Week 2.1
In de skeletspieren zit dwarsgestreept spierweefsel.
Origo = dichtstbij het hart
Insertie = verste weg
Een motorisch neuron vanuit de hersenen is het actiepotentiaal dat naar het
uiteinde van een zenuw gaat. Hier worden de stoffen losgelaten (= motorische
eindplaats) acetylcholine, een neurotransmitter. Dit gaat naar de spiercel.
Bouw spier:
- Epimysium = om gehele spier
- Perimysium = om spierbundel
- Fasciculi = spierbundels
- Endomysium = om losse spiervezel
- Spiervezels bestaan uit
myofibrillen
Sarcomeren
Actine (dun)
Myosine (dik)
Als actine en myosine samentrekken, wordt de spier korter.
Epimysium, perimysium en endomysium zorgt ervoor dat de boel bij elkaar blijft,
om te beschermen en voor het overbrengen van kracht
Op
myosine zitten handjes, die letterlijk
aan de actine trekken zodat het naar
elkaar toegaat. Hierbij is ATP en Ca2+
(calcium) nodig. ATP zorgt ervoor dat
het handje van de myosine aan de
actine wil koppelen en buigen. Calcium
bindt aan troponine. Waardoor het
,tropomyosine wegdraait. Hierdoor komen de bindingsplaatsen op het actine
vrij.
De actiepotentaal komt bij de motorische eindplaats en gaat over het
celmembraan heen en zorgt ervoor dat calcium vrijkomt uit een organel
genaamd sarcoplasmatisch reticulum. Deze geven calcium af aan kleine
kanaaltjes, de t-tubuli, die het vervolgens richting de actine brengen.
- Transversale tubuli (T-tubuli) =
buisvormige instulpingen van het celmembraan (sarcolemma) van de
spiercellen. Ze zorgen ervoor dat elektrische prikkels zich snel van het
oppervlak van de spiercel naar het midden van de cel, tot bij de
myofibrillen, kunnen verspreiden. Hierdoor wordt de gecoördineerde
samentrekking van de spiervezel mogelijk gemaakt. Disfunctie van T-tubuli
kan leiden tot spierziekten, zoals hartfalen.
- Sarcoplasmatische reticulum (SR) = netwerk van dunne buisjes dat
door de hele spiervezel loopt. In rust slaat het SR calciumionen op.
Wanneer een zenuwsignaal de spiercel bereikt, geeft het SR calciumionen
vrij in het sarcoplasma. Calcium bindt aan troponine en daardoor kan
myosine aan actine bieden.
- Mitochondria = energiecentrales van de cel
- Sarcoplasma = celvloeistof van een spiercel waarin belangrijk stoffen en
structuren zitten voor de spierwerking
- Plasmalemma (sarcolemma) = het celmembraan van de spiervezel,
waardoor stoffen in en uit kunnen.
- Cross bridge = koppeling de tijdelijke verbinding die gevormd wordt
tussen de myosinekoppen van dikke filamenten en de
actinebindingsplaatsen van dunne filamenten tijdens spiercontractie
- Power stroke = het omklappen van het myosinekopje. Dit is de beweging
waarbij het myosinekopje het actinefilament naar het midden van de
spiercel (sarcomeer) trekt, waardoor de spier verkort en samentrekt
De spiercontractie stopt tijdelijk wanneer het calcium wordt teruggepompt in het
sarcoplasmatisch reticulum. Hierdoor daalt de calciumconcentratie in het
sarcoplasma, waardoor tropomyosine terugdraait en de bindingsplaatsen op het
actine opnieuw afdekt. Daardoor kunnen myosinekoppen niet langer binden aan
actine en de spier ontspant.
, ATP levert de energie die nodig is om een spiercontractie te laten plaatsvinden.
ATP bindt aan het myosinekopje, waardoor het myosine loslaat van het
actinefilament. Vervolgens wordt ATP afgebroken tot ADP en fosfaat. De energie
die vrijkomt, wordt gebruik om het myosinekopje te ‘laden’, waardoor het weer
rechtop komt te staan. Hierdoor is het myosinekopje klaar om opnieuw aan actine
te binden en weer een trekkende beweging te maken.
Sliding Filament Theory legt uit hoe spieren samentrekken door over elkaar
heen te schuiven van actine- en myosinefilamenten.
M-lijn = in het midden van de sarcomeer. Hier zijn de myosinefilamenten aan
elkaar verbonden en gestabiliseerd, zodat ze op hun plaats blijven tijdens de
contractie.
Z-lijn = de grens van een sarcomeer. Aan de Z-lijn zijn de actinefilamenten
vastgehecht. Wanneer een spier samentrekt, komen de Z-lijnen dichterbij elkaar
te liggen.
A-band = het gebied waar de myosinefilamenten zich bevinden. De lengte van
de A-lijn blijft gelijk tijdens de spiercontractie.
Ze trekken van Z-lijn naar M-lijn
Vragen oefentoets 2.1:
- Tijdens een spiercontractie verkort de A-band en M-lijn.
- Calcium ligt opgeslagen in het Sarcoplasmatisch Reticulum.
- Een sarcomeer loopt van Z-lijn tot Z-lijn (zigzaglijn van boven naar
beneden).
Hoofdstuk 1: bouw en functie skeletspieren lezen (blz 50-60)
2.2 Aansturing spieren & factoren krachtleverantie
Centraal zenuwstelsel = hersenen en wervelkolom
Perifeer zenuwstelsel:
- Sensibele baan = van de huid, naar een neuron (= zenuwcel), naar het
ruggenmerg en de hersenen afferente zenuwen
- Motorische baan = van de hersenen, naar het ruggenmerg en de spieren
efferente zenuwen
Autonoom