Chemische communicatie tussen cellen
Endocrien: Hormonen worden door klieren
vrijgezet in de bloedbaan waardoor ze verspreid
worden doorheen heel het lichaam
Lokaal paracrien (diffusie): niet via bloedbaan.
Eén cel zet een stof vrij en deze gaat gediffundeerd
worden naar een andere naburige cel
Lokaal: Dit gebeurt enkel als eiwitten dicht bij
elkaar zitten (Als de plasmamembranen super dicht
bij elkaar zitten) via membraangebonden
proteïnen
Klieren gebruiken hormonen om het lichaam te
sturen
Klieren: zijn bepaalde organen die hormonen vrijzetten in de bloedbaan
Vrijzetting kan via diffusie (bv: steroïden) of exocytose (bv:
adrenaline)
Het hangt af van de stof (Permeabel door membraan of niet) of het kan
transporteren met exocytose of diffuse
Transport in bloed gebeurt vrij (adrenaline) of gebonden aan een carrier
(steroïden)
Bij snelle effecten
Door de binding gaan bepaalde eiwitten
hun functie gaan verandering
Voorbeeld: Ionenkanaal
Bij trage proces:
Het binden van chemische stof op een
receptor gaat een effect hebben op de
genexpressie
Dit heeft een effect op eiwitten (Meer of
minder aangemaakt)
Dit duurt lang doordat RNA en eiwitten
eerst aangemaakt moeten worden
Steroïde-hormonen werken in op intracellulaire receptoren ze zijn membraan
permeabel dus gaan door het membraan door en gaan dan ergens aan een
cytosolische receptor binden
Receptoren in de plasmamembraan
,GPCR (G Protein-coupled receptoren): is de belangrijkste groep van
receptoren
Daarnaast zijn er ook andere soorten receptoren: Ligand-Gestuurde ionenkanalen
Metabotrope receptoren: Gaan liganden kunnen binden maar dit is GEEN
ionenkanaal
Dit werkt via intracellulaire signaaltransductie
Voorbeelden van Metabotrope receptoren: Metabotrope receptoren voor
Glutamaat, GABA,....
Muscuarine-acetylcholine receptor = Metabotrope acetylcholine
receptor
Ionentrope receptor: is een Ligand-gestuurde ionenkanaal
Voorbeelden van Ionotrope receptoren: Ionotrope receptoren voor
Glutamaat, GABA,...
Nicotine-acetylcholine receptor = Ionotrope acetylcholine receptor
Eenzelfde Neurotransmitter, Hormoon, Boodschapper kan aan meerdere
receptoren binden
Dit heeft dan een ander effect
Ligand-Receptor binding
Het ligand gaat met een hoge specificiteit binden aan de receptor
De binding hangt dus af van welbepaalde residu’s in zowel receptor als
ligand
Hoe lager de Kd, Hoe hoger de affiniteit van de receptor is voor een
ligand
, Hoe meer ligand, Hoe meer binding
Een receptor met een hele lage Kd is zeer gevoelig (Hoge affiniteit)
Belangrijke Second Messengers
Gaat voor processen zorgen
Voorbeelden:
cAMP
cGMP
DAG
IP3
Ander voorbeeld: Fosforylatie
Kinasen zijn enzymen dat fosfaat op bepaalde OH groep gaat plaatsen
Fosfatase zijn enzymen dat fosfaat op bepaalde OH groep eraf gaat halen
, Ander voorbeeld: Het ion Calcium
Calcium concentratie moet laag blijven in de cel
Dit gebeurt door SERCA pompen
Snelle stijging van Calcium concentratie zorgt voor de vrijzetting van een
Neurotransmitter
G-Proteïnen: Moleculaire Schakelaar
= Guanine nucleotide
Bij aan vorm: is er GTP gebonden (actieve vorm)
Bij uit vorm: is er GDP gebonden (inactieve vorm)
Van inactief naar actief: GDP moet loslaten en GTP moet binden versnelt door
een soort proteïne = GEF (guanine nucleotide exchange factor)
Van actief naar inactief: GTP moet loslaten en GDP moet binden elke GTP heeft
GTPase activiteit schakelt GTP uit door de laatste fosfaat af te splitsen GDP
blijft over (gestimuleerd door gap eiwitten (= GTPase accelerating protein))
G-proteïne gekoppelde receptoren of GPCR’S
De hoofdrolspelers:
Een ligand: kan een hormoon, Neurotransmitter, Molecule zijn
De G-Proteïne is een trimeer: Het bestaat uit 3 subeenheden (Alpha,
Beta, Gamma)
Beta en Gamma hangen samen in het kleine stuk, Alpha subeenheid is het
grote deel In dit geval is het een Trimeer G-proteïne