Hoofdstuk 6
Ethiek: morele besluitvorming en argumentatie
6.5 Goede redenen
5.1 Argumenten en argumentatiefouten
5.1.1 Argumenten: geldigheid en waarheid
Een redenering (of argument) bestaat in de kern uit één of meer beweringen (de premissen)
waarvan een andere bewering (de conclusie) wordt afgeleid.
De algemene structuur van een redenering zou je dus als volgt kunnen weergeven:
P1, P2...Pn/ C
Een deductief geldig argument: de conclusie van het argument volgt dwingend uit de
premissen. Je kunt niet de premissen aanvaarden en toch de conclusie afwijzen. Wie dat
toch doet spreekt zichzelf tegen.
Voorbeeld:
P1 Alle mensen zijn sterfelijk
P2 Emma is een mens
------------------------------------------
C Emma is sterfelijk
Een ongeldig argument: de conclusie volg niet dwingend uit de premissen.
Voorbeeld:
P1 Alle mensen zijn sterfelijk
P2 Bas is sterfelijk
------------------------------------------
C Bas is een mens
De beweringen (premissen en conclusie) in de redeneringen kunnen waar zijn en onwaar.
Met waarheid bedoelen we hier: in overeenstemming met de werkelijkheid. Het kan in
overeenstemming zijn met de werkelijkheid dat Bas een hond is en dat kan ook niet zo zijn.
Redeneringen kunnen geldig of ongeldig zijn en de vraag of een redenering geldig is of niet,
staat los van de vraag of de uitspraken die erin voorkomen ook echt waar zijn of niet.
Voorbeeld:
P1 Alle verpleegkundigen zijn vrouwen
P2 Koning Willem Alexander is een verpleegkundige
-----------------------------------------
C Koning Willem Alexander is een vrouw
Dit is een conclusie die geheel is opgebouwd uit onware beweringen: de premissen en de
conclusie stemmen niet overeen met de werkelijkheid. Toch is de redenering geldig. Want
ook hier wordt de (onware) conclusie afgedwongen door de (onware) premissen. Zou je
namelijk aanvaarden wat boven de streep staat, dan moet je ook de conclusie daaronder
aanvaarden. Of een redenering geldig is of niet wordt dus niet gegarandeerd door de
feitelijke waarheid of onwaarheid van de beweringen.
Zie nog een aantal voorbeelden blz. 182 en 183
, 5.1.2 Een aantal andere argumentatiefouten
5.1.2.1 De persoonlijke aanval
Volgens jou is mijn voorstel te weinig concreet
Ik ben dat niet met je eens
Zelf ben je ook niet altijd concreet
------------------------------------------------------
Mijn voorstel is concreet
Deze premissen leiden in de verte niet tot deze conclusie. We hebben hier te maken met de
zogenaamde ‘jij ook variant’ van de persoonlijke aanval.
5.1.2.2 Het ontduiken of verschuiven van de bewijslast
Bewijslast kun je ontduiken door bijvoorbeeld je standpunt steeds maar te herhalen en erop
te wijzen dat ‘je dat nou eenmaal vindt’. Het ontduiken kan ook door een standpunt als zo
vanzelfsprekend voor te stellen dat je wel ernstig gestoord moet zijn om het in twijfel te
trekken.
De bewijslast kan ook worden verschoven:
A. “Volgens mij wordt er in de gezondheidszorg veel te veel geld uit gegeven aan dure
medisch-technische hoogstandjes.”
B. “Hoezo?”
C. “Nou,… leg jij maar eens uit waar al die apparaten en technieken goed voor zijn.”
Nog een gesprekje:
A. “Ik vind dat we de patiënt in dit geval moeten dwingen.”
B. “Waarom vind je dat?”
C. “Vertel mij maar eens waarom dat niet zou moeten.”
5.1.2.3 Het vertekenen van een standpunt
De vertekende versie is veel gemakkelijker te bekritiseren dan het oorspronkelijke standpunt,
maar je hoort iemand natuurlijk wel aan te spreken op wat hij gezegd heeft en niet op iets
anders.
5.1.2.4 Het onterechte beroep op autoriteit
Soms proberen mensen hun opvattingen te verdedigen door te wijzen op autoriteiten die
hetzelfde vinden.
Het kan heel zinvol zijn om te weten wat de mening van de ‘anderen’ is, maar het is alweer
niet zo dat het feit dat velen iets vinden een argument is voor het standpunt in kwestie.
Een voorbeeld dat we al eerder tegenkwamen is dat mensen bij het bespreken van morele
kwesties nogal eens een beroep doen op hun ‘gevoel’ of hun ‘geweten’, al dan niet in
combinatie met een bepaalde geloofsovertuiging. Het beroep op geloof, geweten of gevoel is
een manier geworden om geen argumenten te hoeven geven.
5.1.2.5 Het verwarren van voldoende en noodzakelijke
voorwaarden
In het onderstaande argument wordt een noodzakelijke voorwaarde ten onrechte aangezien
voor een voldoende voorwaarde:
Ethiek: morele besluitvorming en argumentatie
6.5 Goede redenen
5.1 Argumenten en argumentatiefouten
5.1.1 Argumenten: geldigheid en waarheid
Een redenering (of argument) bestaat in de kern uit één of meer beweringen (de premissen)
waarvan een andere bewering (de conclusie) wordt afgeleid.
De algemene structuur van een redenering zou je dus als volgt kunnen weergeven:
P1, P2...Pn/ C
Een deductief geldig argument: de conclusie van het argument volgt dwingend uit de
premissen. Je kunt niet de premissen aanvaarden en toch de conclusie afwijzen. Wie dat
toch doet spreekt zichzelf tegen.
Voorbeeld:
P1 Alle mensen zijn sterfelijk
P2 Emma is een mens
------------------------------------------
C Emma is sterfelijk
Een ongeldig argument: de conclusie volg niet dwingend uit de premissen.
Voorbeeld:
P1 Alle mensen zijn sterfelijk
P2 Bas is sterfelijk
------------------------------------------
C Bas is een mens
De beweringen (premissen en conclusie) in de redeneringen kunnen waar zijn en onwaar.
Met waarheid bedoelen we hier: in overeenstemming met de werkelijkheid. Het kan in
overeenstemming zijn met de werkelijkheid dat Bas een hond is en dat kan ook niet zo zijn.
Redeneringen kunnen geldig of ongeldig zijn en de vraag of een redenering geldig is of niet,
staat los van de vraag of de uitspraken die erin voorkomen ook echt waar zijn of niet.
Voorbeeld:
P1 Alle verpleegkundigen zijn vrouwen
P2 Koning Willem Alexander is een verpleegkundige
-----------------------------------------
C Koning Willem Alexander is een vrouw
Dit is een conclusie die geheel is opgebouwd uit onware beweringen: de premissen en de
conclusie stemmen niet overeen met de werkelijkheid. Toch is de redenering geldig. Want
ook hier wordt de (onware) conclusie afgedwongen door de (onware) premissen. Zou je
namelijk aanvaarden wat boven de streep staat, dan moet je ook de conclusie daaronder
aanvaarden. Of een redenering geldig is of niet wordt dus niet gegarandeerd door de
feitelijke waarheid of onwaarheid van de beweringen.
Zie nog een aantal voorbeelden blz. 182 en 183
, 5.1.2 Een aantal andere argumentatiefouten
5.1.2.1 De persoonlijke aanval
Volgens jou is mijn voorstel te weinig concreet
Ik ben dat niet met je eens
Zelf ben je ook niet altijd concreet
------------------------------------------------------
Mijn voorstel is concreet
Deze premissen leiden in de verte niet tot deze conclusie. We hebben hier te maken met de
zogenaamde ‘jij ook variant’ van de persoonlijke aanval.
5.1.2.2 Het ontduiken of verschuiven van de bewijslast
Bewijslast kun je ontduiken door bijvoorbeeld je standpunt steeds maar te herhalen en erop
te wijzen dat ‘je dat nou eenmaal vindt’. Het ontduiken kan ook door een standpunt als zo
vanzelfsprekend voor te stellen dat je wel ernstig gestoord moet zijn om het in twijfel te
trekken.
De bewijslast kan ook worden verschoven:
A. “Volgens mij wordt er in de gezondheidszorg veel te veel geld uit gegeven aan dure
medisch-technische hoogstandjes.”
B. “Hoezo?”
C. “Nou,… leg jij maar eens uit waar al die apparaten en technieken goed voor zijn.”
Nog een gesprekje:
A. “Ik vind dat we de patiënt in dit geval moeten dwingen.”
B. “Waarom vind je dat?”
C. “Vertel mij maar eens waarom dat niet zou moeten.”
5.1.2.3 Het vertekenen van een standpunt
De vertekende versie is veel gemakkelijker te bekritiseren dan het oorspronkelijke standpunt,
maar je hoort iemand natuurlijk wel aan te spreken op wat hij gezegd heeft en niet op iets
anders.
5.1.2.4 Het onterechte beroep op autoriteit
Soms proberen mensen hun opvattingen te verdedigen door te wijzen op autoriteiten die
hetzelfde vinden.
Het kan heel zinvol zijn om te weten wat de mening van de ‘anderen’ is, maar het is alweer
niet zo dat het feit dat velen iets vinden een argument is voor het standpunt in kwestie.
Een voorbeeld dat we al eerder tegenkwamen is dat mensen bij het bespreken van morele
kwesties nogal eens een beroep doen op hun ‘gevoel’ of hun ‘geweten’, al dan niet in
combinatie met een bepaalde geloofsovertuiging. Het beroep op geloof, geweten of gevoel is
een manier geworden om geen argumenten te hoeven geven.
5.1.2.5 Het verwarren van voldoende en noodzakelijke
voorwaarden
In het onderstaande argument wordt een noodzakelijke voorwaarde ten onrechte aangezien
voor een voldoende voorwaarde: