DEEL 1: Stellingen
VRAAG 1
Stelling: De loutere inbreuk van een contractspartij op de precontractuele
informatieplicht kan worden gesanctioneerd door de nietigverklaring.
Fout: Artikel 5.17, derde lid BW stelt dat: “de schending van een informatieplicht kan niet
leiden tot de precontractuele aansprakelijkheid maar ook tot de nietigheid van het contract
indien voldaan is aan de vereisten bepaald in artikel 5.33 BW”. Bijgevolg is een wilsgebrek
vereist indien de inbreuk van een contractspartij op de precontractuele informatieplicht
kan worden gesanctioneerd door de nietigverklaring.
VRAAG 2
Stelling: Wat betreft de verkeerde voorstelling van zaken inzake dwaling, kan een fout
van de medecontractant de nietigheid van het contract met zich meebrengen.
Fout: In tegenstelling tot wat bij bedrog vereist is, moet de vergissing bij een dwaling niet
door een externe factor (bijv. een fout van een medecontractant) zijn uitgelokt. Een beroep
op dwaling blijft weliswaar mogelijk indien de dwaling verschoonbaar blijkt te zijn (art.
5.34 BW). Een dwaling wordt verschoonbaar geacht als een redelijke persoon, in dezelfde
omstandigheden geplaatst, dezelfde vergissing als de dwalende persoon zou hebben
begaan.
VRAAG 3
John en Anita sluiten een overeenkomst van onbepaalde duur. Op een gegeven moment wil
John echter van de overeenkomst af en besluit deze van de ene dag op de andere stop te
zetten. Anita is evenwel niet akkoord met deze beslissing.
Stelling: Anita kan schadevergoeding vorderen van John, daar een overeenkomst van
onbepaalde duur niet zomaar mag worden opgezegd.
JUIST: Een overeenkomst van onbepaalde duur kan overeenkomstig een algemeen
rechtsbeginsel dat wettelijk verankerd werd in principe te allen tijde eenzijdig kan worden
opgezegd (art. 5.75, tweede lid BW). Deze regel is van openbare orde, zodat partijen de
opzeggingsmogelijkheid niet kunnen uitsluiten of beperken, doch enkel modaliseren, door
bijvoorbeeld een opzeggingswijze, -termijn of –vergoeding te bepalen in het contract. De
opzeggingsbevoegdheid moet echter steeds te goeder trouw worden uitgeoefend. Dat
betekent dat aan de tegenpartij een redelijke opzeggingstermijn of -vergoeding moet
worden gegeven, waarvan de duur in functie van de concrete omstandigheden moet
worden bepaald (art. 5.75, tweede lid BW). Bij ontstentenis van een redelijke termijn moet
John (de opzeggende partij) de schade vergoeden die Anita (de medecontractant) lijdt
wegens het niet naleven van deze verplichting.
,DEEL 2: Theorie
VRAAG 4
Wat zijn de verschillen tussen cessie van schuldvordering en subrogatie? Werk
schematisch uit.
Cessie van SV Subrogatie of indeplaatsstelling
Wijze van overdracht van verbintenissen Wijze van uitdoving/tenietgaan van
verbintenissen
Veronderstelt steeds een overeenkomst Kan wettelijk, dan wel conventioneel zijn
tussen overdrager (SE) en overnemer (art. 5.217 BW), kan ook buiten toedoen van
(toestemming SA niet vereist) de SE
Er is nog geen betaling gebeurd, anders zou De schuld moet effectief betaald zijn door
er geen SV/schuld meer zijn een derde-betaler (gesubrogeerde SE).
Overdrager moet overnemer vrijwaren tegen Geen vrijwaring. Als derde niet-bestaande
niet-bestaan/ongeldigheid SA (art. 5.185 schuld betaald, kan hij terugvorderen van de
BW) betaalde SE o.g.v. onverschuldigde betaling
Cessionaris kan van SA volledige bedrag van Slechts ten belope van bedrag dat derde
de schuld eisen, ook al heeft hij minder effectief aan oorspronkelijke SE heeft
betaald aan cedent. betaald (art. 5.222 BW)
Cessie van een gedeelte van de SV: Betaling/Subrogatie van een gedeelte: nemo
vermogen SA ponds-ponds verdeeld over censetur subrogasse contra se: voorrang
oorspronkelijke en nieuwe SE oorspronkelijke SE boven gesubrogeerde SE
(art. 5.223 BW)
VRAAG 5
Wat is het essentiële verschil tussen de rechtstreekse vordering en de zijdelingse
vordering?
Op grond van de zijdelingse vordering kan de schuldeiser de rechten van zijn stilzittende
schuldenaar uitoefenen (artikel 5.242 BW). Dit gebeurt in diens naam en voor diens
rekening. Dit is een schijnbare uitzondering op de relativiteit van overeenkomsten omdat
de schuldeiser geen eigen krijgt, maar de rechten van zijn schuldenaar zal uitoefenen in
dienst naam en voor diens rekening. Bovendien komt de opbrengst van die vordering in
het vermogen van de schuldenaar terecht. Hierdoor kan er samenloop zijn met de andere
schuldeisers van de schuldenaar.
Op grond van de rechtstreekse vordering heeft de schuldeiser een eigen recht op basis
waarvan hij in eigen naam en voor eigen rekening een derde kan aanspreken (art. 5.110
BW). Dit is een echte uitzondering op het relativiteitsbeginsel. De opbrengst van die
rechtstreekse vordering komt trouwens terecht in het eigen vermogen van de schuldeiser
waardoor er geen samenloop kan ontstaan met de andere schuldeisers van de schuldenaar.
, VRAAG 6
Geef de 4 voornaamste verschillen tussen (1) een nietigheidsgrond; (2) grond van het
tenietgaan van het contract; én (3) grond van het tenietgaan van een verbintenis.
Werk schematisch uit.
Nietigheidsgrond Gronden tenietgaan contract Gronden tenietgaan verbintenis
Art. 5.57 j° 5.27 BW Art. 5.112, 1°-7° BW Artikel 5.244, 1°-8° BW
Geldigheidsvereiste niet Naast nietigheidsgronden ook Betaling, ontbindende
voldaan opzegging, ontbinding, voorwaarde,
definitieve onmogelijkheid tot schuldvernieuwing,
nakoming... schuldvergelijking, verval door
verdwijning van voorwerp...
Totstandkoming overeenkomst Niet noodzakelijk Niet op het ogenblik van de
totstandkoming van de totstandkoming
overeenkomst, maar ook op het
ogenblik van de opzeg, de
wanprestatie...
Contract is vernietigbaar (5.59 Contract kan worden beëindigd Verbintenis gaat teniet, maar
BW) niet noodzakelijk het contract