Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
College aantekeningen

Methoden en Statistiek I COMPLEET (hoorcollege + literatuur) 2025/26

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
39
Geüpload op
03-05-2026
Geschreven in
2025/2026

Uitgebreide hoorcollege aantekeningen voor Methoden en Statistiek I aan Erasmus Universiteit Rotterdam, met volledige dekking van alle acht colleges en aanvullende literatuur (Moore, D. S. + Passer, M. W.). De notities behandelen kernonderwerpen zoals kwalitatieve en kwantitatieve variabelen, meetniveaus, standaard normaalverdelingen, onderzoeksdesigns, kansberekening, steekproevenverdelingen, betrouwbaarheidsintervallen, nulhypothese significantietoetsen en t-toetsen.

Meer zien Lees minder

Voorbeeld van de inhoud

Statistiek Methoden en Statistiek I: Een introductie

Inhoudsopgave
Hoorcollege 1 Methoden en Statistiek I: Een introductie .................................................... 2

Boek passer literatuur – Hoofdstuk 1 ................................................................................ 5

Hoorcollege 2 kwalitatieve en kwantitatieve variabelen, soorten meetniveaus,
betrouwbaarheid en validiteit........................................................................................... 5

Hoorcollege 3 standaard normaalverdelingen met z-scores ..............................................10

Literatuur passer hfd 2 - Literatuuronderzoek ...................................................................14

Literatuur Moore hfd 2 - Verbanden ..................................................................................16

Literatuur passer hfd 5 - Correlatie (pearson’s r) ...............................................................17

Hoorcollege 4 Onderzoeksmethoden, soorten onderzoeksdesigns ...................................18

Hoorcollege 5 elementaire kansberekening .....................................................................24

Hoorcollege 6 steekproevenverdelingen, bias en variabiliteit............................................27

Hoorcollege 7: Betrouwbaarheidsintervallen, nulhypothese significantietoetsen, power ...30

Literatuur hfd 6 bias en variabiliteit..................................................................................36

Hoorcollege 8 T-verdelingen en T-toetsen.........................................................................36

Hoorcollege – Responsiecollege / herhaling belangrijke onderdelen .................................37




1

,Hoorcollege 1 methoden en Statistiek I: Een introductie

Algemene informatie - wetenschap
• Verband (correlatie) betekent niet automatisch causaliteit > covariatie (X en Y
veranderen samen, tijdvolgorde: X gebeurt voor Y, geen alternatieve verklaringen:
geen 3e variabele aanwezig)
• Doel van wetenschap: controle, voorspelling, hypothese stellen
• Systematische empirisme: observaties doen op een gecontroleerde,
georganiseerde, herhaalbare manier zoals in wetenschap (doel> betrouwbaarheid
en controleerbaar
• Specifieke wetenschappelijke termen > zodat anderen begrijpen hoe een begrip in
een onderzoek wordt gebruikt (bv wat is agressie precies in dit onderzoek)


Bronnen van kennis
• Intuïtie (je krijgt een gevoel wat anderen vinden) > nadeel: gevoel is geen goeie
richtlijn die betrouwbaar is (kan achterhaald zijn)
• Traditie/gewoonte: hoorcolleges geven les vanuit traditie (het verleden was dit wel
nuttig, maar tegenwoordig kan het misschien minder eCectief zijn)
• Autoriteit: de mensen voor je (docenten, ouders, tekstboeken, friends alleen als ze
credible zijn: vertrouwd en expert over het onderwerp) hebben kennis opgedaan en
geven dat weer door aan de volgende generatie (eCiciënte manier om kennis op te
doen), nadeel: het kan ook kwaadaardig
Ø Geen toetsing mogelijk
• Empirisme: je leert door ervaring op te doen, door te observeren (door toetsing
mogelijk achter te komen, maar niet op een systematische manier mogelijk omdat
het biased kan zijn > nadeel)
Ø Door te observeren als een grote groep hetzelfde experiment uitvoert, wat
gebeurt er dan (maar het moet groot genoeg zijn)
Ø Belangrijk: We moeten voorzichtig zijn met het trekken van conclusies;
o We kunnen niet alles zelf ervaren, maar we hebben anderen nodig door te
vertrouwen op wetenschappelijk onderzoek
o Mensen kunnen verschillende ervaringen hebben met dezelfde situatie,
waardoor kennis en meningen verschillen




2

, o We kunnen onze ervaringen verkeerd onthouden of intepreteren
(confirmation bias > de neiging om vooral informatie te zoeken,
onthouden en intepreteren die onze bestaande overtuigingen bevestigt
• Rationaliteit: in het verleden bestond nog geen IQ, je laat je niet leiden door dogma
of autoriteit, maar door het zelf durven nadenken, logica en argumentatieregels
(wiskundige kansen regels over de verschillende mogelijkheden)
• Wetenschap: systematische toetsing die je ideeën hebt over de werkelijkheid over
de werkelijkheid zelf (kijken hoe de wereld werkt)
Ø Beschrijven: Identificeren van gedrag, emoties, gedachtes en in kaart brengen
en met concepten beschrijven
Ø Contoleren: Causale verbanden leggen dmv experimentele set ups en zo
controleer je de omgeving om je heen (stanford prison experiment)
Ø Verklaren: Werkelijkheid verklaren dmv hypothese formuleren (oorzaken en
processen die een rol spelen om een theorie op te stellen)
Ø Voorspellen: relatie in kaart brengen om vervolgens weer een andere
gebeurtenis te voorspellen
è Empirische cyclus:
• Observatie: in de werkelijkheid observeren, niet systematisch
• Inductie: theorie vormen en hypothese opstellen (verbondenheid hangt samen met
leren)
• Deductie: op basis van algemene regel (verbondenheid hangt samen met leren),
specifieke voorspelling doen voor een specifieke situatie (verbondenheid vergroot
harder leren), of het zo werkt geen idee? Kijken of mijn theorie klopt (als het voor mn
kleine steekproef klopt, dan moet het voor iedereen kloppen) > beschrijvend
statistiek: het gemiddelde, standaardeviatie bv, een getal wat een hele groep
samenvat/omschrijft (of er een relatie is tussen viariabele X en Y)
Ø intefrentiele statistiek: je toetst of je theorie klopt (significantie: de kans dat je de
data krijgt die je krijgt, de theorie in werkelijkheid niet klopt, hoe waarschijnlijk is
dat, als het significant is, dan neem ik mijn theorie aan)
Ø Je legt uit hoe je het interpreteert: met correlatie (verbanden tussen 2 factoren,
als de ene toeneemt, neemt de andere toe) kan je geen causale verbanden
leggen. Je hebt een derde factor nodig, die wel relevant is, die je niet hebt
meegenomen
• Toetsing en evaluatie: hier is belangrijk > methoden van statistiek die kwantitatieve
en kwalitatieve gegevens die je krijgt door de hypothese te toetsen
Ø Theorie moet mogelijk aangepast worden, omdat er mogelijk nieuwe
bevindingen zijn, de empirische cirkel is rond omdat het nooit af is (het gaat niet
om bevestiging)


3

,SPSS algemene informatie
• Schaal: alles met getallen (stres meten)
• Ordinaal: onderwijsniveau (heeft een bepaalde hierarchie)
• Nominaal (biedt zo weinig mogelijke informatie over een case): zonder sekse, of
je in platteland woont of niet (zonder hierarchie)
• Laat output pagina openstaan
• Standaarddeviatie: de gemiddelde afwijking van de gemiddelde (hoe meer mensen
van elkaar verschillen en dus hoe verder de waarden uit elkaar liggen, hoe groter
deviatie)
• Mean: gemiddelde (het zegt niet alles over de uitkomsten)
• Links (stresniveau) afhankelijke variabele (die is afhankelijk van de
onafhankelijke, slaap is afhankelijk van stresniveau)
• Rechts (slaap in uren) onafhankelijke variabele
• Lineaire statistiek (lineaire verband)
• Kijken of het significant is (of de resultaten representatief is voor iedereen) >
Ø Sterke verband in correlatie, zo sterk dat er sprake is van significantie (kleiner
dan 0,001 > ik kan deze hypothese aannemen)
Ø Negatieve relatie: hoe meer stres je hebt, hoe minder je slaapt in uren
Ø Als het hoger is dan 0.05 dan is het niet significante verschil is
• 14u per week verwacht (1,5u voor college, 2.45u voor werpgroep > 9 weken)


Verschil hypothese en theorie
• Theorie: een samenhangend geheel van ideeën die uitleggen hoe en waarom iets
gebeurt
• Hypothese: een specifieke, toetsbaar voorspelling dat voortkomt uit een theorie


Eigenschappen van empirische wetenschap
• Belangrijke aannames: Er is structuur in de werkelijkheid en die is kenbaar
• Wetenschap richt zich op wat toetsbaar is, dat het falsifieerbaar is (als je een
voorspelling doet, dan sluit je bepaalde uitspraken uit wat iets niet is en dat kan je
toetsen)
• Meetinstrument varieert niet door het hele onderzoek > zo is het betrouwbaar
• Validiteit: wat brengen we precies in kaart? Wat meet je precies?




4

, • Als je iets wilt meten, moet je aangeven precies hoe je iets meet (op basis van welke
procedure, breng je in kaart hoe verbondenheid leidt tot vergroten van
leervermogen)
• Open voor kritiek (van anderen en jezelf): wat is waardevol om te weten>
• Wetenschap is geen dogma, geen absolute waarheid, er komt nieuwe inzichten en
oude ideeën aangepast of weg
• 1 bron van kennis: empirisch (filosofische vragen kun je niet laten beantwoorden
met empirische systematische onderzoek)


Motivatie: nut, waarde, interesse
• Evidence informed onderwijs: praktijk ervaringen combineren met
wetenschappelijke inzichten
• Nut: om toetsen te kunnen maken en iets te halen
• Waarde: kritische denker worden
• Wet van Cambel: het doel is om gedrag te sturen, die kwantitatieve gegevens kan dit
verstoren
• Kritiek: er wordt teveel gekeken naar emoties en niet genoeg op cijfers (statistiek)
• Interesse: je moet moeite doen dan zal er verbondenheid komen aan iets buiten
jezelf (en dan zal er voldoening komen en zal het leuk zijn)
è Breder denken, en niet alleen vanuit je referentiekader


Boek passer literatuur – Hoofdstuk 1
• De noodzaak van goed redeneren
• Het belang van het op een georganiseerde manier verzamelen van relevante
gegevens
• De bereidheid om onze overtuigingen aan te passen wanneer duidelijk wordt dat ze
onjuist zijn
Ø Doel om kennis en opvattingen op te doen




Hoorcollege 2 kwalitatieve en kwantitatieve variabelen, soorten
meetniveaus, betrouwbaarheid en validiteit
Datasets
• Cases of units: subjecten naar wie het onderzoek naar is gedaan (gaat om mensen)
of objecten (gemeenten)


5

, • Variabele: kenmerk van een case (kan verschillende waarden aannemen)
• Score: waarde van een case of unit op een variabele
• Label: een speciale soort variabele die elke case (wie je bestudeert) uniek
identificeert (studentnummer, patient ID, serienummer van een product)


Categorisch/kwalitatief variabele > kenmerkend (maritial status, oogkleur), rangorde
• Studie (twee waarden: PW en psychologie)
• Leeftijdsgroep (kleuter, puber, volwassenen categorisch van aard)
• Plaats in gezin
• LVS citoscore (A t/m D)
• Twee soorten categorische/kwalitatieve meetniveaus:
Ø Nominale variabele: de waarde hebben geen volgorde van elkaar, geen
meeteenheid, geen nulpunt
§ Een nulpunt betekent: 0 = er is niets aanwezig (er kan geen nul religie
gemeten worden)
§ Geen cijfers met betekenis, alleen categorieen of labels, dus je kan niet
zeggen de ene categorie heeft meer of minder dan de ander en geen
nulpunt (bv sekse)
§ Geeft het minst informatie > je weet niet of A meer of minder is dan B dus
je kan niet rekenen met deze cijfers (je kan alleen 400 studenten indelen
in welke categorie van studie, het geeft alleen informatie zo > frequentie
van een categorie)
Ø Ordinaal variabele: wel rang volgorde, geen meeteenheid, geen nulpunt (sociaal-
economisch klasse, leeftijd, populariteit)
§ Je weet niet hoe groot het verschil is tussen de rangen, je weet wel dat
sam ouder is dan yin maar niet hoeveel ouder (als in labels: kind,
adolescent, volwassenen)
§ De straf-frequentieschaal is ook ordinaal, omdat er duidelijk een volgorde
is de frequentie is duidelijk meer dan de andere, en het verschil tussen
opties is niet gelijk > het verschil tussen 1-2 is niet even groot als 3-4)



Kwantitatieve > in aantallen (niveau van depressie) > frequenties (hoeveel mensen in een
categorie), percentages, proporties
• Leeftijd
• Aantal kinderen in gezin
• IQ-score


6

Documentinformatie

Geüpload op
3 mei 2026
Aantal pagina's
39
Geschreven in
2025/2026
Type
College aantekeningen
Docent(en)
Peter verkoeijen
Bevat
Alle colleges

Onderwerpen

€9,56
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
lizStuviaStudent

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
lizStuviaStudent Erasmus Universiteit Rotterdam
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
-
Lid sinds
3 weken
Aantal volgers
0
Documenten
3
Laatst verkocht
-

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen