Samenvatting burgerlijk procesrecht week 1
Belangrijke regelgeving bpr
- Materieelrechtelijke basis: titel 11 boek 3 BW en Art. 3:276 en 3:296 BW.
- Grond- en mensenrechten: 6 EVRM en GW
- Organisatie: Wet RO
- Wijze van procederen: Rv en procesreglementen
Doelstellingen van het burgerlijk procesrecht
1. Binnen het vermogensrecht heeft het procesrecht de taak om afspraken op een efficiënte,
effectieve en eerlijke wijze te laten verlopen. De door het materiële recht nagestreefde orde
moet door het burgerlijk procesrecht worden gehandhaafd.
2. Eigenrichting: Het bpr stelt middelen tot handhaving van de privaatrechtelijke rechtsorde
ter beschikking om zo ontoelaatbare vormen van eigenrichting tegen te gaan. In sommige
gevallen is eigenrichting gerechtvaardigd, bijv. het revindiceren van je fiets wanneer een
dief je fiets heeft gestolen. Er doet zich dan een rechtvaardigingsgrond voor waardoor het
ontbreken van overheidshulp gerechtvaardigd is.
Eigenlijke en oneigenlijke rechtspraak
- Eigenlijke of contentieuze rechtspraak: de taak van de burgerlijke rechter om over
vermogensrechtelijke geschillen te beslissen en/of afdwingende veroordelingen uit te
spreken.
- Oneigenlijke rechtspraak of voluntaire jurisdictie: bemoeienis van de rechter op het terrein
van het personen- en familierecht (vrijwillige rechtspraak).
Aan deze twee verschillende soorten rechtspraak zijn ook verschillende procedures verbonden:
de dagvaarding en de verzoekschriftprocedure. Hoofdregel: vermogensrechtelijke zaken worden
ingeleid met een dagvaarding en andere zaken met een verzoekschrift.
Beginselen van burgerlijk procesrecht (vanuit Europeesrechtelijke perspectief)
Beginselen van procesrecht zijn ontwikkeld als normen voor een behoorlijke procedure. Men spreekt
van fundamentele eisen wanneer afwijking van deze beginselen niet of alleen in bijzondere gevallen
is toegestaan. Ook zijn er fundamentele eisen voor een behoorlijk ingericht en goed functionerend
procesrecht. Veel functionele eisen hebben betrekking op de wijze waarop de rechter het proces
leidt en hij zijn beslissingen neemt.
1. Artikel 6 EVRM:
a. Staat aan welke eisen de rechter en de rechtsgang in burgerlijke, bestuurs- en
strafzaken moeten voldoen om niet te leiden tot strafsancties van het EHRM.
b. een primaire bron van processuele kwaliteitseisen in het Nederlands bpr.
c. Heeft interne werking in Nederland, waardoor het voorrang heeft op strijdige
nationale wetgeving wanneer dit zich voordoet (art. 92-95 Gw). Het
heeft geen horizontale werking, waardoor het niet rechtstreeks tegen een
wederpartij kan worden ingeroepen, maar alleen tegen de overheid.
2. Toegang tot de rechter: Dit is uit art. 6 EVRM afgeleid. Er moet een procedure openstaan
voor de rechtzoekende. Dit heeft geleid tot de eisen rechtsbescherming en rechtsgelijkheid.
Er moeten zo min mogelijk belemmeringen zijn om een procedure te kunnen voeren. Denk
aan het bieden van gefinancierde rechtshulp wanneer rechtsbijstand onmisbaar is. Wel
moet er bij dit beginsel terughoudendheid van misbruik van procesrecht worden
aangenomen.
3. De eerlijke behandeling: De fair trial die in 6 EVRM wordt genoemd, uit zich op verschillende
manieren. Een niet onafhankelijke of een partijdige rechter kan naast deze eis ook een
schending van ‘fair trial’ opleveren. Ten slotte is nog een ander beginsel dat hieruit
voortvloeit erg belangrijk: rechtszekerheid.
a. Hoor en wederhoor: is in veel algemene voorschrift uitgewerkt binnen ons
procesrecht. Er zijn regels opgesteld o.a. over het oproepen van de gedaagde door
middel van een exploot van dagvaarding.
b. Equality of arms: de gelijkheid van processuele middelen. Het gaat erom of de
processuele positie van de ene partij niet minder is dan die van de andere partij.
Denk bijv. aan het geval dat niet allebei de partijen de gelegenheid krijgen om zich
uit te laten over bepaalde stukken.
c. Motiveringsplicht: De rechter moet voor een eerlijke behandeling redenen geven
voor de beslissing die hij neemt, dit is vastgelegd in art. 121 Gw en 5 RO. Door
controle op de besluitvorming mogelijk te maken probeert deze eis
partijdigheid/willekeur tegen te gaan. De motivering moet inzicht geven in de
, gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt en heeft als doel controle en
aanvaardbaarheid voor de partijen te bevorderen.
4. De openbaarheid van de behandeling: Heeft als doel om door publieke controle de
procespartijen tegen oneigenlijke rechtsgangen te beschermen. Ook heeft het tot doel om
het vertrouwen in de rechtspleging te ondersteunen en om de doelstelling van artikel 6 te
verwezenlijken door de rechtsbedeling zichtbaar te maken. Deze eis is ook vastgelegd in
art. 121 Gw en er mag alleen bij uitzondering van afgeweken worden. De openbaarheid
wordt verwezenlijkt door openbare terechtzittingen.
5. Redelijke termijn: Nationale overheden zijn verplicht om het rechtssysteem in te richten op
een manier waarbij een definitieve beslissing over de vaststelling van de rechten en
plichten van burgers binnen een redelijke termijn kan worden gegeven en uitgevoerd.
6. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter: De rechterlijke macht behandelt en
beslist over burgerlijke zaken (art. 112 Gw). De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht
wordt gewaarborgd, vooral t.o.v. de uitvoerende macht, doordat:
Bij of krachtens de wet de samenstelling, inrichting en bevoegdheid van de rechtelijke
macht moet worden geregeld (art. 116 Gw);
De leden van de rechterlijke macht worden voor het leven aangesteld indien zij met
rechtspraak zijn belast. Zij kunnen enkel worden ontslagen of afgezet door een bij de
wet aangewezen en tot de rechterlijke macht behorend gerecht (art. 117 Gw).
Voor de onpartijdigheid moet voldaan worden aan subjectieve en objectieve onpartijdigheid.
- Objectieve onpartijdigheid ziet toe op daadwerkelijke onpartijdigheid.
- Subjectieve onpartijdigheid gaat om dat de indruk wordt voorkomen dat de rechter partijdig
zou zijn.
7. Algemene voorschriften voor procedures (art 19-35 Rv): in Wetboek van Rv is een afdeling
opgenomen met algemene voorschriften en procedures waarin bepalingen met een
algemeen principieel karakter zijn vastgelegd. Veel vereisten uit art. 6 EVRM zijn hierin
neergelegd evenals algemene voorschriften zoals de taken en bevoegdheden van rechters
en partijen.
a. Volledigheids- en waarheidsplicht: Om dit te volbrengen is er een voorschrift
opgenomen waarbij de partijen verplicht zijn de feiten volledig en naar waarheid
aan te voeren die voor de beslissing van belang zijn (art. 21 Rv).
Zeggenschap in de civiele procedure
Lijdelijkheid van de rechter is alleen noodzakelijk wanneer sprake is van privaatrechtelijk
zelfbeschikkingsrecht van partijen. De rechter is niet lijdelijk ten opzichte van het verloop en de
instructie van de zaak. Er is alleen sprake van partijautonomie als de bevoegdheden van de partijen
voor die van de rechter gaan. De lijdelijkheid kan worden beschreven aan de hand van regels van
processuele partijautonomie:
Partijen voeren het initiatief van een civiele procedure, niet de rechter.
De aard en de omvang van het geding worden bepaald door partijen.
Partijen moeten de feiten stellen en indien nodig bewijzen. De rechter mag over het
algemeen alleen bewijs opdragen die gaat over de betwiste feiten (artikel 149 Rv).
Als een partij bewijs aanbiedt door het leveren van getuigen over feiten die de wederpartij
betwist, dan moet de rechter dit bewijs toelaten als dit belangrijk is voor de beslissing van
de zaak (artikel 166 Rv).
Partijen mogen altijd het geding beëindigen. De rechter mag dit niet tegenhouden.
De dag van een uitspraak mag op verlangen van de partijen worden uitgesteld wanneer
een rechter al een dag bepaald had (artikel 229 Rv).
Partijen mogen overeenkomen dat hun rechtsverhouding anders is dan dat door de rechter
bij een vermogensrechtelijk geschil definitief was besloten.
De ambtshalve aanvulling van rechtsgronden (art. 24 Rv)
De rechter moet kijken welke rechtsregels van toepassing zijn op de vaststaande feiten en of deze
rechtsregels leiden tot een toe- of afwijzing van de vordering (art. 25 Rv). De rechter is niet
gebonden aan de rechtsregels die de partijen zelf inroepen; hij kan voor een andere rechtsregel
kiezen die in het geval gewenst zou zijn. Indien de partijen hier geen rekening mee hoorden te
houden, moet de rechter de partijen de gelegenheid bieden om zich te uiten over zijn voornemen
(hoor en wederhoor). Maar in beginsel is dit nooit nodig, aangezien de partijen ervan uit horen te
gaan dat de rechter de rechtsgronden ambtshalve aanvult. De rechter stelt vaak bij een
tussenvonnis aan de orde op welke rechtsregels een beroep kan worden gedaan en of deze
ambtshalve mogen worden toegepast. De rechtsregel moet voor de hand liggen om deze te mogen
toepassen en de partij kiest dus of zij de toepassing hiervan op prijs stelt. Echter, sommige regels
,is de rechter verplicht ambtshalve toe te passen, ook als de partijen de bedoeling hadden om ervan
af te wijken.
Verboden aanvulling van feiten/feitelijke grondslag
De rechter mag rechtsgronden aanvullen, maar mag nooit feiten of de feitelijke grondslag aanvullen
op grond van art. 149 lid 1 Rv. Een rechter mag volgens lid 2 wel algemene
ervaringsregels en feiten of omstandigheden van algemene bekendheid ambtshalve aan zijn
beslissing ten grondslag leggen. De rechter mag om stellingen te beoordelen binnen de grenzen
van de rechtsstrijd alle kennis gebruiken die hij heeft opgedaan, feiten en omstandigheden
gebruiken die uit het proces bleken en daar mag hij zijn eigen conclusies uit trekken. De rechter
mag geen feiten en omstandigheden afleiden uit wat in het geding is gebleken, die niet ten
grondslag zijn gelegd. De wederpartij krijgt dan ook niet de kans om zich te verdedigen; dit verwijst
weer naar de hoor en wederhoor.
Andere gevallen van eigen zeggenschap rechter
1. Eigen onderzoek rechter: Er moet worden gestreefd naar een beslissing over het geding die is
gebaseerd op de werkelijkheid. Daarom zijn er onderzoeksbevoegdheden voor de rechter:
1. Hij kan partijen bevelen stukken over te leggen of stellingen toe te lichten.
2. Sommige vormen van bewijslevering kan hij ambtshalve gelasten.
3. Hij heeft de leiding van het getuigenverhoor.
2. Zeggenschap over procestempo: aan een eis van goede rechtspraak moet voorrang gegeven
kunnen worden boven wat de partijen verlangen. Dit leidt er soms toe dat de rechter zich niet
aan procesafspraken van de partijen houdt.
3. Onderzoeksplicht bij verstek gedaagde: Als een gedaagde niet op de dagvaarding verschijnt
heeft de rechter een zelfstandige onderzoeksplicht. De rechter moet de vordering aan een
onderzoek onderwerpen om zo te voorkomen dat onzinnige vorderingen van een titel worden
voorzien. Wanneer een vordering op hem overkomt als ‘onrechtmatig of ongegrond’ mag hij de
vordering niet toewijzen (art. 139 Rv). Een vordering is ongegrond als de stelling uiterst
onwaarschijnlijk is. Een vordering is onrechtmatig indien deze niet rechtens voortvloeit.
Wanneer een van deze gevallen zich voordoet kan de rechter ambtshalve opdragen bewijs te
leveren. Denk hierbij aan de situatie waarbij het lijkt dat de eiser een onaannemelijk hoge
schadevergoeding vordert.
4. De dwangsom: Een rechter mag de hoogte van het bedrag zelf bepalen wanneer is gevorderd
om de hoofdveroordeling met een dwangsom te versterken.
Verplichte procesvertegenwoordiging
Houdt in dat mensen niet in eigen persoon mogen procederen, maar alleen via een advocaat (art.
79 lid 2 Rv). Het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging kent drie rechtvaardigingen:
Het materiële en formele recht zijn te ingewikkeld voor leken;
Partijen en de rechter komen het meest tot hun recht bij een geordend verloop van de
procedure dankzij een professionele procesvoering;
Door deskundige voorlichting aan de rechtzoekenden kunnen procedures beperkt of
voorkomen worden.
Er zijn ook uitzonderingen op de verplichte procesvertegenwoordiging:
1. Het geldt niet voor gedingen bij de kantonrechter (art. 79 lid 1 Rv).
2. In kort geding bij de voorzieningenrechter geldt het slechts in beperkte omvang: wel voor
de eiser, niet voor gedaagde (art. 255 Rv).
3. De procespartij mag ook zelf het pleidooi houden (maar niet in cassatie) (art. 134 lid 3 Rv).
Goede procesorde (art. 130 Rv)
Voor de procesrechtelijke relatie tussen partijen en de rechter gelden geschreven en ongeschreven
regels eisen van goede procesorde. Deze eisen zijn met name gebaseerd op redelijkheid en
billijkheid. Als iets tijdens het proces niet als redelijk of billijk ervaren wordt, kan de goede
procesorde ingeroepen worden.
Rechterlijke macht
Uit art. 112 Gw volgt dat de rechterlijke macht de geschillen van burgerlijk recht berecht. Wanneer
de eiser stelt dat hem een vorderingsrecht toekomt is er sprake van burgerlijk recht. Daarna
moeten we op zoek naar de bevoegde rechter. Er moet worden vastgesteld of de Nederlandse
rechter rechtsmacht heeft en of de rechter vanuit eigen bevoegdheden van wetgever en
, administratie de beslissing mag en kan nemen. Daarnaast moet worden bekeken of er een
bijzondere rechter bevoegd is waardoor de gewone rechter niet van de zaak mag kennisnemen.
Hierna moet de absolute en de relatieve competentie worden vastgesteld.
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter t.o.v. vreemde mogendheden:
Rechtsvorderingen tegen een vreemde staat kunnen door het volkenrecht beperkt zijn, zelfs
op Nederlands grondgebied. De uitzonderingen staan in art. 13a Wet algemene
bepalingen.
De rechterlijke bevoegdheid t.o.v. andere overheidsorganen: In artikel 6 EVRM kunnen we
de trias politica-leer terugvinden waarin de eis van de onafhankelijke rechter wordt gesteld.
Dit is voor de burger belangrijk voor de controlemogelijkheden van de rechter ten opzichte
van de wetgevende en bestuurlijke overheid.
De rechter en de wetgever
De wetgevende macht is de hoogste macht in de Staat. De rechter kan niet wetgevend optreden of
wetgeving buiten werking stellen. De rechter mag geen uitspraak doen in zaken welke aan zijn
beslissingen zijn onderworpen als algemene verordening, dispositie of reglement (art. 12 Wet
algemene bepalingen). De rechter kan zich zo geen bevoegdheden van de wetgever toekennen.
Wetten in formele zin kunnen niet door de rechter worden getoetst op procedurevoorschriften die
bij de totstandkoming in acht zijn genomen of op hun verenigbaarheid met de Grondwet (artikel
120 Gw), dankzij de suprematie van de wetgever. Avv kunnen worden getoetst aan hogere
regelingen en ongeschreven rechtsbeginselen over de bevoegdheid van overheidsorganen.
De rechter en het bestuur
Tegenwoordig kan de burgerlijke rechter van gedingen kennisnemen die door of tegen de
uitvoerende macht aanhangig worden gemaakt over overeenkomsten op grond van onrechtmatig
handelen, ongeacht of deze in het privaat- of publiekrecht haar grond vindt. Wanneer tegen de
vordering van een burger de administratieve rechtsgang openstaat of het besluit dat wordt
aangevallen formele rechtskracht heeft, mag de rechter hierover niet inhoudelijk oordelen. Als de
bestuursrechter genoeg rechtsbescherming biedt voor de aangelegenheid en de eiser maakt zijn
rechtsvordering bij de burgerlijke rechter aanhangig, dan mag deze niet van de zaak kennisnemen,
ook al is hij wel bevoegd hiertoe en moet hij de eiser niet-ontvankelijk verklaren. De burgerlijke
rechter moet dit vermelden in het vonnis (artikel 70 lid 1 Rv).
Betrokkenen bij het burgerlijk procesrecht
1. De procederende partijen: De dagvaardingsprocedure wordt gevoerd tussen 2 of meer
partijen. Alleen natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen als procespartijen optreden.
a. Als iemand handelingsonbekwaam is kan hij als natuurlijk persoon niet zelf
optreden als eiser of gedaagde. De ouderlijke macht zal optreden voor de
minderjarige en de curator voor iemand die onder curatele is gesteld. De ouder,
voogd, curator of bewindvoerder formele procespartij. Toch moet de materiële
procespartij ook worden genoemd in de dagvaarding. Er is een machtiging van de
kantonrechter vereist voor het optreden als wettelijk vertegenwoordiger. Let op!
Formele procespartij is niet de procesvertegenwoordiger.
b. De woonplaats van een natuurlijk persoon: De stad waarin hij woont, en wanneer
deze er niet is, de plaats van het werkelijk verblijf (art. 1:10 lid 1 BW). Met de
‘gewone verblijfplaats’ (als in 2 en 3 Rv) bedoelt men dat de verblijver buiten
Nederland geen woonstede heeft. Als een persoon een kantoor of filiaal heeft, geldt
dat ook als woonplaats voor zaken die dit kantoor of filiaal betreffen (art. 1:14 BW).
c. Voldoende belang: zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe
(3:303 BW). Rechtsvordering is geen vorderingsrecht! Rechtsvordering is middel om
vorderingsrecht aan oordeel rechter te onderwerpen. Rechtsvordering kan
tenietgaan door verjaring (3:306 – 325 BW). Vorderingsrecht (de verbintenis zelf)
niet.
d. Misbruik van (proces)recht: art. 3:13 jo. 3:15 BW
2. Rechtspersonen en vennootschapsvormen: mogen zelfstandig in rechte optreden. Let op bij
v.o.f. of maatschap geen rechtspersoon, moet via vennoten (art. 51 Rv)
a. Het domicilie van de rechtspersoon: Waar een rechtspersoon volgens wettelijk
voorschrift of volgens haar statuten of reglementen haar zetel heeft is
haar domicilie (1:10 lid 2 BW). Bij publiekrechtelijke rechtspersonen zal dit volgen
Belangrijke regelgeving bpr
- Materieelrechtelijke basis: titel 11 boek 3 BW en Art. 3:276 en 3:296 BW.
- Grond- en mensenrechten: 6 EVRM en GW
- Organisatie: Wet RO
- Wijze van procederen: Rv en procesreglementen
Doelstellingen van het burgerlijk procesrecht
1. Binnen het vermogensrecht heeft het procesrecht de taak om afspraken op een efficiënte,
effectieve en eerlijke wijze te laten verlopen. De door het materiële recht nagestreefde orde
moet door het burgerlijk procesrecht worden gehandhaafd.
2. Eigenrichting: Het bpr stelt middelen tot handhaving van de privaatrechtelijke rechtsorde
ter beschikking om zo ontoelaatbare vormen van eigenrichting tegen te gaan. In sommige
gevallen is eigenrichting gerechtvaardigd, bijv. het revindiceren van je fiets wanneer een
dief je fiets heeft gestolen. Er doet zich dan een rechtvaardigingsgrond voor waardoor het
ontbreken van overheidshulp gerechtvaardigd is.
Eigenlijke en oneigenlijke rechtspraak
- Eigenlijke of contentieuze rechtspraak: de taak van de burgerlijke rechter om over
vermogensrechtelijke geschillen te beslissen en/of afdwingende veroordelingen uit te
spreken.
- Oneigenlijke rechtspraak of voluntaire jurisdictie: bemoeienis van de rechter op het terrein
van het personen- en familierecht (vrijwillige rechtspraak).
Aan deze twee verschillende soorten rechtspraak zijn ook verschillende procedures verbonden:
de dagvaarding en de verzoekschriftprocedure. Hoofdregel: vermogensrechtelijke zaken worden
ingeleid met een dagvaarding en andere zaken met een verzoekschrift.
Beginselen van burgerlijk procesrecht (vanuit Europeesrechtelijke perspectief)
Beginselen van procesrecht zijn ontwikkeld als normen voor een behoorlijke procedure. Men spreekt
van fundamentele eisen wanneer afwijking van deze beginselen niet of alleen in bijzondere gevallen
is toegestaan. Ook zijn er fundamentele eisen voor een behoorlijk ingericht en goed functionerend
procesrecht. Veel functionele eisen hebben betrekking op de wijze waarop de rechter het proces
leidt en hij zijn beslissingen neemt.
1. Artikel 6 EVRM:
a. Staat aan welke eisen de rechter en de rechtsgang in burgerlijke, bestuurs- en
strafzaken moeten voldoen om niet te leiden tot strafsancties van het EHRM.
b. een primaire bron van processuele kwaliteitseisen in het Nederlands bpr.
c. Heeft interne werking in Nederland, waardoor het voorrang heeft op strijdige
nationale wetgeving wanneer dit zich voordoet (art. 92-95 Gw). Het
heeft geen horizontale werking, waardoor het niet rechtstreeks tegen een
wederpartij kan worden ingeroepen, maar alleen tegen de overheid.
2. Toegang tot de rechter: Dit is uit art. 6 EVRM afgeleid. Er moet een procedure openstaan
voor de rechtzoekende. Dit heeft geleid tot de eisen rechtsbescherming en rechtsgelijkheid.
Er moeten zo min mogelijk belemmeringen zijn om een procedure te kunnen voeren. Denk
aan het bieden van gefinancierde rechtshulp wanneer rechtsbijstand onmisbaar is. Wel
moet er bij dit beginsel terughoudendheid van misbruik van procesrecht worden
aangenomen.
3. De eerlijke behandeling: De fair trial die in 6 EVRM wordt genoemd, uit zich op verschillende
manieren. Een niet onafhankelijke of een partijdige rechter kan naast deze eis ook een
schending van ‘fair trial’ opleveren. Ten slotte is nog een ander beginsel dat hieruit
voortvloeit erg belangrijk: rechtszekerheid.
a. Hoor en wederhoor: is in veel algemene voorschrift uitgewerkt binnen ons
procesrecht. Er zijn regels opgesteld o.a. over het oproepen van de gedaagde door
middel van een exploot van dagvaarding.
b. Equality of arms: de gelijkheid van processuele middelen. Het gaat erom of de
processuele positie van de ene partij niet minder is dan die van de andere partij.
Denk bijv. aan het geval dat niet allebei de partijen de gelegenheid krijgen om zich
uit te laten over bepaalde stukken.
c. Motiveringsplicht: De rechter moet voor een eerlijke behandeling redenen geven
voor de beslissing die hij neemt, dit is vastgelegd in art. 121 Gw en 5 RO. Door
controle op de besluitvorming mogelijk te maken probeert deze eis
partijdigheid/willekeur tegen te gaan. De motivering moet inzicht geven in de
, gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt en heeft als doel controle en
aanvaardbaarheid voor de partijen te bevorderen.
4. De openbaarheid van de behandeling: Heeft als doel om door publieke controle de
procespartijen tegen oneigenlijke rechtsgangen te beschermen. Ook heeft het tot doel om
het vertrouwen in de rechtspleging te ondersteunen en om de doelstelling van artikel 6 te
verwezenlijken door de rechtsbedeling zichtbaar te maken. Deze eis is ook vastgelegd in
art. 121 Gw en er mag alleen bij uitzondering van afgeweken worden. De openbaarheid
wordt verwezenlijkt door openbare terechtzittingen.
5. Redelijke termijn: Nationale overheden zijn verplicht om het rechtssysteem in te richten op
een manier waarbij een definitieve beslissing over de vaststelling van de rechten en
plichten van burgers binnen een redelijke termijn kan worden gegeven en uitgevoerd.
6. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter: De rechterlijke macht behandelt en
beslist over burgerlijke zaken (art. 112 Gw). De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht
wordt gewaarborgd, vooral t.o.v. de uitvoerende macht, doordat:
Bij of krachtens de wet de samenstelling, inrichting en bevoegdheid van de rechtelijke
macht moet worden geregeld (art. 116 Gw);
De leden van de rechterlijke macht worden voor het leven aangesteld indien zij met
rechtspraak zijn belast. Zij kunnen enkel worden ontslagen of afgezet door een bij de
wet aangewezen en tot de rechterlijke macht behorend gerecht (art. 117 Gw).
Voor de onpartijdigheid moet voldaan worden aan subjectieve en objectieve onpartijdigheid.
- Objectieve onpartijdigheid ziet toe op daadwerkelijke onpartijdigheid.
- Subjectieve onpartijdigheid gaat om dat de indruk wordt voorkomen dat de rechter partijdig
zou zijn.
7. Algemene voorschriften voor procedures (art 19-35 Rv): in Wetboek van Rv is een afdeling
opgenomen met algemene voorschriften en procedures waarin bepalingen met een
algemeen principieel karakter zijn vastgelegd. Veel vereisten uit art. 6 EVRM zijn hierin
neergelegd evenals algemene voorschriften zoals de taken en bevoegdheden van rechters
en partijen.
a. Volledigheids- en waarheidsplicht: Om dit te volbrengen is er een voorschrift
opgenomen waarbij de partijen verplicht zijn de feiten volledig en naar waarheid
aan te voeren die voor de beslissing van belang zijn (art. 21 Rv).
Zeggenschap in de civiele procedure
Lijdelijkheid van de rechter is alleen noodzakelijk wanneer sprake is van privaatrechtelijk
zelfbeschikkingsrecht van partijen. De rechter is niet lijdelijk ten opzichte van het verloop en de
instructie van de zaak. Er is alleen sprake van partijautonomie als de bevoegdheden van de partijen
voor die van de rechter gaan. De lijdelijkheid kan worden beschreven aan de hand van regels van
processuele partijautonomie:
Partijen voeren het initiatief van een civiele procedure, niet de rechter.
De aard en de omvang van het geding worden bepaald door partijen.
Partijen moeten de feiten stellen en indien nodig bewijzen. De rechter mag over het
algemeen alleen bewijs opdragen die gaat over de betwiste feiten (artikel 149 Rv).
Als een partij bewijs aanbiedt door het leveren van getuigen over feiten die de wederpartij
betwist, dan moet de rechter dit bewijs toelaten als dit belangrijk is voor de beslissing van
de zaak (artikel 166 Rv).
Partijen mogen altijd het geding beëindigen. De rechter mag dit niet tegenhouden.
De dag van een uitspraak mag op verlangen van de partijen worden uitgesteld wanneer
een rechter al een dag bepaald had (artikel 229 Rv).
Partijen mogen overeenkomen dat hun rechtsverhouding anders is dan dat door de rechter
bij een vermogensrechtelijk geschil definitief was besloten.
De ambtshalve aanvulling van rechtsgronden (art. 24 Rv)
De rechter moet kijken welke rechtsregels van toepassing zijn op de vaststaande feiten en of deze
rechtsregels leiden tot een toe- of afwijzing van de vordering (art. 25 Rv). De rechter is niet
gebonden aan de rechtsregels die de partijen zelf inroepen; hij kan voor een andere rechtsregel
kiezen die in het geval gewenst zou zijn. Indien de partijen hier geen rekening mee hoorden te
houden, moet de rechter de partijen de gelegenheid bieden om zich te uiten over zijn voornemen
(hoor en wederhoor). Maar in beginsel is dit nooit nodig, aangezien de partijen ervan uit horen te
gaan dat de rechter de rechtsgronden ambtshalve aanvult. De rechter stelt vaak bij een
tussenvonnis aan de orde op welke rechtsregels een beroep kan worden gedaan en of deze
ambtshalve mogen worden toegepast. De rechtsregel moet voor de hand liggen om deze te mogen
toepassen en de partij kiest dus of zij de toepassing hiervan op prijs stelt. Echter, sommige regels
,is de rechter verplicht ambtshalve toe te passen, ook als de partijen de bedoeling hadden om ervan
af te wijken.
Verboden aanvulling van feiten/feitelijke grondslag
De rechter mag rechtsgronden aanvullen, maar mag nooit feiten of de feitelijke grondslag aanvullen
op grond van art. 149 lid 1 Rv. Een rechter mag volgens lid 2 wel algemene
ervaringsregels en feiten of omstandigheden van algemene bekendheid ambtshalve aan zijn
beslissing ten grondslag leggen. De rechter mag om stellingen te beoordelen binnen de grenzen
van de rechtsstrijd alle kennis gebruiken die hij heeft opgedaan, feiten en omstandigheden
gebruiken die uit het proces bleken en daar mag hij zijn eigen conclusies uit trekken. De rechter
mag geen feiten en omstandigheden afleiden uit wat in het geding is gebleken, die niet ten
grondslag zijn gelegd. De wederpartij krijgt dan ook niet de kans om zich te verdedigen; dit verwijst
weer naar de hoor en wederhoor.
Andere gevallen van eigen zeggenschap rechter
1. Eigen onderzoek rechter: Er moet worden gestreefd naar een beslissing over het geding die is
gebaseerd op de werkelijkheid. Daarom zijn er onderzoeksbevoegdheden voor de rechter:
1. Hij kan partijen bevelen stukken over te leggen of stellingen toe te lichten.
2. Sommige vormen van bewijslevering kan hij ambtshalve gelasten.
3. Hij heeft de leiding van het getuigenverhoor.
2. Zeggenschap over procestempo: aan een eis van goede rechtspraak moet voorrang gegeven
kunnen worden boven wat de partijen verlangen. Dit leidt er soms toe dat de rechter zich niet
aan procesafspraken van de partijen houdt.
3. Onderzoeksplicht bij verstek gedaagde: Als een gedaagde niet op de dagvaarding verschijnt
heeft de rechter een zelfstandige onderzoeksplicht. De rechter moet de vordering aan een
onderzoek onderwerpen om zo te voorkomen dat onzinnige vorderingen van een titel worden
voorzien. Wanneer een vordering op hem overkomt als ‘onrechtmatig of ongegrond’ mag hij de
vordering niet toewijzen (art. 139 Rv). Een vordering is ongegrond als de stelling uiterst
onwaarschijnlijk is. Een vordering is onrechtmatig indien deze niet rechtens voortvloeit.
Wanneer een van deze gevallen zich voordoet kan de rechter ambtshalve opdragen bewijs te
leveren. Denk hierbij aan de situatie waarbij het lijkt dat de eiser een onaannemelijk hoge
schadevergoeding vordert.
4. De dwangsom: Een rechter mag de hoogte van het bedrag zelf bepalen wanneer is gevorderd
om de hoofdveroordeling met een dwangsom te versterken.
Verplichte procesvertegenwoordiging
Houdt in dat mensen niet in eigen persoon mogen procederen, maar alleen via een advocaat (art.
79 lid 2 Rv). Het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging kent drie rechtvaardigingen:
Het materiële en formele recht zijn te ingewikkeld voor leken;
Partijen en de rechter komen het meest tot hun recht bij een geordend verloop van de
procedure dankzij een professionele procesvoering;
Door deskundige voorlichting aan de rechtzoekenden kunnen procedures beperkt of
voorkomen worden.
Er zijn ook uitzonderingen op de verplichte procesvertegenwoordiging:
1. Het geldt niet voor gedingen bij de kantonrechter (art. 79 lid 1 Rv).
2. In kort geding bij de voorzieningenrechter geldt het slechts in beperkte omvang: wel voor
de eiser, niet voor gedaagde (art. 255 Rv).
3. De procespartij mag ook zelf het pleidooi houden (maar niet in cassatie) (art. 134 lid 3 Rv).
Goede procesorde (art. 130 Rv)
Voor de procesrechtelijke relatie tussen partijen en de rechter gelden geschreven en ongeschreven
regels eisen van goede procesorde. Deze eisen zijn met name gebaseerd op redelijkheid en
billijkheid. Als iets tijdens het proces niet als redelijk of billijk ervaren wordt, kan de goede
procesorde ingeroepen worden.
Rechterlijke macht
Uit art. 112 Gw volgt dat de rechterlijke macht de geschillen van burgerlijk recht berecht. Wanneer
de eiser stelt dat hem een vorderingsrecht toekomt is er sprake van burgerlijk recht. Daarna
moeten we op zoek naar de bevoegde rechter. Er moet worden vastgesteld of de Nederlandse
rechter rechtsmacht heeft en of de rechter vanuit eigen bevoegdheden van wetgever en
, administratie de beslissing mag en kan nemen. Daarnaast moet worden bekeken of er een
bijzondere rechter bevoegd is waardoor de gewone rechter niet van de zaak mag kennisnemen.
Hierna moet de absolute en de relatieve competentie worden vastgesteld.
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter t.o.v. vreemde mogendheden:
Rechtsvorderingen tegen een vreemde staat kunnen door het volkenrecht beperkt zijn, zelfs
op Nederlands grondgebied. De uitzonderingen staan in art. 13a Wet algemene
bepalingen.
De rechterlijke bevoegdheid t.o.v. andere overheidsorganen: In artikel 6 EVRM kunnen we
de trias politica-leer terugvinden waarin de eis van de onafhankelijke rechter wordt gesteld.
Dit is voor de burger belangrijk voor de controlemogelijkheden van de rechter ten opzichte
van de wetgevende en bestuurlijke overheid.
De rechter en de wetgever
De wetgevende macht is de hoogste macht in de Staat. De rechter kan niet wetgevend optreden of
wetgeving buiten werking stellen. De rechter mag geen uitspraak doen in zaken welke aan zijn
beslissingen zijn onderworpen als algemene verordening, dispositie of reglement (art. 12 Wet
algemene bepalingen). De rechter kan zich zo geen bevoegdheden van de wetgever toekennen.
Wetten in formele zin kunnen niet door de rechter worden getoetst op procedurevoorschriften die
bij de totstandkoming in acht zijn genomen of op hun verenigbaarheid met de Grondwet (artikel
120 Gw), dankzij de suprematie van de wetgever. Avv kunnen worden getoetst aan hogere
regelingen en ongeschreven rechtsbeginselen over de bevoegdheid van overheidsorganen.
De rechter en het bestuur
Tegenwoordig kan de burgerlijke rechter van gedingen kennisnemen die door of tegen de
uitvoerende macht aanhangig worden gemaakt over overeenkomsten op grond van onrechtmatig
handelen, ongeacht of deze in het privaat- of publiekrecht haar grond vindt. Wanneer tegen de
vordering van een burger de administratieve rechtsgang openstaat of het besluit dat wordt
aangevallen formele rechtskracht heeft, mag de rechter hierover niet inhoudelijk oordelen. Als de
bestuursrechter genoeg rechtsbescherming biedt voor de aangelegenheid en de eiser maakt zijn
rechtsvordering bij de burgerlijke rechter aanhangig, dan mag deze niet van de zaak kennisnemen,
ook al is hij wel bevoegd hiertoe en moet hij de eiser niet-ontvankelijk verklaren. De burgerlijke
rechter moet dit vermelden in het vonnis (artikel 70 lid 1 Rv).
Betrokkenen bij het burgerlijk procesrecht
1. De procederende partijen: De dagvaardingsprocedure wordt gevoerd tussen 2 of meer
partijen. Alleen natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen als procespartijen optreden.
a. Als iemand handelingsonbekwaam is kan hij als natuurlijk persoon niet zelf
optreden als eiser of gedaagde. De ouderlijke macht zal optreden voor de
minderjarige en de curator voor iemand die onder curatele is gesteld. De ouder,
voogd, curator of bewindvoerder formele procespartij. Toch moet de materiële
procespartij ook worden genoemd in de dagvaarding. Er is een machtiging van de
kantonrechter vereist voor het optreden als wettelijk vertegenwoordiger. Let op!
Formele procespartij is niet de procesvertegenwoordiger.
b. De woonplaats van een natuurlijk persoon: De stad waarin hij woont, en wanneer
deze er niet is, de plaats van het werkelijk verblijf (art. 1:10 lid 1 BW). Met de
‘gewone verblijfplaats’ (als in 2 en 3 Rv) bedoelt men dat de verblijver buiten
Nederland geen woonstede heeft. Als een persoon een kantoor of filiaal heeft, geldt
dat ook als woonplaats voor zaken die dit kantoor of filiaal betreffen (art. 1:14 BW).
c. Voldoende belang: zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe
(3:303 BW). Rechtsvordering is geen vorderingsrecht! Rechtsvordering is middel om
vorderingsrecht aan oordeel rechter te onderwerpen. Rechtsvordering kan
tenietgaan door verjaring (3:306 – 325 BW). Vorderingsrecht (de verbintenis zelf)
niet.
d. Misbruik van (proces)recht: art. 3:13 jo. 3:15 BW
2. Rechtspersonen en vennootschapsvormen: mogen zelfstandig in rechte optreden. Let op bij
v.o.f. of maatschap geen rechtspersoon, moet via vennoten (art. 51 Rv)
a. Het domicilie van de rechtspersoon: Waar een rechtspersoon volgens wettelijk
voorschrift of volgens haar statuten of reglementen haar zetel heeft is
haar domicilie (1:10 lid 2 BW). Bij publiekrechtelijke rechtspersonen zal dit volgen