Inhoud
Inleiding 2
Hoofdstuk 1:
De school als sociaal systeem 3
Hoofdstuk 3:
Structuur in scholen 8
Hoofdstuk 5:
Organisatiecultuur in scholen 15
Hoofdstuk 6:
Organisatieklimaat in scholen 21
Hoofdstuk 7:
Macht en politiek in scholen 25
Hoofdstuk 8:
Externe omgevingen en verantwoording van
scholen 34
Hoofdstuk 10:
Beslissingen nemen in scholen 41
Hoofdstuk 11:
Gedeelde besluitvorming: leerkrachten mondig
maken 50
Hoofdstuk 13:
Leiderschap in scholen 57
1
,Inleiding
1. Wat is management?
= leiderschap?
= een impact hebben op het denken en handelen van medewerkers + wat is wenselijk denken
en handelen en hoe gaan we daartoe komen?
leiderschap: uitkijken voor en promoten van nieuwe keuzes (in termen van doelen en
strategieën) → bestaande kaders doorbreken
management: zo goed mogelijk uitvoeren van bestaande keuzes → werken binnen bestaande
krijtlijnen
→ beide zijn belangrijk! ‘manu agere’
2. Wat is strategische sturing?
- legt de link tussen leiderschap en management
- een visie vertalen in langetermijndoelstellingen en het opstellen van
langetermijnplannen voor de realisatie ervan
3. Wat kenmerkt (medewerkers in) een professionele organisatie?
- relatief hoog opgeleiden die complex, gespecialiseerd werk verrichten
- kennis en vaardigheden van medewerkers zijn cruciaal voor het succes vd organisatie
- omvang van het middenmanagement en de staforganen is eerder beperkt
- medewerkers hebben veel autonomie
- medewerkers zijn eigenwijs en accepteren slechts met mondjesmaat leiding
- energieniveau hangt samen met mate waarin men zich identificeert met de
organisatiedoelen
- medewerkers hanteren professionele standaarden en willen normen intercollegiaal
handhaven
2
,Hoofdstuk 1: De school als sociaal systeem
1. Preview
2. Theorie en wetenschap
concepten
theoretische generalisaties
conceptuele kaders: vereenvoudiging van de werkelijkheid
hypothese
3. Een systeemperspectief
sociale systemen
- zijn open systemen (in VOCA-tijden) * vluchtig, onzeker, complex, ambigue (niet eenduidig)
- zijn doelgericht (contingent en onderhandeld)
- worden ingevuld door mensen
- hebben structuur
- zijn politiek (kennen machtsrelaties)
- bestaan uit onderling afhankelijke delen, die op elkaar en de omgeving inwerken
(holistisch te benaderen)
- hebben culturen en normen (die voorgeschreven en afgedwongen worden)
- zijn conceptueel (abstract) en relatief (bestaan op verschillende niveaus)
● rationeel systeemperspectief: ziet organisaties als formele instrumenten die ontworpen
zijn om organisatiedoelen te bereiken; structuur is het belangrijkste kenmerk
bureaucratische organisatie
leidende principes:
- arbeidsdeling → standaardisatie vh werk
- beperkte span of control van 5 tot 10 ondergeschikten (piramidevormige
structuren)
- bureaucratische organisatie
- formalisatie: maakt structuur van relaties in organisaties zichtbaar
- specialisatie
- hiërarchie van autoriteit
3
, - uitzonderingsprincipe: superieuren handelen uitzonderlijke situaties af, die niet
onder de regels vallen
● natuurlijk systeemperspectief: ziet organisaties als typische sociale groepen die
proberen te overleven: mensen zijn het belangrijkste aspect
- norm van de groep
- informele organisatie belangrijker dan formele
4. Open systeem: een integratie
● open-systemen perspectief: rationele en natuurlijke elementen in hetzelfde kader
combineren en completer perspectief bieden
● afhankelijk van en beïnvloed door de omgeving: concurrentie, hulpbronnen, politieke
druk, …
● interacties tussen formele en informele organisatie
● structurele en dynamische concepten:
- individu, coöperatieve systeem, formele organisatie, complexe formele
organisatie, informele organisatie
- vrije wil, samenwerking, communicatie, autoriteit, beslissingsproces, dynamisch
evenwicht
● scholen zijn open sociale systemen met vijf belangrijke elementen of subsystemen
- technische
- structurele
- individuele
- culturele
- politieke
4