Samenvatting Celbiologie hoofdstuk 1: biomembranen
Biomembraan: maken een onderscheid tussen binnen en buiten, centraal een
fosfolipidenlaag belangrijke processen ter hoogte van de membranen
Eukaryoten: hebben binnen de cel meerdere biomembranen die zorgen voor
compartimentalisatie en DNA strengen zijn omgeven door een celmembraan
(kern) ( prokaryoten (geen kern))
Rol plasmamembraan: Vorm van de cel en controleert de verplaatsing
van moleculen tussen cytoplasma en extracellulaire ruimte ( intern is er 10x
zoveel membraan als het plasmamembraan)
Grootste deel van het membraan om en in de cel: is het cytoskelet. (94000 m²)
Verschillende soorten van organellen en kleinere vesikels zijn omgeven door hun
eigen
kenmerkende membranen.
Voeren functies uit als: gen expressie, productie energie,...
Onderverdeling van een dierlijke cel
Cytoplasma: alles binnen de plasmamembraan, behalve de nucleus.
Omvat de organellen.
Cytosol: het waterige gedeelte van het cytoplasma buiten de organellen.
Lumen: waterige gedeelte binnen organellen. De vloeistof in het organellen.
Biomembraan is onregelmatig met dieptes en hoogtes, niet vlak
, Atomic Force Microscopy: er gaat een naaldje over een membraanstructuur
terwijl er een laser wordt weerkaatst naar een sensor die de op en neer
gaande beweging van de laser opvangt en zo een 3D beeld kan maken van
de structuur van een membraan ( hoe lichter hoe hoger het membraan
uitsteekt, hoe donkerder hoe dieper)
Werking van een elektronenmicroscoop
Er wordt een beelden gevormd door elektronen door een
preparaat te sturen, elektronen die de cel raken lichten niet
(een dikker gedeelte).
De rest van de elektronen schieten door en komt terecht op
een fluorescente scherm.
Deze elektronen lichten op en kun je de cel zien. Het komt
terecht op de detector. Hierdoor kan men zware en lichte
gebieden in kaart brengen.
Vorm membraan: spoorlijn, door amfipatische eigenschap.
Buitenkant en binnenkant: kopjes, hydrofiele
Het midden: staartjes, lipofiele staart
Amfipatische eigenschap: molecule dat twee kanten heeft met verschillende
eigenschappen (hydrofiel vs hydrofoob)
Celmembraan zit in een waterachtige structuur en de staartjes (hydrofoob,
apolair) houden daar niet van dus zullen naar elkaar toekomen (binnenkant).
De kopjes houden van water (hydrofiel, polair) dus zitten aan de buitenkant.
Hierdoor ontstaat een dubbele fosfolipidenlaag.
, Dikte membraan: 3-4*10^-9
Micellen: enkele laag, enkel de hoofdjes zitten
langs de buitenkant.
Liposomen: dubbele laag. Is beter want anders is
het hydrofoob gedeelte te dik.
Er is veel variabiliteit van biomembraan (RBC vs
haarcellen)
Myelineschede: meerdere fosfolipide dubbellagen die
rond
een axon zijn gewikkeld.
Twee zijden van fosfolipide laag
Exoplasmatische zijde: kant die naar buiten wijst (buitenkant van de cel)
Cytolosolische zijde: wijst naar cytosol (binnenkant van de cel)
Membranen kunnen met elkaar versmelten of uit membraan kunnen nieuwe
membranen ontstaan. De zijden blijven ALTIJD hetzelfde. (exo blijft exo en
cytosolisch blijft cytosolisch)
1. Lipiden
Drie soorten:
1. Fosfoglyceriden en plasmalogenen
2. Sfingolipiden
Biomembraan: maken een onderscheid tussen binnen en buiten, centraal een
fosfolipidenlaag belangrijke processen ter hoogte van de membranen
Eukaryoten: hebben binnen de cel meerdere biomembranen die zorgen voor
compartimentalisatie en DNA strengen zijn omgeven door een celmembraan
(kern) ( prokaryoten (geen kern))
Rol plasmamembraan: Vorm van de cel en controleert de verplaatsing
van moleculen tussen cytoplasma en extracellulaire ruimte ( intern is er 10x
zoveel membraan als het plasmamembraan)
Grootste deel van het membraan om en in de cel: is het cytoskelet. (94000 m²)
Verschillende soorten van organellen en kleinere vesikels zijn omgeven door hun
eigen
kenmerkende membranen.
Voeren functies uit als: gen expressie, productie energie,...
Onderverdeling van een dierlijke cel
Cytoplasma: alles binnen de plasmamembraan, behalve de nucleus.
Omvat de organellen.
Cytosol: het waterige gedeelte van het cytoplasma buiten de organellen.
Lumen: waterige gedeelte binnen organellen. De vloeistof in het organellen.
Biomembraan is onregelmatig met dieptes en hoogtes, niet vlak
, Atomic Force Microscopy: er gaat een naaldje over een membraanstructuur
terwijl er een laser wordt weerkaatst naar een sensor die de op en neer
gaande beweging van de laser opvangt en zo een 3D beeld kan maken van
de structuur van een membraan ( hoe lichter hoe hoger het membraan
uitsteekt, hoe donkerder hoe dieper)
Werking van een elektronenmicroscoop
Er wordt een beelden gevormd door elektronen door een
preparaat te sturen, elektronen die de cel raken lichten niet
(een dikker gedeelte).
De rest van de elektronen schieten door en komt terecht op
een fluorescente scherm.
Deze elektronen lichten op en kun je de cel zien. Het komt
terecht op de detector. Hierdoor kan men zware en lichte
gebieden in kaart brengen.
Vorm membraan: spoorlijn, door amfipatische eigenschap.
Buitenkant en binnenkant: kopjes, hydrofiele
Het midden: staartjes, lipofiele staart
Amfipatische eigenschap: molecule dat twee kanten heeft met verschillende
eigenschappen (hydrofiel vs hydrofoob)
Celmembraan zit in een waterachtige structuur en de staartjes (hydrofoob,
apolair) houden daar niet van dus zullen naar elkaar toekomen (binnenkant).
De kopjes houden van water (hydrofiel, polair) dus zitten aan de buitenkant.
Hierdoor ontstaat een dubbele fosfolipidenlaag.
, Dikte membraan: 3-4*10^-9
Micellen: enkele laag, enkel de hoofdjes zitten
langs de buitenkant.
Liposomen: dubbele laag. Is beter want anders is
het hydrofoob gedeelte te dik.
Er is veel variabiliteit van biomembraan (RBC vs
haarcellen)
Myelineschede: meerdere fosfolipide dubbellagen die
rond
een axon zijn gewikkeld.
Twee zijden van fosfolipide laag
Exoplasmatische zijde: kant die naar buiten wijst (buitenkant van de cel)
Cytolosolische zijde: wijst naar cytosol (binnenkant van de cel)
Membranen kunnen met elkaar versmelten of uit membraan kunnen nieuwe
membranen ontstaan. De zijden blijven ALTIJD hetzelfde. (exo blijft exo en
cytosolisch blijft cytosolisch)
1. Lipiden
Drie soorten:
1. Fosfoglyceriden en plasmalogenen
2. Sfingolipiden