DOMEIN B: WERELD
• Globaliseringsprocessen sinds koloniale periode:
Globalisering= toename wereldwijde verbondenheid; Econ. Cult. Tech. Pol.
Fase 1: kolonialisme/imperialisme: Europeanisering (handelskolonialisme) na
dekolonisatie ontstaat bipolaire wereld. (Tot 1980)
Fase 2: Vrijhandel/global shift: opkomst MNO’S → betere transporttechnologie en
communicatie. Offshoring (productie naar lagelonenland) → unipolaire wereld olv VS
en opkomst triade (Noord-Amerika, Europa, Oost-Azië) (vanaf 1980)
Global shift, pacific rim, neokolonialisme (=overheersing v onafhankelijke landen
door voormalige koloniale mogendheden)
Fase 3: Multipolaire wereld: diversiteit door opkomende markten (BRICS). Reshoring en
toename handelsbelemmeringen (vanaf 2010)
Nieuwe zijderoute (=handelsroute v China)
Koloniale grootmachten legden basis voor huidige centrum-periferie verhoudingen.
• Globaliseringsprocessen in mondiale centrumperiferieverhouding:
Hegemoniale staten= landen die dominante pol. en econ. invloed hebben op
wereldsysteem. Stimuleren globalisering door mno’s en technologie verspreiden.
Centrum: hoge technologische ontwikkeling, veel kapitaal en politieke invloed
Semi: Brics. Snelle industrialisatie
Periferie: afhankelijk vd export van grondstoffen, lage productiviteit, uitbuiting door
centrum, vaak primaire sector
Binnen centrumlanden is ook sprake van (semi)perifere gebieden en binnen
(semi)periferie is sprake van centrumgebieden.
Geopolitiek= (regionale) grootmachten zetten economische, politieke en militaire
middelen in om invloed in bepaalde gebieden te vergroten
• Correlatie technologische ontwikkeling, tijdruimtecompressie en
globalisering
Door technologische ontwikkeling en schaalvergroting (transport en ict) is
tijdruimtecompressie en globalisering mogelijk.
➔ Reistijden verkort, snellere communicatie
Tijdruimtecompressie: door tech. ontwikkelingen lijkt wereld kleiner te worden
Relatieve afstand = afstand gemeten in tijd, geld of moeite. Deze neemt af, terwijl de
absolutie afstand (gemeten in km) gelijk blijft.
Afstandsverval= interactie tussen 2 gebieden neemt af naarmate de afstand toeneemt
, • Huidige globaliseringsprocessen vanuit de dimensies:
Er is nu zoveel verwevenheid tussen landen, bedrijven en mensen door technologische
vooruitgang en afname grensbarrières dat we in een fase komen waarin ze vertragen of
veranderen door handelsoorlogen, geopolitiek.
Econ: mno’s drijven globalisering. Productieprocessen verschuiven en landen
specialiseren (relatieve voordelen). Opkomst ai → meer digitalisering. Triade dominantie
(noord Amerika, EU, Oost-Azië)
Pol: verschillende samenwerkingsverbanden door centrum (blokvorming; BRICS EU).
Geopolitiek onder druk door opkomende machten.
Demo: verbinding door verplaatsing v mensen. Vergrijzing → vraag naar migratie
(krimpende beroepsbevolking). Lage inkomenslanden → hoge inkomenslanden
verhuizen. Migrant blijft verbonden met thuisland → verbondenheid
Soc-cult: amerikanisering/europeanisering. Culturen mengen door migratie. Lingua
franca (Engels). Sociale media. Global village (wereld als een hechte gemeenschap
door communicatie, internet en reismogelijkheden). Tegenreactie op verwestering =
focus op lokale traditie en cultuur.
Migratie en mobiliteit lastig voor periferie, makkelijk voor centrum. Push en pullfactoren
• Effecten van en reacties op globalisering in verschillende gebieden;
centrum, semi- en perifeer.
Gebieden ervaren verschillende gevolgen van globalisering door de mondiale
machtsverhoudingen en specifieke regionale context:
• Centrum:
Profiteren meest van globalisering;
Econ: techn ontwikkeling, kapitaalintensieve productie, mno’s, toegang tot
consumptiegoederen lagelonenlanden.
Nadelen: de-industrialisatie: outsourcing
• Semi:
Streven naar opklimming in wereldeconomie.
Fragmentarische modernisering= bepaalde gebieden, sectoren of groepen
moderniseren wel, terwijl andere achterblijven. Leidt tot ongelijke ontwikkeling,
zichtbaar aan scheiding moderne steden en traditioneel platteland.
Afwenteling in ruimte en tijd= doorschuiven negatieve gevolgen v econ
activiteiten/milieuvervuiling naar andere gebieden of generaties.
Spread-effect= positieve uitstralingseffecten, econ groei uit centrum → investeringen,
kennis en werk in periferie.
Backwash-effect= onttrekken kapitaal en talent uit periferie ten kost v ontwikkeling.
, • Vergelijken v landen met de verschillende indicatoren (econ, pol, demo, soc-
cult)
Demografisch transitiemodel deelt de wereld in naar verschillende fasen:
Er kan sprake zijn van vergrijzing of vergroening wat invloed heeft op de
beroepsbevolking en dus op de economie (bbp, bnp, brp)
De wereld kan ook worden ingedeeld in cultuurgebieden. Grenzen tussen
cultuurgebieden vervagen door migratie en culturele uitwisseling. Culturele diffusie=
verspreiding v cultuurelementen door kolonialisme, oorlog, handel, migratie, sociale
media, toerisme.
Democratisch gehalte= mate waarin burgers invloed hebben op bestuur.
VN-ontwikkelingsindex/HDI= ontwikkeling v een land op basis van 3 pijlers:
gezondheid, onderwijs en levensstandaard.
• Verband tussen: economisch ontwikkelingspeil en mate van verstedelijking,
demografische kenmerken en verdeling werkgelegenheid in een gebied.
Rijke landen hebben hoge verstelijkingsgraad. Suburbanisatie (trek naar voorsteden)
of re-urbanisatie (terug naar stad)
Ontwikkelingslanden hebben lage verstelijkingsgraad en juist hoog verstelijkingstempo
(snelheid van verstedelijking) door push-factoren op platteland en pull-factoren in stad.
In ontwikkelde landen is vergrijzing door lage natuurlijke bevolkingsgroei en hoge
levensverwachting. Steden trekken jonge, hoogopgeleide mensen aan → regionale
verschillen in bevolkingssamenstelling.
Ontwikkelingslanden hebben vaak jonge bevolking, hoog vruchtbaarheidscijfer en snelle
bevolkingsgroei.
Econ ontwikkeling → betere gezondheidszorg → verlaagt geboorte en sterftecijfers en
verhoogde levensverwachting.
Economische groei → verschuiving primaire naar secundaire sector en uiteindelijk naar
tertiaire/quartaire sector.