Recht & bedrijf - Handelsrecht
Werkgroep 1
Hoofdstuk 1
Codificatie: Het Romeinse recht kende nog geen onderscheid tussen burgerlijk recht en handelsrecht.
Dit ontstond pas in de middeleeuwen onder kooplieden (Lex Mercatoria), die het Romeinse recht
aanvulden en soms van afweken. Zo ontwikkelde het handelsrecht zich als een bijzonder deel van het
privaatrecht, waarin regels vooral vanuit de praktijk ontstonden (bottom-up) en niet door de
wetgever (top-down).
De eerste bundelingen ontstonden in de particuliere sfeer, zoals de Tafelen van Amalfi en de Rollen
van Oléron. Later werden handelsregels vastgelegd in stedelijke keuren en in verordeningen van
landsheren. De eerste nationale codificaties waren de Franse Ordonnance de
Commerce en Ordonnance de la Marine, die onder Napoleon leidden tot de Code de Commerce.
Nederland vertaalde deze eerst, maar vormde later een eigen codificatie in het Wetboek van
Koophandel; Codificatie kan leiden tot verstarring en de indruk wekken dat burgerlijk en
handelsrecht gescheiden systemen zijn. Art. 1 WvK bepaalt daarom dat het Burgerlijk Wetboek
geldt, tenzij het WvK daarvan afwijkt (schakelbepaling).
Burgerlijk recht en handelsrecht hebben elkaar beïnvloed, al werd het handelsrecht als autonoom
gezien. Met de afschaffing van de ‘daden van koophandel’ en de opname van handelsrechtelijke
regels in het Burgerlijk Wetboek is deze sinds de 19e eeuw scheiding formeel opgeheven. Zo is veel
handelsrecht uit het WvK naar het BW overgebracht.
= Het verdwijnen van het WvK betekent niet het einde van het handelsrecht; het ontwikkelt zich
enkel in een nieuwe vorm; geen inhoudelijke verandering.
Handelsrecht: Handel is een samenhangende keten; koop en verkoop van goederen vormen de kern,
aangevuld met vervoer, betaling en verzekering. Daarbij kunnen derden optreden als
vertegenwoordigers of tussenpersonen om contracten tot stand te brengen of te helpen. Ook kunnen
internationale transacties de intellectuele eigendomsrechten van derden raken. Handelaren
ontwikkelen eigen gebruiken en regels die afwijken van het privaatrecht, gericht op praktische
behoeften, zo worden goederen pas geleverd als betaling veilig is; zekerheid.
o Handel begint meestal met een koopovereenkomst, zoals wanneer Seda uit Zuid-
Korea aluminium ladders verkoopt aan Meister in Duitsland.
Waardepapieren spelen hierbij een belangrijke rol. Een cognossement (bill of
lading, b/l) is een waardepapier/ document dat bevestigt dat de goederen aan
boord van het schip zijn geladen. Het dient tegelijkertijd als bewijs van verzending,
als eigendomspapier en als instrument om betaling veilig te stellen. In dit
voorbeeld kan Seda via het cognossement en een documentair krediet (Letter of Credit, L/C) van
de bank van Meister de koopprijs ontvangen.
o Vervolgens kan Meister een expeditiebedrijf inschakelen om de containers op te
halen. Door de cognossementen aan de vervoerder te tonen, krijgt het
expeditiebedrijf het recht om de goederen te ontvangen/ vervoeren.
o Het vervoer werd uitgevoerd door Damco, maar hun lokale agent Eastern regelde
het. Bij aflevering bleek dat 9 van de 35 beloofde containers waren geleverd. Een
werknemer van Eastern had op aandrang van Seda valse
cognossementen opgemaakt. Meister stelde Damco aansprakelijk, en de Hoge Raad oordeelde
dat Damco verantwoordelijk is, omdat Eastern als agent de schijn wekte dat de goederen
daadwerkelijk aan boord waren. De fraude wordt toegerekend aan Damco
via werkgeversaansprakelijkheid (art. 6:172 BW) en beschermt derden te goeder trouw volgens
het waardepapierenrecht (art. 8:414 en 8:441 BW); Damco/Meister
,Kenmerken van het handelsverkeer:
Beginsel van rechtszekerheid: Bij transacties bestaat een mate van wantrouwen, die
gecompenseerd moet worden door regels en door risico’s af te dekken, bijvoorbeeld
met transportverzekeringen.
Beginsel van vertrouwensbescherming: Derden die te goeder trouw zijn, worden beschermd. Zo
wordt de houder van een cognossement of een order- of toonderpapier beschermd tegen
verweren uit de onderliggende rechtsverhouding waar hij geen kennis van kon hebben.
Vlot handelsverkeer: Het dient snel en zonder juridische obstakels te kunnen plaatsvinden. Het
recht moet ondersteunen en niet hinderen. Daarvoor zijn instrumenten ontwikkeld die hier aan
kunnen bijdragen.
Drie- en meerpartijenverhoudingen: Vaak zijn derden betrokken die rechten of plichten kunnen
krijgen zonder zelf contractspartij te zijn.
Internationale dimensie: Voor handelsrecht is internationale uniformiteit belangrijk, omdat
handel vaak over de grens gaat. Internationale verdragen bepalen vaak de regels, terwijl
nationaal recht een beperkte rol speelt.
Hoofdstuk 2
Handelskoop: Geen wettelijke term, maar wordt gebruikt voor (internationale) koop tussen
handelaren van grote hoeveelheden grondstoffen (commodities) bijvoorbeeld. Koop (art. 7:1 BW); De
overeenkomst waarbij de een (de verkoper) zich verbindt een zaak te geven en de ander (de koper)
om daarvoor een prijs in geld te betalen.
‘Zaak’: Een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object (art. 3:2 BW), zowel roerend als
onroerend. Koop kan ook vermogensrechten betreffen (art. 7:47 BW), ondanks hun
onlichamelijke aard (art. 3:6 BW), en omvat ook de aanschaf van standaardsoftware. Tot de zaak
behoren bovendien de toebehoren (art. 7:9 lid 1 BW).
‘Geven’: Volgens art. 7:9 BW moet de verkoper de zaak in eigendom overdragen en afleveren. Bij
aflevering moet de zaak aan de overeenkomst beantwoorden (art. 7:17 BW) en gaat het risico
over op de koper (art. 7:10 BW).
Het ontbreken van een overeengekomen koopprijs tast de geldigheid van de koopovereenkomst
niet aan (art. 7:4 BW).
Het BW maakt geen onderscheid tussen nationale en internationale koop. Dat onderscheid is wel
relevant voor het Weens Koopverdrag (CISG), dat door 89 staten is geratificeerd (o.a. VS, China en
bijna alle EU-landen; Engeland niet). Het CISG is van toepassing op internationale
koopovereenkomsten van roerende zaken tussen partijen in verschillende staten als beide in een
verdragsstaat zijn gevestigd óf het recht van een verdragsstaat van toepassing is (art. 1 CISG). Welk
recht van toepassing is, wordt bepaald via de Rome I-verordening. Partijen kunnen zelf een
rechtskeuze maken (art. 3 Rome I). Bij het ontbreken daarvan geldt het recht van de vestigingsplaats
van de verkoper (art. 4 Rome I). Het CISG is niet dwingend recht: partijen kunnen de toepassing
uitsluiten of ervan afwijken (art. 6 CISG).
Goederen worden vaak meerdere keren doorverkocht, waardoor een keten van
koopovereenkomsten ontstaat. Problemen bij één koop (bijv. beschadiging) kunnen een domino-
effect veroorzaken op de rest van de keten. Tussenschakels zijn tegelijk koper en verkoper en kunnen
problemen doorschuiven naar leverancier of afnemer.
Transport, verzekering en betaling: Goederen bevinden zich vaak op een andere locatie dan waar ze
gebruikt of verkocht worden, dus transport is nodig.
FOB; Free on Board: In de koopprijs zijn alle bijkomende kosten begrepen tot aan het moment
dat de goederen aan boord geladen zijn. De verkoper moet exportheffingen betalen en
, exportvergunning aanvragen en risico gaat over. De koper dient het schip te regelen en komt de
vracht, de kosten van het zeevervoer, voor zijn rekening.
CIF; Cost, Insurance, Freight,: De kosten tot aan het moment dat het schip aankomt in de
loshaven. Hieronder vallen de kosten van vervoer (naar de laadhaven en vanaf daar over zee naar
de loshaven), bijkomende kosten in de laadhaven (kosten van opslag, laden en lossen en
eventuele exportheffingen) en de verzekeringspremie. Niet inbegrepen zijn de kosten van het
lossen en kosten daarna.
o Bij CIF regelt de verkoper de verzekering (‘I’ = Insurance). Heeft de koper al dekking, dan kan men
kiezen voor C&F, waarbij de verkoper niet voor verzekering zorgt.
Delivered Duty Paid, DDP: Aflevering vindt plaats wanneer de goederen daadwerkelijk bij de
koper op de eindbestemming zijn afgeleverd.
EXW: Risico gaat over zodra de koper de goederen bij de verkoper ophaalt.
Verzekering gebeurt meestal op basis van Institute Cargo Clauses C; standaard
polisvoorwaarden. Voor grondstoffen is deze dekking meestal voldoende, maar partijen kunnen
ook een uitgebreidere verzekering afspreken.
Leverancierskrediet: Betaling pas na levering (bijv. 30 dagen na factuur). Voordeel voor koper (kan
doorverkopen) en verkoper (meer afname). Gaat vaak via documentaire betaling, zoals Letter of
Credit (L/C); bank garandeert betaling aan verkoper bij overhandiging van de afgesproken
documenten. Of CAD, ‘through buyer’s bank’; betaling via de bank van de koper, pas na ontvangst
van de juiste verzenddocumenten.
Cognossement (bill of lading, B/L): Is een document van de vervoerder waarin staat dat hij de
goederen heeft ontvangen of aan boord van het schip heeft geladen. Het fungeert
als ontvangstbewijs, bewijs van de vervoerovereenkomst, legitimatiepapier (wie mag de goederen
in ontvangst nemen) en waardepapier (bezit en vaak eigendom kunnen worden overgedragen, art.
8:417 BW). De verkoper kan met het cognossement controle houden over de lading tijdens het
transport en de eigendom behouden tot betaling. De koper kan met het cognossement de goederen
weer doorverkopen aan zijn afnemers.
Overmacht-clausules: Overmacht (art. 6:75 BW) doet zich voor bij onvoorziene omstandigheden
buiten de macht van partijen, zoals ijsvorming, blokkades, stakingen of export-/importverboden.
Standaardcontracten bevatten vaak overmachtsclausules. Overmacht wordt niet snel aangenomen;
risico’s zoals schade of verlies van goederen door brand vallen voor rekening van de verkoper, die
dan vervangend moet leveren.
Eigendomsoverdracht: Eigendom overdragen en goederen afleveren (art. 7:9 BW). Eigendom is het
meest omvattend recht op een zaak (art. 5:1 BW). Goederen moeten volgens de
koopovereenkomst zijn; anders is er non-conformiteit (art. 7:17 BW). Verkoper moet de koper volle,
onbezwaarde eigendom verschaffen, zonder bijzondere lasten, zoals retentierechten (art. 7:15 lid 1
BW). Standaardcontracten regelen eigendomsoverdracht vaak niet. Omdat in landen regels
verschillen; in NL/Duitsland is wilsovereenstemming + levering nodig (art. 3:84 BW), in Engels/Frans
recht is wilsovereenstemming alleen vaak voldoende.
Eigendom kan samenvallen met aflevering, maar bij betaling achteraf, heeft de verkoper er
belang bij de eigendom nog niet te laten overgaan; eigendomsvoorbehoud (art. 3:92 BW). Deze
partijbedoeling kan ook blijken uit documentaire betaling of een cognossement (art. 8:417 BW).
Aflevering: De verkoper moet de koper het bezit van de goederen verschaffen (art. 7:9 BW).
Bij eigendomsvoorbehoud betekent aflevering: de zaak in de macht van de koper brengen (art. 7:9
lid 3 BW). In internationale handel is aflevering vaak wie het risico draagt. Partijen kunnen plaats, tijd
en wijze van aflevering zelf bepalen. Aflevering kan rechtstreeks, via een vervoerder, of via een derde.
Werkgroep 1
Hoofdstuk 1
Codificatie: Het Romeinse recht kende nog geen onderscheid tussen burgerlijk recht en handelsrecht.
Dit ontstond pas in de middeleeuwen onder kooplieden (Lex Mercatoria), die het Romeinse recht
aanvulden en soms van afweken. Zo ontwikkelde het handelsrecht zich als een bijzonder deel van het
privaatrecht, waarin regels vooral vanuit de praktijk ontstonden (bottom-up) en niet door de
wetgever (top-down).
De eerste bundelingen ontstonden in de particuliere sfeer, zoals de Tafelen van Amalfi en de Rollen
van Oléron. Later werden handelsregels vastgelegd in stedelijke keuren en in verordeningen van
landsheren. De eerste nationale codificaties waren de Franse Ordonnance de
Commerce en Ordonnance de la Marine, die onder Napoleon leidden tot de Code de Commerce.
Nederland vertaalde deze eerst, maar vormde later een eigen codificatie in het Wetboek van
Koophandel; Codificatie kan leiden tot verstarring en de indruk wekken dat burgerlijk en
handelsrecht gescheiden systemen zijn. Art. 1 WvK bepaalt daarom dat het Burgerlijk Wetboek
geldt, tenzij het WvK daarvan afwijkt (schakelbepaling).
Burgerlijk recht en handelsrecht hebben elkaar beïnvloed, al werd het handelsrecht als autonoom
gezien. Met de afschaffing van de ‘daden van koophandel’ en de opname van handelsrechtelijke
regels in het Burgerlijk Wetboek is deze sinds de 19e eeuw scheiding formeel opgeheven. Zo is veel
handelsrecht uit het WvK naar het BW overgebracht.
= Het verdwijnen van het WvK betekent niet het einde van het handelsrecht; het ontwikkelt zich
enkel in een nieuwe vorm; geen inhoudelijke verandering.
Handelsrecht: Handel is een samenhangende keten; koop en verkoop van goederen vormen de kern,
aangevuld met vervoer, betaling en verzekering. Daarbij kunnen derden optreden als
vertegenwoordigers of tussenpersonen om contracten tot stand te brengen of te helpen. Ook kunnen
internationale transacties de intellectuele eigendomsrechten van derden raken. Handelaren
ontwikkelen eigen gebruiken en regels die afwijken van het privaatrecht, gericht op praktische
behoeften, zo worden goederen pas geleverd als betaling veilig is; zekerheid.
o Handel begint meestal met een koopovereenkomst, zoals wanneer Seda uit Zuid-
Korea aluminium ladders verkoopt aan Meister in Duitsland.
Waardepapieren spelen hierbij een belangrijke rol. Een cognossement (bill of
lading, b/l) is een waardepapier/ document dat bevestigt dat de goederen aan
boord van het schip zijn geladen. Het dient tegelijkertijd als bewijs van verzending,
als eigendomspapier en als instrument om betaling veilig te stellen. In dit
voorbeeld kan Seda via het cognossement en een documentair krediet (Letter of Credit, L/C) van
de bank van Meister de koopprijs ontvangen.
o Vervolgens kan Meister een expeditiebedrijf inschakelen om de containers op te
halen. Door de cognossementen aan de vervoerder te tonen, krijgt het
expeditiebedrijf het recht om de goederen te ontvangen/ vervoeren.
o Het vervoer werd uitgevoerd door Damco, maar hun lokale agent Eastern regelde
het. Bij aflevering bleek dat 9 van de 35 beloofde containers waren geleverd. Een
werknemer van Eastern had op aandrang van Seda valse
cognossementen opgemaakt. Meister stelde Damco aansprakelijk, en de Hoge Raad oordeelde
dat Damco verantwoordelijk is, omdat Eastern als agent de schijn wekte dat de goederen
daadwerkelijk aan boord waren. De fraude wordt toegerekend aan Damco
via werkgeversaansprakelijkheid (art. 6:172 BW) en beschermt derden te goeder trouw volgens
het waardepapierenrecht (art. 8:414 en 8:441 BW); Damco/Meister
,Kenmerken van het handelsverkeer:
Beginsel van rechtszekerheid: Bij transacties bestaat een mate van wantrouwen, die
gecompenseerd moet worden door regels en door risico’s af te dekken, bijvoorbeeld
met transportverzekeringen.
Beginsel van vertrouwensbescherming: Derden die te goeder trouw zijn, worden beschermd. Zo
wordt de houder van een cognossement of een order- of toonderpapier beschermd tegen
verweren uit de onderliggende rechtsverhouding waar hij geen kennis van kon hebben.
Vlot handelsverkeer: Het dient snel en zonder juridische obstakels te kunnen plaatsvinden. Het
recht moet ondersteunen en niet hinderen. Daarvoor zijn instrumenten ontwikkeld die hier aan
kunnen bijdragen.
Drie- en meerpartijenverhoudingen: Vaak zijn derden betrokken die rechten of plichten kunnen
krijgen zonder zelf contractspartij te zijn.
Internationale dimensie: Voor handelsrecht is internationale uniformiteit belangrijk, omdat
handel vaak over de grens gaat. Internationale verdragen bepalen vaak de regels, terwijl
nationaal recht een beperkte rol speelt.
Hoofdstuk 2
Handelskoop: Geen wettelijke term, maar wordt gebruikt voor (internationale) koop tussen
handelaren van grote hoeveelheden grondstoffen (commodities) bijvoorbeeld. Koop (art. 7:1 BW); De
overeenkomst waarbij de een (de verkoper) zich verbindt een zaak te geven en de ander (de koper)
om daarvoor een prijs in geld te betalen.
‘Zaak’: Een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object (art. 3:2 BW), zowel roerend als
onroerend. Koop kan ook vermogensrechten betreffen (art. 7:47 BW), ondanks hun
onlichamelijke aard (art. 3:6 BW), en omvat ook de aanschaf van standaardsoftware. Tot de zaak
behoren bovendien de toebehoren (art. 7:9 lid 1 BW).
‘Geven’: Volgens art. 7:9 BW moet de verkoper de zaak in eigendom overdragen en afleveren. Bij
aflevering moet de zaak aan de overeenkomst beantwoorden (art. 7:17 BW) en gaat het risico
over op de koper (art. 7:10 BW).
Het ontbreken van een overeengekomen koopprijs tast de geldigheid van de koopovereenkomst
niet aan (art. 7:4 BW).
Het BW maakt geen onderscheid tussen nationale en internationale koop. Dat onderscheid is wel
relevant voor het Weens Koopverdrag (CISG), dat door 89 staten is geratificeerd (o.a. VS, China en
bijna alle EU-landen; Engeland niet). Het CISG is van toepassing op internationale
koopovereenkomsten van roerende zaken tussen partijen in verschillende staten als beide in een
verdragsstaat zijn gevestigd óf het recht van een verdragsstaat van toepassing is (art. 1 CISG). Welk
recht van toepassing is, wordt bepaald via de Rome I-verordening. Partijen kunnen zelf een
rechtskeuze maken (art. 3 Rome I). Bij het ontbreken daarvan geldt het recht van de vestigingsplaats
van de verkoper (art. 4 Rome I). Het CISG is niet dwingend recht: partijen kunnen de toepassing
uitsluiten of ervan afwijken (art. 6 CISG).
Goederen worden vaak meerdere keren doorverkocht, waardoor een keten van
koopovereenkomsten ontstaat. Problemen bij één koop (bijv. beschadiging) kunnen een domino-
effect veroorzaken op de rest van de keten. Tussenschakels zijn tegelijk koper en verkoper en kunnen
problemen doorschuiven naar leverancier of afnemer.
Transport, verzekering en betaling: Goederen bevinden zich vaak op een andere locatie dan waar ze
gebruikt of verkocht worden, dus transport is nodig.
FOB; Free on Board: In de koopprijs zijn alle bijkomende kosten begrepen tot aan het moment
dat de goederen aan boord geladen zijn. De verkoper moet exportheffingen betalen en
, exportvergunning aanvragen en risico gaat over. De koper dient het schip te regelen en komt de
vracht, de kosten van het zeevervoer, voor zijn rekening.
CIF; Cost, Insurance, Freight,: De kosten tot aan het moment dat het schip aankomt in de
loshaven. Hieronder vallen de kosten van vervoer (naar de laadhaven en vanaf daar over zee naar
de loshaven), bijkomende kosten in de laadhaven (kosten van opslag, laden en lossen en
eventuele exportheffingen) en de verzekeringspremie. Niet inbegrepen zijn de kosten van het
lossen en kosten daarna.
o Bij CIF regelt de verkoper de verzekering (‘I’ = Insurance). Heeft de koper al dekking, dan kan men
kiezen voor C&F, waarbij de verkoper niet voor verzekering zorgt.
Delivered Duty Paid, DDP: Aflevering vindt plaats wanneer de goederen daadwerkelijk bij de
koper op de eindbestemming zijn afgeleverd.
EXW: Risico gaat over zodra de koper de goederen bij de verkoper ophaalt.
Verzekering gebeurt meestal op basis van Institute Cargo Clauses C; standaard
polisvoorwaarden. Voor grondstoffen is deze dekking meestal voldoende, maar partijen kunnen
ook een uitgebreidere verzekering afspreken.
Leverancierskrediet: Betaling pas na levering (bijv. 30 dagen na factuur). Voordeel voor koper (kan
doorverkopen) en verkoper (meer afname). Gaat vaak via documentaire betaling, zoals Letter of
Credit (L/C); bank garandeert betaling aan verkoper bij overhandiging van de afgesproken
documenten. Of CAD, ‘through buyer’s bank’; betaling via de bank van de koper, pas na ontvangst
van de juiste verzenddocumenten.
Cognossement (bill of lading, B/L): Is een document van de vervoerder waarin staat dat hij de
goederen heeft ontvangen of aan boord van het schip heeft geladen. Het fungeert
als ontvangstbewijs, bewijs van de vervoerovereenkomst, legitimatiepapier (wie mag de goederen
in ontvangst nemen) en waardepapier (bezit en vaak eigendom kunnen worden overgedragen, art.
8:417 BW). De verkoper kan met het cognossement controle houden over de lading tijdens het
transport en de eigendom behouden tot betaling. De koper kan met het cognossement de goederen
weer doorverkopen aan zijn afnemers.
Overmacht-clausules: Overmacht (art. 6:75 BW) doet zich voor bij onvoorziene omstandigheden
buiten de macht van partijen, zoals ijsvorming, blokkades, stakingen of export-/importverboden.
Standaardcontracten bevatten vaak overmachtsclausules. Overmacht wordt niet snel aangenomen;
risico’s zoals schade of verlies van goederen door brand vallen voor rekening van de verkoper, die
dan vervangend moet leveren.
Eigendomsoverdracht: Eigendom overdragen en goederen afleveren (art. 7:9 BW). Eigendom is het
meest omvattend recht op een zaak (art. 5:1 BW). Goederen moeten volgens de
koopovereenkomst zijn; anders is er non-conformiteit (art. 7:17 BW). Verkoper moet de koper volle,
onbezwaarde eigendom verschaffen, zonder bijzondere lasten, zoals retentierechten (art. 7:15 lid 1
BW). Standaardcontracten regelen eigendomsoverdracht vaak niet. Omdat in landen regels
verschillen; in NL/Duitsland is wilsovereenstemming + levering nodig (art. 3:84 BW), in Engels/Frans
recht is wilsovereenstemming alleen vaak voldoende.
Eigendom kan samenvallen met aflevering, maar bij betaling achteraf, heeft de verkoper er
belang bij de eigendom nog niet te laten overgaan; eigendomsvoorbehoud (art. 3:92 BW). Deze
partijbedoeling kan ook blijken uit documentaire betaling of een cognossement (art. 8:417 BW).
Aflevering: De verkoper moet de koper het bezit van de goederen verschaffen (art. 7:9 BW).
Bij eigendomsvoorbehoud betekent aflevering: de zaak in de macht van de koper brengen (art. 7:9
lid 3 BW). In internationale handel is aflevering vaak wie het risico draagt. Partijen kunnen plaats, tijd
en wijze van aflevering zelf bepalen. Aflevering kan rechtstreeks, via een vervoerder, of via een derde.