Volledige samenvatting colleges publiekrecht
I. Staatsrecht (Constitutional Law)
Het staatsrecht richt zich op de organisatie van de staat, de bevoegdheden van
overheidsorganen en de verticale verhouding tussen overheid en burger [1, 2, 19b].
Het behoort tot het publiekrecht, naast bestuursrecht, strafrecht en
internationaal/Europees recht.
Kenmerken van de Staat en Machtenspreiding
Een staat wordt historisch gekenmerkt door de aanwezigheid van een
volksgemeenschap (natie), een afgegrensd grondgebied en één orgaan dat de
hoogste macht (gezag) heeft en uitoefent [2, 4, 5, 19i, 19ii, 20iii]. Dit staatsapparaat
bezit soevereiniteit (hoogste en machtigste organisatie naar binnen en naar buiten).
Om misbruik van staatsmacht te voorkomen, is de macht horizontaal gespreid volgens
de theorie van de Trias Politica:
1. De Wetgevende Macht: Hoofdverantwoordelijk voor het maken van wetten. In
Nederland wordt wetgeving in formele zin vastgesteld door de regering en de
Staten-Generaal gezamenlijk (Art. 81 Gw) [3, 7, 8, 21i].
2. De Uitvoerende/Bestuurlijke Macht: Verantwoordelijk voor het uitvoeren van
wetten en het bestuur, voornamelijk door de regering [4, 7, 8, 21ii, 18].
3. De Rechterlijke Macht: Verantwoordelijk voor de rechtspraak en heeft een
expliciet zelfstandige en onafhankelijke positie (Art. 117 Gw).
Hoewel er spreiding is, is de scheiding niet absoluut; er bestaan Checks & Balances en
gedeelde bevoegdheden.
Kernbeginselen en Regelgeving
• Legaliteitsbeginsel: Elk overheidsoptreden binnen de staat moet berusten op
een wettelijke grondslag.
• Grondrechten: Hebben traditioneel een verticale werking (overheid - burger),
maar de rechter aanvaardt steeds vaker in meer of mindere mate de horizontale
werking (burger - burger), afhankelijk van de bijzondere omstandigheden.
• Hiërarchie van Regelgeving: Hogere regelingen gaan vóór lagere. De volgorde
is: Verdragsbepalingen > Grondwet > Wetten in formele zin > Algemene
Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) > Ministeriële regelingen > Provinciale
verordeningen > Gemeentelijke verordeningen.
, Verticale Spreiding van Macht (Decentralisatie)
Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Staatsmacht is verdeeld over de
centrale overheid en lagere overheden.
• Territoriale decentralisatie: Bevoegdheden zijn toegekend aan organen
gebonden aan een specifiek geografisch gebied (bijv. gemeenten en provincies).
• Functionele decentralisatie: Bevoegdheden zijn toegekend voor een specifiek
doel, niet gebonden aan geografische grenzen (bijv. voormalige
productschappen). Lagere overheden oefenen hun bevoegdheden uit op basis
van twee grondslagen (Art. 124 Gw):
1. Autonomie: Bevoegdheid om zelfstandig verordeningen uit te vaardigen voor
hun 'eigen huishouding' (bijv. marktverordening).
2. Medebewind: De verplichting om regels of opdrachten van een hogere overheid
uit te voeren binnen vastgestelde grenzen (bijv. uitvoering Wmo).
II. Bestuursrecht (Administrative Law)
Het bestuursrecht regelt de juridische verticale verhoudingen tussen de overheid en
burgers, waarbij de overheid het algemeen belang behartigt. Het rechtsgebied is sterk
gegroeid door de ontwikkeling van de nachtwakersstaat naar een moderne sociale
verzorgingsstaat.
Overheidshandelingen en het Besluitbegrip
Overheidsinstanties (bestuursorganen) verrichten feitelijke handelingen (zonder
rechtsgevolg, bijv. vuilnis ophalen) en rechtshandelingen (met beoogd rechtsgevolg).
Publiekrechtelijke rechtshandelingen moeten berusten op een wettelijke bevoegdheid
(legaliteitsbeginsel) en worden in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een Besluit
genoemd.
Een Besluit (Art. 1:3 Awb) is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan,
inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Tegen een besluit staat
rechtsbescherming (bezwaar en beroep) open.
Kernbegrippen (De Drie B's)
1. Bestuursorgaan (BO): De overheidspartij die bevoegd is tot het nemen van
besluiten.
I. Staatsrecht (Constitutional Law)
Het staatsrecht richt zich op de organisatie van de staat, de bevoegdheden van
overheidsorganen en de verticale verhouding tussen overheid en burger [1, 2, 19b].
Het behoort tot het publiekrecht, naast bestuursrecht, strafrecht en
internationaal/Europees recht.
Kenmerken van de Staat en Machtenspreiding
Een staat wordt historisch gekenmerkt door de aanwezigheid van een
volksgemeenschap (natie), een afgegrensd grondgebied en één orgaan dat de
hoogste macht (gezag) heeft en uitoefent [2, 4, 5, 19i, 19ii, 20iii]. Dit staatsapparaat
bezit soevereiniteit (hoogste en machtigste organisatie naar binnen en naar buiten).
Om misbruik van staatsmacht te voorkomen, is de macht horizontaal gespreid volgens
de theorie van de Trias Politica:
1. De Wetgevende Macht: Hoofdverantwoordelijk voor het maken van wetten. In
Nederland wordt wetgeving in formele zin vastgesteld door de regering en de
Staten-Generaal gezamenlijk (Art. 81 Gw) [3, 7, 8, 21i].
2. De Uitvoerende/Bestuurlijke Macht: Verantwoordelijk voor het uitvoeren van
wetten en het bestuur, voornamelijk door de regering [4, 7, 8, 21ii, 18].
3. De Rechterlijke Macht: Verantwoordelijk voor de rechtspraak en heeft een
expliciet zelfstandige en onafhankelijke positie (Art. 117 Gw).
Hoewel er spreiding is, is de scheiding niet absoluut; er bestaan Checks & Balances en
gedeelde bevoegdheden.
Kernbeginselen en Regelgeving
• Legaliteitsbeginsel: Elk overheidsoptreden binnen de staat moet berusten op
een wettelijke grondslag.
• Grondrechten: Hebben traditioneel een verticale werking (overheid - burger),
maar de rechter aanvaardt steeds vaker in meer of mindere mate de horizontale
werking (burger - burger), afhankelijk van de bijzondere omstandigheden.
• Hiërarchie van Regelgeving: Hogere regelingen gaan vóór lagere. De volgorde
is: Verdragsbepalingen > Grondwet > Wetten in formele zin > Algemene
Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) > Ministeriële regelingen > Provinciale
verordeningen > Gemeentelijke verordeningen.
, Verticale Spreiding van Macht (Decentralisatie)
Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Staatsmacht is verdeeld over de
centrale overheid en lagere overheden.
• Territoriale decentralisatie: Bevoegdheden zijn toegekend aan organen
gebonden aan een specifiek geografisch gebied (bijv. gemeenten en provincies).
• Functionele decentralisatie: Bevoegdheden zijn toegekend voor een specifiek
doel, niet gebonden aan geografische grenzen (bijv. voormalige
productschappen). Lagere overheden oefenen hun bevoegdheden uit op basis
van twee grondslagen (Art. 124 Gw):
1. Autonomie: Bevoegdheid om zelfstandig verordeningen uit te vaardigen voor
hun 'eigen huishouding' (bijv. marktverordening).
2. Medebewind: De verplichting om regels of opdrachten van een hogere overheid
uit te voeren binnen vastgestelde grenzen (bijv. uitvoering Wmo).
II. Bestuursrecht (Administrative Law)
Het bestuursrecht regelt de juridische verticale verhoudingen tussen de overheid en
burgers, waarbij de overheid het algemeen belang behartigt. Het rechtsgebied is sterk
gegroeid door de ontwikkeling van de nachtwakersstaat naar een moderne sociale
verzorgingsstaat.
Overheidshandelingen en het Besluitbegrip
Overheidsinstanties (bestuursorganen) verrichten feitelijke handelingen (zonder
rechtsgevolg, bijv. vuilnis ophalen) en rechtshandelingen (met beoogd rechtsgevolg).
Publiekrechtelijke rechtshandelingen moeten berusten op een wettelijke bevoegdheid
(legaliteitsbeginsel) en worden in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een Besluit
genoemd.
Een Besluit (Art. 1:3 Awb) is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan,
inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Tegen een besluit staat
rechtsbescherming (bezwaar en beroep) open.
Kernbegrippen (De Drie B's)
1. Bestuursorgaan (BO): De overheidspartij die bevoegd is tot het nemen van
besluiten.