Inleiding: definitie criminologie
WAT IS CRIMINOLOGIE?
Het is de studie van criminaliteit in de breedste zin. Het gaat om de relatie tussen vijf
elementen:
1. Criminaliteit: Het gedrag zelf.
2. Dader: Wie doet het?
3. Slachtoffer: Wie ondergaat het?
4. Etiologie: De oorzaak (waarom pleegt iemand een misdaad?).
5. Reactie: Hoe reageert de maatschappij of de overheid?
Is Criminologie een echte wetenschap? Ja, want het voldoet aan drie voorwaarden:
• Er is theorievorming.
• Het heeft een eigen kennisobject (een eigen onderwerp).
• Het heeft een eigen methodologisch instrumentarium (manieren van onderzoek
doen).
De "Bastaardwetenschap" Criminologie wordt soms een "bastaardwetenschap" of
"bruggenbouwer" genoemd.
• Waarom? Criminologen hebben zelf weinig theorieën bedacht. Ze lenen theorieën
uit de sociologie en psychologie en passen die toe of testen ze.
• Onderzoek: Criminologen genereren vooral nieuwe data (via interviews,
enquêtes/surveys, observaties, big data).
Specialisaties Er zijn veel subdisciplines, zoals Penologie (gevangenisonderzoek),
Politiestudies, Kritische criminologie, en dus ook Historische Criminologie.
CRIMINOLOGIE EN DE GESCHIEDENIS
Er is een moeilijke relatie tussen criminologen en historici. Criminologen kijken vaak niet
genoeg naar het verleden.
Twee grote fouten van criminologen:
1. Futurisme: Ze kijken bijna alleen naar het heden en de toekomst (om beleid te
beïnvloeden). Het verleden vinden ze minder boeiend.
1
, 2. Chronocentrisme (Rock, 2005): Dit is het idee dat alleen recent onderzoek telt.
Criminologen lezen vaak alleen boeken/artikelen van de laatste 15 jaar. Alles wat
ouder is, negeren ze.
o Gevolg: Ze missen patronen ("korte termijn geheugen") en vinden soms het
wiel opnieuw uit, terwijl iets vroeger ook al bestond.
Quote King (1999): Historici en criminologen begrijpen elkaar niet goed. Criminologen
gebruiken historische feitjes vaak oppervlakkig ("copy paste") zonder de diepere context te
snappen.
HET VERSCHIL: VERLEDEN VS. GESCHIEDENIS
Dit is een belangrijk onderscheid voor je examen:
1. Het Verleden: Alles wat er vroeger echt gebeurd is.
2. De Geschiedenis (Geschiedschrijving): Dat wat is opgeschreven of onderzocht
(boeken, docu's).
o Dit is altijd een selectie. We weten niet alles, alleen wat overgeleverd is.
o Voorbeeld: Vrouwen zijn vaak "vergeten" in de geschiedenisboeken ("Writing
women back into history").
Methodes:
• Historici: Gebruiken archieven en primaire bronnen.
• Uitzondering: "Mondelinge geschiedenis" (interviews met mensen over vroeger, bv.
in jeugdinstellingen), maar dat kan alleen als de mensen nog leven.
NUT STUDIE EN KENNIS CRIMINOLOGISCH VERLEDEN
Waarom moet je als criminoloog toch iets van geschiedenis weten?
1. Het heden begrijpen: Je snapt pas waarom de politie vandaag zo werkt, als je weet
hoe het ontstaan is.
2. Het "Levend Verleden": Oude ideeën en praktijken werken nog steeds door in het
systeem van nu.
3. Continuïteit en Discontinuïteit: Door naar het verleden te kijken, zie je wat verandert
en wat hetzelfde blijft.
o Verandering: We verschoven van fysieke straffen (pijn doen) naar financiële
straffen of opsluiting.
2
, o Hetzelfde: (Jonge) mannen zijn al eeuwenlang oververtegenwoordigd in de
misdaadstatistieken.
4. Geen rechte lijn: De geschiedenis is niet lineair (het wordt niet simpelweg steeds
"beter").
METHODOLOGISCHE BEPERKINGEN
Onderzoek doen naar criminaliteit van vroeger is lastig door vier problemen:
1. Dark Number: Slechts een fractie van alle misdaad is ooit opgeschreven.
2. Afhankelijkheid van registratie:
o Doet het slachtoffer aangifte?
o Wat zijn de prioriteiten van de politie? (Als ze iets niet belangrijk vinden,
schrijven ze het niet op).
3. Fragmentarische bewaring: Veel archieven zijn kwijt, verbrand of weggegooid. Ook is
toegang tot data in sommige landen (bv. Noord-Korea) moeilijk.
4. Bias (Vertekening) in de bronnen:
o Onderbelicht: Vrouwen en kinderen vind je bijna nooit in de archieven,
behalve bij specifieke delicten zoals hekserij, kindermoord, prostitutie en
overspel.
o Overbelicht: Fysiek geweld en moord (omdat dit ernstig is, wordt het vaker
opgeschreven).
HISTORISCHE CRIMINOLOGIE: DRIE DOMEINEN
Historische criminologie houdt zich bezig met drie kernvragen:
1. Wat is criminaliteit?
Criminaliteit staat niet vast.
• Constructie: Wat wij crimineel vinden, is een keuze van de samenleving
(criminalisering). Gewoontes kunnen plots strafbaar worden.
• Invloeden: Vroeger dacht men vooral aan klasse, maar nu kijkt men ook naar gender,
etniciteit en wetenschappelijke kennis om te bepalen wat "crimineel" is.
3
,2. Wat is de oorzaak? (Etiologie)
Historisch onderzoek wordt gebruikt om te kijken waarom mensen misdaden plegen en om
bestaande theorieën te testen.
• De Lombrosiaanse Traditie: (genoemd naar Cesare Lombroso, die dacht dat je
criminelen kon herkennen aan hun uiterlijk/biologie). Hier wordt echter de kritische
vraag gesteld: "Waarom juist niet?".
o In plaats van alleen naar het individu (de dader) te kijken, verschuift historisch
onderzoek de aandacht naar de omstandigheden (condities). Men kijkt naar
de economische, sociale, culturele en politieke context waarin iemand leeft.
• Testen van theorieën (Inconsistenties blootleggen): Historisch onderzoek laat zien
dat theorieën niet altijd kloppen in elke tijd.
o Voorbeeld (Huwelijk): De theorie dat trouwen ervoor zorgt dat criminelen
stoppen (desistance), bleek uit historisch onderzoek (Farral, Godfrey & Cox)
niet altijd waar te zijn. Het had in het verleden geen impact; de economische
situatie was veel belangrijker.
• Grote structuren: Onderzoekers koppelen misdaadcijfers aan grote maatschappelijke
veranderingen:
o Norbert Elias: Het civilisatieproces (mensen leren zich beter beheersen).
o Randolph Roth: Hij verklaart de daling van moord en doodslag door te kijken
naar structuren in de samenleving, zoals politiek vertrouwen en
gemeenschapsgevoel.
3. Wat is de reactie op criminaliteit?
Dit gaat over beleid, politie en justitie.
• Er is veel historisch onderzoek gedaan naar het ontstaan van de gevangenis, de
doodstraf en de politie.
• Belangrijke les: Er is vaak een verschil tussen wat de wet wil bereiken (beleid) en wat
er in het echt gebeurt (praktijk). Wetten hebben niet altijd het gewenste effect.
4
, ME, AR en de Verlichting
GLOBALE EN EUROPESE TENDENSEN
Dit gaat over hoe we door de eeuwen heen naar misdaad en straf kijken.
Criminaliteit als Sociale Constructie
Wat wij als "misdaad" zien, is geen vaststaand gegeven, maar een afspraak die door de tijd
heen verandert.
• Historisch veranderlijk: Wetgeving verschilt sterk per tijdperk en locatie (overspel).
• Context is bepalend: Iets kan in de ene context een misdaad zijn en in de andere
slechts een morele overtreding.
• Selectiviteit: Niet élke foute actie wordt in de strafwet opgenomen.
Macht en ongelijkheid
De wet is niet voor iedereen gelijk.
• Status: Rijke of machtige mensen kregen vroeger vaak andere straffen. Soms gaf een
rechter een lagere straf omdat hij de dader kende, of een zwaardere straf als hij het
slachtoffer kende.
• Een uitzondering waren de Azteken: daar kregen mensen met een hoge status juist
een zwaardere straf dan gewone mensen.
Geen rechte lijn (cyclisch)
De geschiedenis van straffen is geen simpele vooruitgang van "wreed" naar "beschaafd",
maar verloopt in golven en cycli.
• Terugkeer naar vroeger: Oude praktijken kunnen weer populair worden, zoals het
publiekelijk te schande maken van mensen (shaming).
• Tegenstrijdige visies: De drang naar vergelding (wraak en extra leed) en de wens tot
hervorming (de dader verbeteren) bestaan vaak naast elkaar.
• Pragmatiek en geld: Soms stopt de vernieuwing (bouw van gevangenis) omdat de
overheid geen geld heeft; lijfstraffen waren simpelweg goedkoper dan het opsluiten
van mensen.
Wat blijft wél hetzelfde (Continuïteit)?
Ondanks alle veranderingen zijn er patronen die over een heel lange periode vaststaan:
• Dalende cijfers: Het aantal moorden daalt en we gebruiken minder lijfstraffen.
• Verschuiving naar opsluiting: We maken steeds vaker gebruik van gevangenissen.
5
, • Humanisering: Executies worden gezocht in steeds "humanere" vormen (van de
brandstapel naar de guillotine of de elektrische stoel).
• Demografie: Het zijn door de eeuwen heen vrijwel altijd (jonge) mannen die het
meest voorkomen in misdaadstatistieken.
De regering bedenkt één regel voor iedereen Vroeger mocht elk dorp of elke stad zelf zijn
eigen regels bepalen en zelf beslissen hoe ze een boef straften. Maar langzaamaan (vooral
na de Franse Revolutie) zei de landelijke overheid (de staat): "Vanaf nu bepalen wij centraal
de regels. Er komt één wet voor het hele land.".
o Maar de praktijk (het lokale) werkte niet zomaar mee Hoewel de overheid
dus de baas speelde op papier, betekende dit niet dat elk dorp die nieuwe
wetten ook zomaar overnam. Er bleven overal grote lokale verschillen. Dit
kwam door een paar dingen:
Centraal vs lokaal: de wet en de praktijk
Vroeger bepaalden steden en dorpen vaak hun eigen regels voor straffen.
• Na de Franse Revolutie: De landelijke overheid (de staat) wilde de macht naar zich
toetrekken.
• Het doel: Vanaf nu bepaalt de overheid de regels en komt er één wet voor het hele
land.
Waarom het lokaal toch anders bleef: Op papier was de overheid de baas, maar in het echt
bleven er grote verschillen tussen regio’s. Dit had drie belangrijke oorzaken:
• Oude gewoontes (Tradities): Dorpen losten ruzies en misdaden al lang op hun eigen
manier op. Mensen veranderden dat niet zomaar door een nieuwe wet.
• Eigen vrijheid van politie en rechters (Discretionaire ruimte): Agenten en rechters
mochten soms zelf beslissen hoe ze een wet toepasten. Vaak hing dat af van de
dader of het slachtoffer.
• Wet versus Handhaving (Middelen): Er is vaak een verschil tussen wat in de wet
staat en wat echt gebeurt. Soms had de overheid te weinig geld of personeel,
waardoor oude manieren bleven bestaan.
Het stempel 'crimineel' (Stigmatisering)
• Labelen: De categorie "de crimineel" werd door machthebbers vaak gebruikt als een
stempel om groepen mensen te classificeren die zij moreel of cultureel afkeurden.
• Zonder misdaad: Soms werden mensen als "probleemgeval" bestempeld zonder dat
zij een echt misdrijf hadden gepleegd, simpelweg omdat ze niet binnen de "normale"
orde pasten.
6