Hoofdstuk 2
Verpleegkundige competenties voor
zelfmanagementondersteuning
2.1 De relatie verpleegkundige-patiënt als basis van
zelfmanagementondersteuning
Zelfmanagementondersteuning begint bij het leren kennen en vertrouwen winnen van de patiënt. In de
ideale situatie is de verpleegkundig de ‘vakbekwame metgezel’ (skilled companion) van de patiënt.
2.2 Benodigde competenties voor zelfmanagementondersteuning
Volgens het 5A-model begint zelfmanagementondersteuning in de fase Achterhalen. Via Adviseren,
Afspreken en Assisteren kom je uiteindelijk in de fase Arrangeren terecht.
Het kernbegrip bij een competentie van de rol Zorgverlener is: ‘zelfmanagement versterken’. De eerste
fase in het ondersteunen van zelfmanagement is het Achterhalen van de wensen en behoeften van de
patiënt. De tweede fase is Adviseren. Belangrijk daarbij is dat je alleen advies geeft als de patiënt
aangegeven heeft daar behoefte aan te hebben. De fase Afspreken volgt weer logisch uit de tweede
stap: als de patiënt voldoende geïnformeerd is, kunnen de verpleegkundige en de patiënt gezamenlijke
doelen afspreken. Vervolgens zal de verpleegkundige, in overleg met de patiënt, bekijken wie de patiënt
hierbij kan Assisteren. Dit zal soms informele ondersteuning zijn vanuit de omgeving van de patiënt en
soms professionele ondersteuning van de verpleegkundige zelf of van andere professionals. Een
volgende stap is Arrangeren. Er worden afspraken gemaakt over het vervolg van de behandeling.
2.3 Achterhalen
In de fase van het Achterhalen gaat het erom dat de verpleegkundige zich verdiept in de individuele
situatie van de patiënt, waarbij zij aandacht heeft voor diversiteit, de ervaringskennis van de patiënt, het
patiëntsysteem en de rol die de patiënt bij voorkeur wil spelen.
De verpleegkundige achterhaalt bij de patiënt (en zijn omgeving):
- Verwachtingen van het leven met de aandoening in de (nabije) toekomst
- Eigen ervaringen met zijn aandoening
- Wat hij weet over zijn aandoening
- Hoe hij zijn emoties over de aandoening met zijn omgeving kan delen
- Aanwezige motivatie en discipline om de aandoening in zijn leven in te passen
- Hoeveel vertrouwen hij heeft in zijn eigen kunnen (zelfeffectiviteit)
- Wat hij zelf kan en wil doen in het zorgproces
- Welke kernwaarden zijn beleving van de aandoening beïnvloeden (bijvoorbeeld religie, cultuur,
zelfstandigheid)