Correlationeel
Survey onderzoek
Survey: gesloten vragen met antwoordschaal (bijv. Likert).
o Split-ballot survey: 50% krijgt ene helft/onderdeel van de vragenlijst
en de andere 50% de andere.
Omnibus vragenlijst: gaan over meerdere onderwerpen en onderzoekers
met diverse onderzoeksinteresse kunnen ze gebruiken
Correlationeel: niks manipuleren, maar enkel meten wat er is.
Inferentiële statistiek: data verzamelen om conclusie over populatie te
trekken.
Primaire data collectie: onderzoekers maken eigen ontwerp en voeren
dit uit
Secundaire data collectie: onderzoeksontwerp van iemand anders
uitvoeren.
Skip pattern: vraag waarbij er door wordt gevraagd op een andere vraag,
wanneer er ‘ja’ is geantwoord.
o Screener question: eerste vraag
Ontworpen/designed (doelgerichte) vs. organische (toevallige) data.
, Experiment: meet causaliteit d.m.v. manipulatie
Survey: meten wat er is d.m.v. vragenlijsten
Administratief: diensten die data verzamelen voor een bepaald doel
Asprirational: data wat geregistreerd wordt (bijv. wat iemand op social
media deelt).
Transactional: betalingsverkeer dat geregistreerd wordt
Manieren om data te verzamelen (mode of administration); survey:
Face-to-face: onderzoeker vult vragenlijst met mensen in
o Bepaalde doelgroep die vragenlijs niet zelfstandig kan invullen
o Paradata: informatie over het proces/hoe data is verzameld (veel
geluid in setting etc.)
Post
Telefoon
Internet
Mixed mode: verschillende manieren combineren
o Om problemen van ene soort op te lossen door andere soort
o Bepaald type respondenten (bijv. geen internet).
o Werving en afname verschillen
o Herinnering/follow-up
Panelonderzoek - within Herhaald cross-sectioneel onderzoek -
between
Periode Onderzoek over langere periode Onderzoek over langere periode
Respondente Elk meetmoment heeft dezelfde Elk meetmoment heeft andere
n groep respondenten respondenten.
Inhoud Meestal hetzelfde (vragen kunnen Meestal hetzelfde (vragen kunnen
toegevoegd/aangepast naar actuele toegevoegd/aangepast naar actuele
gebeurtenissen/nieuwe inzichten) gebeurtenissen/nieuwe inzichten)
Voordelen -Leeftijds-, periode- en cohort -Leeftijds-, periode- en cohort effecten
effecten beschrijven beschrijven
-Binnen-persoon veranderingen -Goedkoper & minder uitval (attrition)
meten -Geen leereffecten (hetzelfde uit gewoonte
invullen)
Nadelen -Uitval (attrition) -Binnen-persoon veranderingen niet
-Panel conditionering/leereffecten gemeten.
, -Resultaten niet causaal, maar correlationeel
Coderen van items:
Gaat meestal d.m.v. itemscore bijv. Likertschaal heeft iemand 3 gekozen
op een schaal van 1 t/m 5, dan is de score ook 3.
Somscore: bijv. 12 items, item score 1-4 somscore p.p. ligt tussen 12
(12 x 1) en 48 (12 x 4)
o Maar onhandig als er missende data is
Sommige vragen zijn omgekeerd geformuleerd, zodat respondenten niet
alleen maar hetzelfde invullen. Deze waarden zullen opvatten in de
gemiddelden.
Hercoderen/ompolen: score van 1 4, score van 2 3, score van 3 2
en score van 4 1
Daarna kan je schaalscore berekenen: gemiddelde van alle items (lage
score is weinig van het construct, hoge score is veel van het construct).
nieuwe variabele aanmaken.
o Bij de beschrijvende statistieken kan je dan weer een gemiddelde
van de gemiddelden zien. Of een frequentie diagram om een snel
overzicht te krijgen van de verdelingen.
Betrouwbaarheid en regressie
Operationaliseren:
1. Conceptuele definitie: wat is de definitie/hoe beschrijven we het?
2. Operationele definitie: hoe gaan we het meten, welke meetinstrumenten?
3. Variabele: hoe maken we een score?
Betrouwbaarheid en (begrips)validiteit:
Betrouwbaarheid (precisie): consistentie van de meting.
o Varieert niet en geen toevallige meetfouten
Validiteit (nauwkeurigheid): correctheid van de meting, meet je wat je wil
meten
o Hoge betrouwbaarheid, lage validiteit
o Beide laag
o Beide hoog
o Betrouwbaarheid is voorwaarde voor validiteit.
Begripsvaliditeit:
Indruksvaliditeit: een expert laten kijken of het een goed
meetinstrument is
Inhoudsvaliditeit: meet het alle aspecten van het construct?
Convergentie validiteit: correleert het met andere
metingen/meetinstrumenten met hetzelfde construct?
, Divergente validiteit: correleert het niet met andere
metingen/meetinstrumenten van een ander construct?
Criterium validiteit: correleert het met gedrag/uiting waarmee het
construct samenhangt? (bijv. rekenvaardigheidstoets die samenhangt met
statistiekuitkomsten).
Betrouwbaarheid:
Test-hertest: vragenlijst bij dezelfde groep op ander tijdstip
Interbeoordelaar: iemand die met hetzelfde meetinstrument meet, moet
dezelfde uitkomsten krijgen
Interne betrouwbaarheid: in welke maten zijn de items met elkaar
gecorreleerd? (Chronbach’s alpha).
De sterkte van een relatie meten we met correlatie (r).
Meten de richting (positief/negatief = < of > dan 0) en de sterkte (zwak/sterk
verband = -1 of +1) tussen interval-/ratiovariabelen.
Meetniveaus:
Nominaal: gecategoriseerd zonder rangorde (leeftijd, geslacht)
Ordinaal: gecategoriseerd en met rangorde (top 10 boeken, legerposities)
Interval: gecategoriseerd, rangorde en intervallen zijn gelijk zonder absoluut
minpunt (toets scores, temperatuur)
Ratio: gecategoriseerd, rangorde, intervallen gelijk en wel een absoluut
minpunt (schermtijd, km gelopen).
Betrouwbaarheidsanalyse:
Eerst ompolen voor je dit berekent
SW: α < .7 = slecht & α > .08 = goed
Bepaalde items weghalen, maar inhoudelijk beargumenteren (subjectieve
belang)
Item-rest correlation: hoe sterk een item met de rest samenhangt
Eerst kijk je naar item-rest correlation en wat er onder de .2 zit
Daarna kijk je van de items die onder de .2 zitten bij de ‘if item dropped’
welke α het grootste zou worden als je het item zou verwijderen.
Doe dit op deze volgorde en stap voor stap, want als je 1 item verwijderd
veranderen de gegevens voor de andere items.
Voorspellen: