van genen erft een organisme
van zijn ouders kenmerken (die erfelijke eigenschappen worden genoemd). Veranderingen in
genen (zogenaamde mutaties) kunnen als gevolg hebben dat nieuwe eigenschappen ontstaan in
de nakomelingen van een organisme. Als een nieuwe eigenschap een organisme voordeel biedt zal
dit organisme een grotere kans op overleven en op nageslacht hebben. Dit mechanisme heet
natuurlijke selectie en heeft als gevolg dat eigenschappen die voordeel bieden vaker voor gaan
, komen. Over veel generaties kan een populatie zoveel nieuwe eigenschappen ontwikkelen dat het
een nieuwe soort wordt.....................................................................................................................3
Nature vs Nurture...............................................................................................................................3
Neuronen...........................................................................................................................................3
Synaps................................................................................................................................................4
Neurotransmitters..............................................................................................................................5
De neuronen (zenuwcellen) in ons lichaam kunnen met elkaar communiceren met behulp van
neurotransmitters: chemische substanties welke een boodschap over kunnen dragen van neuron
tot neuron. De neurotransmitter bevat deze boodschap en op deze manier is het lichaam in staat
complexe functies uit te oefenen. De neuronen (zenuwcellen) in ons lichaam kunnen met elkaar
communiceren met behulp van neurotransmitters: chemische substanties welke een boodschap
over kunnen dragen van neuron tot neuron. De neurotransmitter bevat deze boodschap en op
deze manier is het lichaam in staat complexe functies uit te oefenen...............................................5
Chromosomen....................................................................................................................................6
DNA....................................................................................................................................................7
Genen.................................................................................................................................................8
Transcriptie DNA.................................................................................................................................9
Translatie DNA....................................................................................................................................9
Messenger RNA..................................................................................................................................9
Fenotype.............................................................................................................................................9
Genotype..........................................................................................................................................10
Heterozygoot....................................................................................................................................10
Amygdala..........................................................................................................................................11
Hippocampus....................................................................................................................................12
Prefrontale cortex.............................................................................................................................12
Module B: Biochemie en brein.............................................................................................................14
Erfelijke aandoeningen.........................................................................................................................32
Erfelijk of aangeboren......................................................................................................................32
Erfelijk materiaal...............................................................................................................................32
Afwijkingen in het erfelijk materiaal.................................................................................................34
1. Chromosomenafwijkingen............................................................................................................34
2. Monogene aandoeningen.............................................................................................................36
3. Multifactoriële aandoeningen......................................................................................................36
Hoe gebeurt de overerving van afwijkingen?...................................................................................37
Aantekeningen.....................................................................................................................................44
Hoorcollege 1...................................................................................................................................44
Hoorcollege 2...................................................................................................................................44
Hoorcollege 3...................................................................................................................................45
, Hoorcollege 4...................................................................................................................................45
Hoorcollege 5...................................................................................................................................46
Module B..............................................................................................................................................46
Hoorcollege 1...................................................................................................................................46
Module A: De biologische factor in menselijk gedrag
Evolutie
Evolutie is het biologische begrip waarmee het proces van verandering in alle vormen van
leven van generatie op generatie wordt aangegeven.
Door middel van genen erft een organisme van zijn ouders kenmerken (die erfelijke
eigenschappen worden genoemd). Veranderingen in genen (zogenaamde mutaties) kunnen
als gevolg hebben dat nieuwe eigenschappen ontstaan in de nakomelingen van een
organisme. Als een nieuwe eigenschap een organisme voordeel biedt zal dit organisme een
grotere kans op overleven en op nageslacht hebben. Dit mechanisme heet natuurlijke
selectie en heeft als gevolg dat eigenschappen die voordeel bieden vaker voor gaan komen.
Over veel generaties kan een populatie zoveel nieuwe eigenschappen ontwikkelen dat het
een nieuwe soort wordt.
Nature vs Nurture
Nature
Nature is de genetica (biologie) van de persoon. We erven vele trekken van familieleden
zoals haarkleur, oogkleur, hoogte, enzovoorts. Dit zijn eigenschappen die gewoonlijk niet
door de natuur worden gewijzigd. Ze zijn een deel van onze genen die gecodeerd zijn op
onze chromosomen. Wat de echte vraag is, als het gaat om de nature, is of de meer
abstracte eigenschappen (gedrag, temperament, angst, persoonlijkheid, enzovoort) ook uit
de genen voorkomen.
Nurture
Nurture heeft te maken met onze omgeving. De vraag aan de nurture kant van deze kwestie
is de vraag of de omgeving invloed heeft op het type mens die hij of zij zal worden. Neem als
voorbeeld dat nurture inderdaad de oorzaak is van iemands gedrag, houding, persoonlijkheid
enz. Dit zou betekenen dat anderen die de persoon omringen een bepaald gedrag kunnen
beïnvloeden . Dit zou betekenen dat een persoon niet geboren wordt met een
persoonlijkheid, maar het de mensen in zijn of haar leven of in de samenleving zijn die de
aard van de persoon zullen vormgeven.
Neuronen
De cel is de kleinste eenheid waaruit alles wat leeft, dus ook de mens, is opgebouwd. Er zijn
verschillende soorten cellen met elk een kenmerkende vorm en functie. Een van die soorten
is de zenuwcel ofwel het neuron: een cel die gespecialiseerd is in het ontvangen en
doorgeven van signalen.
Neuronen vind je in grote aantallen in je hersenen en ruggenmerg maar ze lopen ook als
draden, de perifere zenuwen, door het hele lichaam.
Bij alles wat er in de hersenen gebeurt draait het om de communicatie tussen de neuronen
onderling. Er worden voortdurend miljarden elektrische en chemische signalen rondgestuurd.
Ook over grotere afstanden, helemaal tot in het puntje van je tenen.
De hersenen van de mens zijn opgebouwd uit ongeveer 100 miljard neuronen. Deze zijn
allemaal al bij de geboorte aanwezig.
, Om alle taken goed uit te kunnen voeren werken grote groepen neuronen nauw samen.
Daardoor zijn er gespecialiseerde gebieden in de hersenen aanwezig zoals bijvoorbeeld voor
waarneming of motorische functies.
Het netwerk is niet statisch maar voortdurend aan verandering onderhevig. Afhankelijk van
de ervaringen en leerprocessen van ieder mens worden verbindingen aangepast.
Hoe meer we ons ontwikkelen hoe meer nieuwe verbindingen aangelegd worden. Hoe vaker
bepaalde 'routes' in de hersenen gebruikt worden, hoe sneller contact met die bepaalde
gebieden gelegd wordt. Omgekeerd worden weinig gebruikte, dus onrendabele, routes
opgeheven.
Opbouw
De neuronen (zenuwcellen) in ons lichaam kunnen met elkaar communiceren met behulp
van neurotransmitters: chemische substanties welke een boodschap over kunnen dragen
van neuron tot neuron. De neurotransmitter bevat deze boodschap en op deze manier is het
lichaam in staat complexe functies uit te oefenen.
Synaps
Een synaps is het punt waarop twee neuronen met elkaar kunnen communiceren. De twee
betrokken neuronen worden hierbij het pre-synaptisch en het post-synaptisch neuron
genoemd. Het pre-synaptisch neuron bevindt zich voor de synaps en verstuurd signalen naar
het post-synaptisch neuron. Deze signalen bevinden zich op een bepaald moment tussen de
twee neuronen. Deze ruimte wordt de synaptische spleet genoemd.
Omdat neuronen niet met elkaar kunnen praten en luisteren, vindt in de synaps een andere
manier van signaal-overdacht plaats. In de synaps vinden chemische processen plaats, wat
inhoudt dat de cellen communiceren door het doorgeven van bepaalde stoffen. Deze stoffen
worden neurotransmitters genoemd, en worden via een bepaald aantal stappen
doorgegeven aan de volgende cel.