, C01 - Algemene instructie
LMO Voorbereiding Casus - lees de patientcasus
Kenmerken Parasiet Schimmel Bacterie Virus
Structurele kenmerken
Celstructuur Eukaryoot (celkern Eukaryoot Prokaryoot (geen Bestaat uit
(eukaryoot/prokaryoot) aanwezig) (celkern celkern) eiwitmantel
aanwezig) (capside) en
genetisch
materiaal
Genoom (DNA, RNA) DNA DNA DNA, meestal DNA of RNA,
(dubbelstrengs) (dubbelstrengs) circulair enkel- of
dubbelstrengs
Celwand (aanwezig/afwezig) Afwezig Aanwezig Aanwezig Afwezig
Biologische kenmerken
Grootte Variabel; Microscopisch of Klein, gemiddeld Ultralicht, 20-300
microscopisch tot zichtbaar 1-10 µm nanometer
macroscopisch
Levenscyclus (variabel) Gastheer nodig Seksueel en Aseksueel, Gastheercel nodig
aseksueel snelle deling
Voortplantings- Seksueel en Sporen Binaire deling Replicatie in
mechanisme aseksueel (seksueel/ gastheercel
aseksueel)
Subclassificatie (in grote Protozoa, Gisten, schimmel- Grampositief/ DNA- of
lijnen) helminthen, RNA-virus,
ectoparasieten draden -negatief, met/zonder
zuurvast envelop
Klinische kenmerken
Bekende micro-organismen Plasmodium, Candida albicans, M. Pneumoniae, SARS-CoV-2, hiv
Ascaris Aspergillus M. tuberculosis
Bekende ziektebeelden Malaria, Spruw, ringworm Longontsteking, COVID-19, aids
schistosomiasis tuberculose
,Pathogenese/ Immunosuppressi Biofilms, Endotoxines, Ontwijking
voorbeelden e, toxines invasieve groei kapselvorming immuunsysteem
virulentiefactoren
Behandelopties Antiparasitaire Antimycotica Antibiotica Antivirale
middelen (fluconazol) (penicilline) middelen, vaccins
(chloroquine)
Immuniteit Vaak incompleet Soms langdurig Variabel, vaak Variabel
effectief (kort/levenslang)
Moleculen/antigenen die Eiwitten, Chirine, Flagellen, Virale eiwitten,
herkend worden door metabolieten bèta-glucanen celwand- nucleïnezuren
immuunsysteem omponenten
Waarom onvolledige Antigeenvariatie, Geen sterke Vermijding Hoge
immuniteit na infectie? immuunsuppressie systemische immuun- mutatiefrequentie
respons herkenning
Epidemiologische kenmerken
Overdrachts- Vectoren, besmet Sporen in lucht, Druppels, Aerosolen,
mechanismen voedsel/water direct contact contact, voedsel bloedcontact
Voorbeelden van Dormante stadia Sporenvorming Endosporen Integratie in
overdrachts- (cysten) gastheer-DNA
mechanismen
, LME Introductie bacteriologie
Drie domeinen van het leven zijn: Archaea, eukaryoten en bacteriën. Deel van bacteriën is
zelfstandig, kan overleven door voedingsstoffen uit omgeving te gebruiken om energie te
maken. Bacteriën kunnen overal overleven, leven meestal met hun gastheer.
Basiskennis van bacteriën
Bacteriën zijn eenvoudige, eencellige organismen die overal voorkomen. Ze vormen een
belangrijk deel van de menselijke microbiota en hebben vaak een positieve invloed op de
gastheer, zoals:
1. Gastheer beschermen tegen indringing van micro-organisme van buitenaf via
competitie om ruimte en voedingsstoffen.
2. Helpen bij spijsvertering (bv. van complexe koolhydraten);
3. Stimuleren van het immuunsysteem, wat bijdraagt aan een betere weerstand;
4. Productie van vitaminen, zoals vitamine K en sommige B-vitaminen.
Bacteriën kunnen ook ziekten veroorzaken via:
1. Exogene infecties (van buitenaf), zoals besmet voedsel of door medische
ingrepen;
2. Endogene infecties (van binnenuit), bijvoorbeeld door opportunistische
micro-organismen bij een verminderde weerstand, die de mens koloniseren.
Verschil tussen prokaryoten en eukaryoten
Bacteriën zijn prokaryoten met een eenvoudige
celstructuur zonder kern, in tegenstelling tot de
complexe eukaryoten (zoals menselijke cellen). De
meeste bacteriën zijn 1-10 micrometer groot en
kunnen worden gevisualiseerd met een
lichtmicroscoop.
Verschillen in de basisstructuur tussen prokaryotische en eukaryotische cellen
Kenmerk Prokaryotische cellen Eukaryotische cellen
Celwand Aanwezig Afwezig (sommige planten en
schimmels hebben een celwand)
Celkern Niet aanwezig (ook geen Aanwezig (omgeven door een
kernmembraan) kernmembraan)
DNA Circulair, los in cytoplasma Lineair, in kern opgeslagen
Ribosomen Klein (70S) Groter (80S)