Fase 0 – Inleiding....................................................................................................................................2
Fase 1 - What?........................................................................................................................................3
Kernboodschap 1................................................................................................................................3
Kernboodschap 2................................................................................................................................4
Kernboodschap 3................................................................................................................................4
Kernboodschap 4................................................................................................................................4
Fase 2 – So what?...................................................................................................................................5
Onderzoeksvraag en onderzoek kernboodschap 1:............................................................................5
Onderzoeksvraag en onderzoek kernboodschap 2:............................................................................6
Onderzoeksvraag en onderzoek kernboodschap 3:............................................................................6
Onderzoeksvraag en onderzoek kernboodschap 4:............................................................................7
Inbreng praktijkprofessional...............................................................................................................7
Inbreng ouders...................................................................................................................................7
Fase 3 – Now what?................................................................................................................................9
Reflectie op feedback...........................................................................................................................11
Bronnenlijst..........................................................................................................................................11
Bijlage 1- Vragen en volledig interview zorgprofessional......................................................................12
Bijlage 2- Vragen en volledig interview ouders.....................................................................................13
, Fase 0 – Inleiding
Verlatingsangst is een veelvoorkomend en normaal verschijnsel in de ontwikkeling bij kinderen.
Tussen de leeftijd van zes maanden en drie jaar wordt het kind bewust van het vertrekken van
vertrouwde mensen uit zijn of haar omgeving (Nederlands Jeugdinstituut, z.d.). Het kind is bang dat
zijn of haar ouders niet meer terug komen. Deze angst wordt verlatingsangst genoemd.
Verlatingsangst kan zich uiten als huilen, vastklampen aan de ouder, protesteren bij het afscheid
nemen en onrustig gedrag in een nieuwe of onbekende omgeving (Jeugd en gezin Utrecht, z.d.).
De oorzaken van verlatingsangst verschillen per peuter. Verlatingsangst komt in verschillende situaties
naar voren. Sommige peuters worden bijvoorbeeld huilend wakker in de nacht. Dit kan komen door
een combinatie van angst voor het donker en het niet bij de ouders zijn (Groeigids, z.d.). Overdag
kunnen peuters zich verloren of onbegrepen voelen wanneer ze gescheiden zijn van hun vertrouwde
personen. Daarnaast hebben sommige peuters hebben in het algemeen meer moeite met het loslaten
van een vertrouwede omgeving. Daarnaast kunnen vervelende gebeurtenissen zorgen voor
verlatingsangst. Hierbij kun je denken aan een verhuizing, een scheiding van de ouders of het
overlijden van een naaste (Caroline Walenkamp, 2025).
Ouders ervaren het als lastig om om te gaan met de verlatingsangst van hun peuter. Het vraagt
structuur, duidelijkheid en geduld. Het gebruiken van vaste rituelen en gewoonten kunnen de peuters
helpen om vertrouwen te krijgen. Peuters vinden het namelijk prettig om te weten wat er gaat
gebeuren. Hierdoor krijgen ze grip op hun omgeving en ervaren ze meer rust (Jeugd en gezin Utrecht,
2