Primaire behoeften -> gericht op het overleven bv. Voedsel, kleding en onderdak (basis)
Secundaire behoeften -> alle andere behoefte als de primaire gedaan zijn
Statusgoederen -> producten waarmee je je kan laten zien dat je succesvol bent, je
onderscheid van anderen.
2 manieren behoefte voorzien:
Consumeren -> kopen van producten of diensten waarmee je je behoeften voorziet
Zelfvoorziening -> je produceert zelf je producten of diensten die je nodig hebt
Productie = het maken of produceren of leveren van diensten voor anderen met het doel
winst te draaien
Schaarsten -> je hebt niet genoeg middelen om al je behoefte te voorzien.
Middelen -> tijd & geld
Begroting -> overzicht van verwachten inkomsten en uitgaven in een bepaalde periode
Uitgaven kan je verdelen in drie categorieën:
-Vaste lasten: uitgaven die elke periode terugkomt bv. Huur, elektra, verzekeringen.
-Dagelijkse uitgaven: regelmatige uitgaven bv. Eten/drinken, persoonlijke verzorging.
-incidentele uitgaven: uitgaven die af en toe voorkomen bv kleding, vakantie,
apparaten.
Inkomensverschillen: verschillen in hoeveelheid mensen verdienen.
Vermogensverschillen: verschillen in hoeveel mensen bezitten.
Armoedegrens: inkomen waaronder je in Nederland als huishouden in armoede leeft.
, productiefactoren : (middelen die ingezet worden voor de productie van goederen)
• natuur (grondstoffen)
• arbeid (mensen in de fabriek werken)
• kapitaal (machines)
• ondernemerschap (winst)
•
investeren → de aanschaf van kapitaalgoederen met een doel hier geld mee te
verdienen
arbeidsproductiviteit: mensen die zich specialiseren kunnen beter of sneller
produceren → arbeidsproductiviteit groter, dat kan je bekijken in stuks of euro’s.
arbeidsproductiviteit → totale productie omvang in stuks of euro’s (in een bepaalde
periode) : aantal werknemers (in dezelfde periode)
kapitaalintensieve productie → wordt relatief veel kapitaal en weinig arbeid gebruikt
(veel machines)
arbeidsintensieve productie → wordt relatief veel arbeid en weinig kapitaal gebruikt
(meer mensen)
kapitaal intensieve productie ↑ arbeidsintensiteit productie ↑
arbeidsproductiviteit ↓ arbeidsproductiviteit ↓
Economie is op te delen in 4 sectoren:
• Primaire sector (zorgt voor grondstoffen en voedsel) (boeren werken hierin)
• Secundaire sector (verwerkt de grondstoffen uit de primaire sector) (fabrieken
werken hierin)
• Tertiaire sector (verleent commerciële diensten) (doel : winst maken) (winkels
in de stad)
• Quartaire sector (verleent niet-commerciële diensten) (scholen, bibliotheken
werken hierin)