1. STEREOTYPEN VAN KWALITATIEF ONDERZOEK
Kwalitatief onderzoek is / betekent …
Subjectief: “The investigator makes up his procedure as he goes along” (Simon, 1969)
- Weerlegging: Hoewel kwalitatief onderzoek interpretatief van aard is, is het niet willekeurig.
Onderzoekers maken gebruik van specifieke kennis en vaardigheden, volgen correcte procedures en
passen reflexiviteit toe.
= onderzoekers zijn zich bewust van hun eigen vooroordelen en achtergrond, en vermelden expliciet hoe
deze de resultaten en interpretatie kunnen beïnvloeden. Door transparant te zijn over deze invloeden
wordt de betrouwbaarheid en integriteit van het onderzoek versterkt.
Soft: “synonym for free-form research” (Maoz, 2002) => “niet gebaseerd op systematische technieken”
- Weerlegging: Onderzoekers nemen gedetailleerde veldnotities en maken precieze transcripties om
geheugenfouten te voorkomen en subjectieve interpretaties te beperken. Methoden zoals Grounded
Theory hebben een vaste reeks procedures die gevolgd moeten worden: transparantie over de stappen,
interpretaties en criteria is essentieel om de kwaliteit van het onderzoek aan te tonen.
Bestudering van 1 specifieke situatie: “the case method” (Giddings, 1924)
- Weerlegging: Hoewel kwalitatieve onderzoekers vaak één case bestuderen, betekent dit niet dat ze
weinig data hebben. Ze verzamelen vaak evenveel of zelfs meer data dan kwantitatieve onderzoekers,
bijv. via uitgebreide interviews of observaties. Bovendien worden de bevindingen in context geplaatst en
vergeleken met andere studies, waardoor de resultaten rijk, specifiek en analytisch waardevol zijn.
Geen cijfers: “a research strategy that usually emphasizes words rather than quantification” (Bryman, 2016)
- Weerlegging: Om overzicht te houden en analyses te structureren, worden data gecodeerd en soms
geteld. Het gebruik van cijfers dient vooral om orde en systematiek aan te brengen, zonder dat het de
kwalitatieve aard van het onderzoek verandert.
2. WAT IS KWALITATIEF ONDERZOEK DAN WEL?
Het onderscheid tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek wordt vaak te simplistisch voorgesteld: kwantitatief =
cijfers, kwalitatief = al de rest.
Een beter onderscheid is dat tussen:
Positivisme: de werkelijkheid wordt gezien als objectief meetbaar en onafhankelijk van de onderzoeker.
Interpretivisme: de werkelijkheid wordt gezien als sociaal geconstrueerd, de nadruk ligt op het begrijpen van
betekenissen en perspectieven van mensen.
Academici verschillen van mening over hoe theorieën en concepten gebruikt moeten worden, welke methodologieën
geschikt zijn, hoe sterk empirisch bewijs is en welke conclusies met kan trekken.
Deze meningsverschillen zijn het gevolg van fundamentele verschillen in ontologie en epistemologie:
Ontologie gaat over de aard van de werkelijkheid. => wat bestaat er en hoe ziet dat eruit?
Epistemologie gaat over kennis. => wat kunnen we weten en hoe kunnen we dat weten?
Methodologie vloeit voort uit deze aannames en bepaalt hoe onderzoek wordt uitgevoerd.
,Ontologie => wat is de werkelijkheid?
Een positivist zegt: “De sociale werkelijkheid is objectief, net zoals de natuur. Ze bestaat onafhankelijk van
ons.”
Een interpretivist zegt: “De sociale werkelijkheid wordt gemaakt door mensen en hun betekenissen. Ze
bestaat dus niet los van ons.”
Epistemologie => hoe kunnen we kennis krijgen over die werkelijkheid?
Een positivist zegt: “We kunnen kennis krijgen door meten, tellen, observeren. Als we het juist doen, vinden
we objectieve waarheid.”
Een interpretivist zegt: “We begrijpen de werkelijkheid door in de huid van mensen te kruipen, hun
betekenissen te interpreteren en verhalen te analyseren.”
Directional Dependence Model (Hay 2002)
Kort gezegd: Ontologie → Epistemologie → Methodologie
Ze moeten in lijn liggen met elkaar.
Er bestaan geen “goede” of “slechte” posities, maar wel
inconsistente keuzes wanneer de ontologische,
epistemologische en methodologische aannames niet op
elkaar aansluiten.
Positivisme Interpretivisme
Objectivisme: er bestaat een objectieve realiteit, Subjectivisme: de werkelijkheid wordt gezien als sociaal
onafhankelijk van de onderzoeker. geconstrueerd, ieders realiteit kan verschillen.
=> een subjectieve interpretatie.
Verklaren: doel is om wetmatigheden te ontdekken en Begrijpen: doel is om te begrijpen hoe individuen hun
te verklaren waarom de realiteit is zoals ze is. realiteit vormgeven.
=> “hoe ervaar jij de realiteit?”
Deductief: gevolgtrekking van het algemene naar het Inductief: op basis van het specifieke trekken ze
specifieke. algemene conclusies.
Kwantitatief (reductie): complexe fenomenen Kwalitatief (complexiteit): ze omarmen de complexiteit
reduceren tot meetbare variabelen. en willen deze zo goed mogelijk begrijpen.
Repliceerbaar: andere onderzoeker moet hetzelfde Geloofwaardig: interpretatie van onderzoeker moet
resultaat kunnen bekomen. aansluiten bij de ervaringen van deelnemers.
Generaliseerbaar: bevindingen uit een steekproef Overdraagbaar: bevindingen van een case die ze al
kunnen gelden voor een bredere populatie. onderzocht hebben zijn overdraagbaar naar een nieuwe
case.
Naast het positivisme en interpretivisme zijn er 3 grote tussenstromingen:
Postpositivisme gaat ervan uit dat er een objectieve realiteit bestaat, maar dat we die nooit volledig kunnen
kennen. Onze kennis is altijd beperkt en gedeeltelijk subjectief, al proberen we met systematische methoden
de werkelijkheid zo goed mogelijk te benaderen.
, Critical theory stelt dat de realiteit zowel bestaat als maatschappelijk geconstrueerd is. Gewoontes,
instellingen en structuren (bijv. de staat, genderpatronen, …) worden door de samenleving gevormd maar
ervaren we vaak als objectief. Deze theorie richt zich daarnaast sterk op machtsverhoudingen en sociale
ongelijkheden.
Constructivisme stelt dat de werkelijkheid zelf actief wordt geconstrueerd door sociale interacties en
ervaringen. Kennis is dus niet alleen iets wat je ontdekt, maar iets wat gezamenlijk wordt gevormd.
Interpretivisme kijkt naar hoe mensen de werkelijkheid ervaren, constructivisme bekijkt hoe mensen de
werkelijkheid samen creëren.
2.1.Grounded Theory
= het ontwikkelen van een theorie obv data in de praktijk, dus niet gebaseerd op bestaande theorieën / vooraf
opgestelde hypothesen.
Werkwijze:
Wederkerige relatie tussen data, theorie en onderzoeker: data beïnvloedt theorie, theorie beïnvloedt hoe je
data interpreteert.
Niet gericht op het testen van abstracte hypothesen, maar wel gestructureerd en systematisch (bijv. gebruik
van codeerschema’s, interviewprotocollen, …)
Data verzamelen data analyseren patronen en concepten zien theorie bouwen
Proces: vanuit verzamelde data een theorie opbouwen ipv een theorie te verifiëren.
Paradigma: binnen het postpositivisme, omdat het probeert systematisch kennis te genereren, maar erkent dat
kennis deels subjectief en contextgebonden is.
Populair binnen kwalitatief onderzoek.
2.2.Kwalitatief onderzoek is …
Kwalitatief onderzoek gaat uit van de complexiteit van de realiteit, die ze op een flexibele en holistische manier wil
begrijpen in haar natuurlijke context.
Complexiteit: de werkelijkheid heeft veel samenhangende lagen.
Flexibel: de onderzoeksmethode past zich aan aan wat zich voordoet.
Holistisch: kijkt naar het geheel van een fenomeen, niet alleen losse onderdelen.
Begrijpen: inzicht krijgen in de ervaringen en betekenissen van mensen.
Natuurlijke context: onderzoek gebeurt in de echte omgeving van de deelnemers.
Waarom kwalitatief onderzoek?
Goed voor theorievorming:
- Helpt bij het identificeren van nieuwe variabelen en hypothesen.
- Maakt het mogelijk om bestaande hypothesen aan te scherpen of te verfijnen.
Goed om complexiteit in kaart te brengen:
- Ideaal voor situaties met veel variabelen, maar weinig onderzochte gevallen.
- Laat onderzoekers verschillende soorten complexe causale verbanden verkennen.
Geschikt voor situaties waarin generaliseren lastig is:
- Richt zich op diepte en context, ipv breedte en vereenvoudiging (=reductie)