Uitgeschreven leeruitkomsten met aantekeningen van de bok lessen. Het
is best uitgebreid, maar dit is alle stof die ik heb verzameld tijdens die
periode. Als er staat “alleen les” dan zijn het alleen aantekeningen van de
les.
Les 1.1 (leeruitkomsten + les)
De student kan diverse visies op gezondheid benoemen
en kan uitleggen wat gezondheidspsychologie inhoudt.
gezondheidspsychologie = interdisciplinair veld met als doel de
toepassing van psychologische kennis en technieken op de gezondheid,
ziekte en gezondheidszorg.
- doel: gezondheid bevorderen, ziektes voorkomen en psychologische
factoren die een rol spelen bij het ontstaan van een ziekte en
genezing begrijpen
Biomedisch ziektemodel (Descartes) = richt zich voornamelijk op
biologische en fysiologische aspecten van ziekte. Het legt de nadruk op
het identificeren en behandelen van specifieke pathologische processen in
het lichaam. Bij dit model wordt ziekte beschouwd als een afwijking van de
normale biologische functies of structuren. Als je lichamelijk gezond bent,
dan ben je gezond. Waar zit het stofje dat mist, dan gaan we iets
ontwikkelen om dat stofje toe te voegen aan het lichaam.
- voordelen: concreet, makkelijker te onderzoeken
Biopsychosociaal ziektemodel (George Engel) = erkent de invloed
van biologische, psychologische en sociale factoren op gezondheid en
ziekte. Het benadrukt het belang van het begrijpen van ziekte als een
complex fenomeen dat niet alleen wordt bepaald door biologische
processen, maar ook door psychologische en sociale omstandigheden.
Meer holistisch, je moet kijken naar de staat van of iemand dingen kan
- voordelen: richt zich op meerdere aspecten
- hollistische benadering = men kijkt niet alleen naar het zuiver
lichamelijke of waarneembare, maar naar het hele wezen.
Mensen hanteren verschillende definities van gezondheid Blaxter
(1990):
- gezondheid als niet ziek (ik heb nergens last van mijn lichaam, ik
heb geen klachten, ik ben niet verkouden en goede
immuunsysteem)
- gezondheid als bezit (het is iets wat je hebt (bijv van nature goede
weerstand, geen ziektes etc), dus waarvoor je zelf voor moet zorgen
en je erop moet letten of je het kan behouden, individuele
verantwoordelijkheid)
- gezondheid als gedrag (gezond doen; veel sporten, fitness, gezond
eten, trap pakken ipv de lift, als je stopt met roken en drinken etc)
, o verschil bezit en gedrag → bij bezit moet je goed voor jezelf
zorgen en de positieve dingen blijven bezitten, en bij gedrag
kan het zijn dat je een lichamelijke beperking hebt (dus je past
niet meer binnen bezit), maar ondanks je lichamelijke
beperking kan je gezond doen.
- gezondheid als: lichamelijke fitheid (mensen die zeggen dat als je
zonder moeite een marathon kan lopen, gewichten zonder moeite
optillen)
- gezondheid als functie (dat je gezondheid je niet in de weg staat om
je dagelijks functioneren te doen, bijv naar school kunnen lopen,
kunnen werken, zelfstandig naar de wc of kleren aantrekken, dan
ben je gezond)
- gezondheid als psychosociaal welzijn (als je mentaal en emotioneel
stabiel bent, dus je hebt ondersteunende familie, je voelt je
verbonden met anderen, je kan goed omgaan met stress)
De zes dimensies van positieve gezondheid volgens Huber
(spinnenweb model):
- (aandacht geven aan dingen waar je hoog in scoort, goed in bent, in
staat bent om te doen)
- lichaamsfuncties: vermogen vanuit lichaam om fysieke activiteiten
uit te voeren zonder overmatige vermoeidheid, bijv. goede
uithoudingsvermogen (lange afstanden lopen, trappenlopen).
- mentaal welbevinden: vermogen om met stress om te gaan, flexibel
te zijn, gevoel van controle over eigen leven.
- zingeving: betekenis en doel in het leven, iemand die zich betrokken
en verbonden voelt bij activiteiten die bij hem aansluiten.
- kwaliteit van leven: de ervaren levenskwaliteit, bijv iemand die hoge
levenskwaliteit heeft en tevreden is met verschillende aspecten van
het leven (relaties, werk, hobby’s).
- meedoen: vermogen om deel te nemen aan sociale activiteiten,
relaties onderbouwen, voelt zich betrokken bij sociale initiatieven.
- dagelijks functioneren: vermogen om dagelijkse activiteiten te
kunnen uitvoeren, zoals zichzelf wassen, boodschappen doen, veters
strikken, lopen.
Definitie gezondheid volgens WHO = gezondheid is een toestand
van volledig fysiek, geestelijk en sociaal welbevinden en niet louter het
ontbreken van ziekten en gebreken.
- hier is kritiek op gekomen, omdat bijna niemand aan volledige
gezondheid kan voldoen.
Les 1.2 (leeruitkomsten + les)
De student kan verschillende niveaus van
gezondheidsvaardigheden ontdekken aan de hand van
een casus.
Gezondheidsvaardigheden (Matarazzo) = specifieke
onderwijskundige, wetenschappelijke en professionele bijdragen van het
vakgebied psychologie die zich over de bevordering en het behoud van
,gezondheid, de voorlichting over en de behandeling van ziekten en de
daaraan gerelateerde disfunctie buigen.
persoonlijke gezondheidsvaardigheden = vaardigheden van mensen
om informatie over gezondheid te verkrijgen, te begrijpen, te beoordelen
en te gebruiken bij het nemen van gezondheid gerelateerde beslissingen.
- Functioneel → lezen, schrijven, rekenen, zoeken op internet
- Interactief of communicatief → begrijpend lezen, abstract
denken, hoofd- van bijzaken onderscheiden, reflecteren, vragen
durven en kunnen stellen → actief informatie verwisselen.
- Kritisch → toepassen van informatie (de aanwijzing aannemen en
toepassen in je dagelijkse leven), ordenen, vooruitdenken,
prioriteiten stellen.
De student kan benoemen wat van invloed is op
therapietrouw.
Therapietrouw = de mate waarin het gedrag van de patiënt
overeenkomt met de afgesproken aanbevelingen van een hulpverlener.
Handelingen vanaf het verkrijgen van een recept, het afhalen van de
geneesmiddelen tot het innemen ervan op de juiste wijze. Het omvat ook
alle zelfstandig uitgevoerde therapeutische gedragingen zoals revalidatie-
oefeningen in overeenstemming met medische adviezen. Hoe trouw ben je
aan het opvolgen van medisch advies/therapie.
- Compliantie = de mate waarin de patiënt de aanbevelingen van de
voorschrijver opvolgt.
o de arts zegt van “oh je hebt dit probleem, dus je gaat dit
doen”. Maar misschien denk je van “nee ga ik niet doen, want
iemand kreeg hier een uitslag van” of je kan het niet betalen.
- Adherentie = in hoeverre de patiënt afspraken nakomt
- Concordantie = in hoeverre patiënt en behandelaar het eens zijn
over de behandeling
o de arts zegt van “je ebt dit probleem, ik heb deze oplossingen,
welke passen het beste bij jou, lukt het om dit te doen?”
Factoren die van invloed zijn op therapietrouw
- patientgerelateerde factoren: geloofsovertuigingen (medicatie
waarin bepaalde stoffen zitten die niet in de geloof mogen), slechte
ervaring met de advies (de arts ging zo met mij om, dat ik geen
andere arts meer geloof), overtuigingen van anderen (ouders die
zeggen dat iets niet mag of dat niet geaccepteerd wordt), leeftijd
(oudere mensen die eigenwijs zijn en meer uit eigen ervaringen
handelen en niet naar jongere mensen willen luisteren, jongere
mensen die niet op lange termijn denken en wel de advies gaan
opvolgen of niet), kennis (mensen die denken dat iets alleen werkt
bij specifieke omstandigheden en niet voor andere dingen). Dit
werkt goed met concordantie
- aandoening gerelateerde factoren: type van het symptoom (je
gaat adviezen niet snel opvolgen als je klachten (aan en afwezigheid
, van pijn) minder zijn en als je even pijn hebt dan ga je geen week
lang heftige antibiotica nemen. Comorbiditeit: meerdere klachten
tegelijkertijd), prognose (hoe ze ziekte voorloopt, als je prognose
beter is, dan ga je minder doen)
- behandeling gerelateerde factoren: als je bepaalde
behandelingen volgt, kan je anderen niet doen. Je kan ook sneller
een behandeling volgen als het korter en makkelijker is. Het aantal,
type, frequentie, duur van doseren, aanwezigheid en ernstigheid van
bijwerkingen van de behandeling
- sociaaleconomische factor: niet genoeg geld (medicatie te duur),
lage opleidingsniveau (mensen met lage opleidingsniveau kunnen
minder kennis hebben, ze weten de ernstigheid niet), toegang tot
apotheek (mensen die wonen in wijken waar minder apotheken zijn)
- systeem gerelateerde factoren: communicatie met de arts wat
betreft advies (is de arts gericht meer op concordantie of
compliantie, heeft de arts meer tijd en mogelijkheden om jou te
helpen en ga je het advies dan sneller helpen), zijn er wachtrijen (als
er lange wachtrijen zijn dan kan je minder snel andere adviezen
opvolgen). Als de arts iets niet goed overbrengt.
gezondheidsverschillen verklaren met verschillende SES:
- werksituatie: bijv mensen die op de landbouw werken hebben
meerdere gezondheidsrisico’s dan mensen op kantoor
- bestaanszekerheid: mensen die minder geld hebben gaan
goedkopere en ongezondere boodschappen doen, geld uitgeven aan
andere dingen dan zorg of hun gezondheid, stress over geldzaken en
financiële onzekerheid. In welke mate kan je een bestaan hebben
met een buffer voor onverwachte uitgaves, kan je je baan behouden,
kan je je huis behouden.
- leefomstandigheden: onveilige wijken VS veilige wijken, hobby’s,
soort buren, stress over onveiligheid,
- sociaal netwerk, kennis en vaardigheden: goede netwerk
hebben, mensen die je kunnen helpen
- goede betaalbare en begrijpelijke zorg: hoe is de zorg
toegankelijk, kan je het betalen, geld uitgeven aan de zorg of aan de
dingen dei je meteen nodig hebt, niet durven naar de huisarts omdat
je het niet kan betalen, de taal niet begrijpen of wel begrijpen.
Les 2.1 (leeruitkomsten + les)
De student kan uitleggen wat gezondheidsbevorderend
gedrag en ongezond gedrag is en kan benoemen welke
factoren hierop van invloed zijn
Gedragsmatige pathogenen = gedrag dat de gezondheid
tegenwerkt/verslechterd, bijv roken, veel suiker etc
Gedragsmatige immunogenen = gedrag dat je gezondheid bevordert,
bijv bewegen, 9 uur slapen etc