Waarde toevoegen gaat doormiddel van de productiefactoren: KANO
Beloningen: kapitaal → rente arbeid → loon natuur → pacht (huur) ondernemerschap → winst
Waardevermindering van kapitaalgoederen is afschrijving.
Bruto toegevoegde waarde = omzet – kosten ingekochte goederen en diensten
Netto toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde – afschrijvingen OF som beloning
productiefactoren
Primair inkomen (inkomensvorming) = beloningen die gezinnen ontvangen door inzetten van de
productiefactoren
Secundaire inkomens = inkomensoverdrachten.
Voorbeelden zijn afdrachten aan de EU,
ontwikkelingshulp en EU-subsidies.
Diensten van derden, dit zijn diensten die niet door
het eigen personeel zijn uitgevoerd, maar door een
extern bedrijf. (bv transport/reclamebureau)
Je kunt voor de overheid geen omzet, en dus geen
toegevoegde waarde berekenen → bruto
toegevoegde waarde overheid = alle lonen/salaris
die ze moeten betalen + afschrijvingen (netto = -
afschrijvingen)
Objectieve methode = blauwe vlak / Subjectieve methode = oranje vlak
Bestedingsmethode = afschrijvingen + finale bestedingen (consumptie, investeringen,
overheidsbestedingen en saldo export & import)
1.2 De economische kringloop
Reële kringloop = goederenstroom tussen: gezinnen, bedrijven, overheid, buitenland en financiële
instellingen.
Monetaire kringloop = de geldstromen tussen deze sectoren
3 macro economische identiteiten → Y = C + B + S en Y=C+I+O+(E-M) dus C + B + S = C+I+O+(E-M)
E-M = handelssaldo
Saldo van sector overheid
Finale bestedingen: consumptie, investeringen, overheidsbestedingen en het saldo van export en import.
Bestedingsmethode: berekenen van bbp door alle finale1bestedingen bij elkaar op te tellen.
, Import = producten en diensten die bedrijven inkopen uit het buitenland
Export = producten en diensten die bedrijven verkopen aan het buitenland
Reële bbp = nominale bbp gecorrigeerd met inflatie.
1.3 Het buitenland zorgt voor inkomen
Open economie = economie waar veel handel is met het buitenland, land afhankelijk van
ontwikkelingen in de wereldhandel
De betalingsbalans is alle in- en uitgaande geldstromen van een land. Opgesteld in NL door DNB.
Bestaat uit verschillende onderdelen, ten 1ste de lopende rekening bestaande uit 4 onderdelen:
1. Goederenrekening, registratie import (uitgaande geldstroom) en export (ingaande
geldstroom) van goederen. Ook wel de handelsbalans genoemd.
2. Dienstenrekening, registratie import en export van diensten.
3. Primaire inkomensrekening, de beloningen voor ter beschikking stellen van productiefactoren
(loon, pacht, huur, rente, winst), vb Poolse arbeider werken in NL en ontvangen loon
4. Inkomensoverdrachtenrekening, burgers maken inkomen over aan iemand in het buitenland.
(geld → familie in buitenland of EU geeft subsidie aan ander land), geen directe
tegenprestatie
Ten 2de financiële rekening, Saldo van kapitaal export en import. Bv huisje in Spanje bouwen.
De salderingsregeling laat zien hoeveel inkomen en vermogen er per saldo het land in komt of uit
gaat. De saldi van de lopende + financiële rekening samen leveren samen het materieel saldo op (=
tekort/overschot/evenwicht) en het formeel saldo (= betalingsbalans altijd in evenwicht).
Handelsbalans/rekening = saldo van goederen + diensten rekening.
1.4 De economie groeit
Wet van Say = als er in een economie wordt geproduceerd, dan levert dat inkomen op. Dat inkopen
kan vervolgens weer worden gebruikt om goederen te kopen. Als je er voor wilt zorgen dat de
economie op lange termijn groeit zal er een toenemend aanbod moeten zijn. Door het inkomen dat
hierbij wordt gegenereerd ontstaat een bijpassende vraag. Zo creëert elk aanbod zijn eigen vraag.
Belang → aanbodzijde bepaalt de groei van de economie op lange termijn
Het binnenlands inkomen wordt verdeeld over de 4 primair inkomens (loon, rente, pacht, winst). Dit
noem je de categoriale inkomensverdeling.
Arbeidsinkomensquote = het gedeelte van het netto binnenlands inkomen dat naar de
productiefactor arbeid (=loon) gaat. Een lage arbeidsinkomensquote leidt tot minder inkomen bij
werkenden.
= (Loon werknemers + toegerekend loon zelfstandigen) : netto binnenlands inkomen x 100
Overig inkomensquote is het aandeel van de overige inkomens (pacht, rente, winst) in het
binnenlands inkomen.
= (pacht + rente + winst) : netto binnenlands inkomen x 100
2