Taalfuncties:
- De communicatieve of sociale taalfunctie
- De conceptualiserende of cognitieve functie
- De expressieve taalfunctie
De communicatieve of sociale taalfunctie – contact maken doormiddel van taal.
Verschillende sociale taalfuncties:
Functie van zelfhandhaving – zelfbescherming en verdediging. (Voor jezelf
opkomen)
Zelfsturing – ordenen met woorden wat je gaat doen en je plannen aankondigen. (Ik
ga naar de bakker)
Sturing van anderen – Het gedrag van anderen beïnvloeden. (Ga je mee?)
structurering van het gesprek – het gebruik van taal om het gespreksverloop te
beïnvloeden. (‘nou moeten jullie zeggen wat je gaat kopen’)
De conceptualiserende of cognitieve functie – taal als hulpmiddel om gedachten
te ordenen en greep krijgen op werkelijkheid. (Je mening vormen)
Drie cognitieve taalfuncties:
1. Rapporteren: Wanneer je verslag doet van iets wat in de werkelijkheid voor komt.
(Je hebt iets meegemaakt of gezien en verteld daar over.)
2. redeneren: Je gaat een stap verder dan beschrijven, je voegt een extra denkstap
toe. (Gebeurtenis chronologisch ordenen, conclusies trekken, relatie tussen middel
en doel of, oorzaak en gevolg, voorstel voor oplossing)
3. projecteren: Je probeert je te verplaatsen in de gedachten en gevoelens van een
ander.
Als een kind een taal leert ligt de nadruk op De conceptualiserende functie van de
taal. Een kind gebruikt de taal om greep te krijgen op de werkelijkheid. (Bal)
De expressieve taalfunctie – taal gebruiken om te experimenteren (gevoelens
uiten, iets nieuws zeggen, creatief gebruik van taal)
De communicatieve competentie – het vermogen om de communicatieve functie
van taal te gebruiken.
Deelcompetenties:
grammaticale competentie (linguïstische competentie) – alle kennis van de taal en
de taalregels die nodig zijn om adequaat te kunnen communiceren. (gramatica
regels, woordenschat, vervoegen en verbuigen van woorden en correct uitspreken
van woorden)
tekstuele competentie – gesproken en geschreven tekst. Hoe open en eindig je een
gesprek. Regels voor schriftelijke tekst
strategische competentie – om bepaalde doelen te bereiken. Hoe kun je andere
,overtuigen of aanzetten tot actie.
functionele competentie – taalgebruik aan passen aan een specifieke situatie.
De strategische competentie en de functionele competentie worden ook wel de
pragmatische competenties genoemd omdat ze betrekking hebben op de praktijk en
het concrete gebruik van de taal.
De verschillende niveaus van taal:
fonologisch niveau – uitspraak, klanken
morfologisch niveau – opbouw van woorden (verbuigen of vervoegen)
syntactisch niveau – volgorde van woorden
semantisch niveau – betekenis
pragmatisch niveau – gebruik (snappen hoe taal en communicatie werkt) (oogcontact
en dankjewel zeggen)
orthografisch niveau – spelling
Recursief systeem: een element van taal eenzelfde element van taal kan bevatten.
(Samengestelde zin)
, Mondelinge taalvaardigheid (H3)
3.1.1
Drie theorieën over hoe kinderen taal verwerven:
1. Het behaviorisme
2. De creatieve constructietheorie
3. De interactionele benadering
1 het behaviorisme
stroming binnen de psychologie die ervan uitgaat dat kinderen de taal leren door
imitatie. Goedkeuring van ouders speelt een grote rol.
Tegenargument: Kinderen maken zinnen met fouten die zij nooit eerder hebben
gehoord. De meest gebruikte woorden uit onze taal (bijv. de en ik) worden niet als
eerste door kinderen geleerd. Dat zijn juist de zelfstandige naamwoorden en
werkwoorden die verwijzen naar dingen en acties. (bijv. auto en eten)
Voorbeeld is wolfen kinderen: kinderen die zonder menselijk contact opgroeide bleke
na het 6e levensjaar niet meer in staat te zijn om een taal te leren.
2 de creatieve constructietheorie (metalisme)
Kinderen vermogen zelf over aangeboren taal. Een kind is zelf in staat om zelf de
structuur te ontdekken in een taal. Kind kan op een creatieve manier zelf een zin
vormen die het nooit eerder heeft gehoord. Een kind kan daardoor iedere
willekeurige taal leren.
Wel is zo dat de volgorde waarin een kind de taal eigen maakt wordt bepaald door
biologische rijping. Kinderen beginnen pas na hun 1 e verjaardag met het produceren
van taal, omdat de hersenen dan ver genoeg ontwikkeld zijn.
3 Internationale benadering
Een combinatie van het behaviorisme en de creatieve constructietheorie. Het
aangeboren taalleervermogen is bij kinderen zeker aanwezig, maar ook het
taalaanbod uit de omgeving is belangrijk bij het leren van taal. Het taalaanbod moet
wel afgestemd zijn op de mogelijkheden van het kind. (bv duidelijk articuleren,
kortere zinnen en veel herhaling)
3.1.2 eerstetaalverwerving
De taalontwikkeling begint op fonologisch niveau: het vormen van spraakklanken
(ah,ah of buh)
Kinderen ontwikkelen zich vervolgens op verschillende niveaus tegelijk:
Semantisch niveau: de betekenis van woorden. Dat gaat geleidelijk. Bv eerst alle
dieren ‘paard’ noemen daarna ‘paard’, ‘koe’ ect.
Syntactisch niveau: de grammaticale regels voor het combineren van woorden en
vormen van zinnen. Bv eerst ‘waar bal?’ en na een tijdje: ‘waar is de bal?’ vanaf 5