Hoofdstuk 2: De Taak en Houding van de
Socioloog
Inleiding
Dit hoofdstuk behandelt welke taken de socioloog vervult en welke houdingen daarbij passen.
Als leidraad gelden de twee sleutelbegrippen uit hoofdstuk 1: contingent en niet-arbitrair.
Norbert Elias omschreef de kernopdracht van de sociologie als volgt:
„… erop te wijzen hoe ondoorzichtig en dientengevolge ook onbeheersbaar de
relatienetwerken zijn die mensen met elkaar vormen. Een van de centrale opgaven van
de sociologie is deze relatienetwerken doorzichtiger te maken en er aldus toe bij te
dragen dat ze diegene die ze vormen, minder blind en eigenmachtig meeslepen. ‟
Norbert Elias (1971)
De sociologie moet de sociale werkelijkheid voor mensen doorzichtig én beheersbaar maken,
zodat mensen via kennis meer greep krijgen op hun eigen leven. De taak kan worden
opgenomen in drie vormen:
Taak Bijnaam Kern
Empirisch-analytisch Cijferaar Betrouwbare kennis verzamelen
over de samenleving via
onderzoek, data en hypothesen.
Kritisch Mythejager Mythen en vooroordelen
ontkrachten; ook kritisch kijken
naar de sociologie zelf.
Praktisch Levenskunstenaar De maatschappij begrijpen als
esthetische en motiverende
ervaring; sociologie van het
dagelijks leven.
, 1. De Empirisch-Analytische Taak: de Cijferaar
De empirisch-analytische taak is de kernopdracht van de sociologie. Ze bestaat erin
betrouwbare kennis te verwerven over de samenleving: de samenlevingsvormen, de
organisaties, de relatienetwerken en de groepen; inzicht in de samenhangen die zich daarin
voordoen; en greep op de regelmaten en oorzaak-gevolgrelaties.
1.1 Het eerste sociologische onderzoek: De Beauvoir (1734-1788)
François-Jean de Beauvoir, markies van Chastellux, stelde de vraag: welk volk is het
gelukkigst? In 1776 verscheen zijn boek De la Félicité publique, ou Considérations sur le sort
des hommes dans les différentes époques de l’histoire. Hij maakte een historisch overzicht van
de Egyptenaren, het oude Griekenland, Rome, het christendom en de middeleeuwen.
• Zijn aanpak: geen dogma's, maar empirie, wetten en moraal aanpassen op basis van
gegevens.
• Conclusie: zijn eigen tijd (18e eeuw) is de gelukkigste.
• Beperking: er waren nauwelijks gegevens over vrije tijd, werktijd of belastingdruk, het
bleef grotendeels giswerk. Vandaag ligt dat anders.
De Beauvoir illustreert de blindheid voor de eigen samenleving die Elias signaleerde:
samenlevingen raken over tijd verdicht en de sociale relaties worden minder zichtbaar.
1.2 Casevoorbeeld: het succes van meisjes in het onderwijs
Rond 1998 doken in het Vlaamse onderwijs geruchten op dat meisjes het beter deden dan
jongens op school. Dergelijke verschijnselen bestaan al lang, maar worden plots
geproblematiseerd. De sociologische standaardvragen luiden:
• Is dat zo? (Is het vaststelling juist?)
• Is dat een nieuw verschijnsel?
• Doet het zich ook elders, in andere landen, voor?
Vlaamse sociologen Derks en Vermeersch (2002) stelden vast:
• Het verschijnsel is nagenoeg universeel: meisjes doen het wereldwijd beter in het
onderwijs.
• Meisjes lopen minder schoolachterstand op en verlaten school minder vaak zonder
diploma.
• Het is wellicht al zo desde 1957: een voorbeeld van blindheid voor de eigen
samenleving.
De vraag naar het ‘waarom’ (het niet-arbitraire) is complexer. Houdingen van leerlingen spelen
een grote rol: de houdingen van meisjes sluiten beter aan bij wat een school verwacht.
Jongens vertonen meer stoerdoenerij, agressie en stereotiep denken, wat leidt tot conflictueuze
relaties met leerkrachten. Die houdingen werden een tijd beschouwd als ‘natuurlijk’, maar dat is
zelf een legitimerend verhaal.