Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting Basiskennis taalonderwijs hfst 3

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
4
Geüpload op
25-10-2014
Geschreven in
2014/2015

Samenvatting van 4 pagina's voor het vak Taal aan de RuG

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting hoofdstuk 3

3.1 Taalverwerving
Er zijn verschillende theorieën over hoe kinderen taal aanleren en verwerven:
 Behaviorisme
Deze stroming gaat er van uit dan kinderen taal leren door imitatie. Kinderen bootsen taal uit de
omgeving na. De meest frequente woorden worden dus het eerst geleerd. Als een kind geprezen
wordt om een woord, zal hij dit vaker zeggen.
Kinderen zeggen soms echter ook zinnen die ze nooit eerder hebben gehoord en die taalkundig
niet correct zijn, zoals ‘ik heb gevald’. Ook zeggen ze niet de meest frequente woorden, maar
woorden die verwijzen naar dingen en acties uit de directe omgeving van het kind. Ouders zijn
wel noodzakelijk voor de taalontwikkeling van hun kind. Kinderen die voor hun zesde jaar niet in
aanmerking gekomen zijn met taal, zullen het ook nooit meer optimaal leren.
 Creatieve constructietheorie
Hierbij gaat men er van uit dat kinderen taal niet simpelweg imiteren, maar dat ze zelf over een
aangeboren taalvermogen beschikken, waarmee ze op creatieve manieren zinnen kunnen
bouwen. Een aanwijzing voor dit aangeboren taalvermogen is dat een kind elke willekeurige taal
aan kan leren.
 Interactionele benadering
Men onderschijft het belang van een aangeboren taalvermogen, maar benadrukt dat taalaanbod
van omgeving en de interactie tussen kind en andere moedertaalsprekers belangrijk is bij het
leren van een taal. Het taalaanbod moet daarbij wel afgestemd zijn op de mogelijkheden van het
kind.

De taalontwikkeling begint op het fonologisch niveau met het vormen van spraakklanken. Baby’s
doen dit al door ‘oh’ en ‘ah’ te brabbelen. Kinderen ontwikkelen zich ook op morfologisch niveau: de
manier waarop woorden gevormd en opgebouwd worden, semantisch niveau: de betekenis van
woorden, syntactisch niveau: regels over het combineren van woorden, en op pragmatisch niveau:
regels voor het gebruik van taal en de communicatie tussen mensen.
In he taalverwervingsproces kunnen twee periodes worden onderscheiden:
 De prelinguale periode (0-1 jaar): dit is de periode voordat een kind zijn eerste woordjes spreekt.
Kinderen in deze periode produceren geluidjes, maar nog geen taal. Deze periode is wel heel
belangrijk voor de taalontwikkeling. Er is al wel sprake van communicatie, zelfs al is het huilen.
Het kind heeft hierdoor een signaal en ouders reageren daarop.
Vanaf een week of 6 beginnen kinderen klanken te produceren, dit wordt ook wel vocaliseren
genoemd. Vanaf een maand of 4 produceren kinderen steeds meer verschillende klanken en
ontstaan er ‘gesprekken’ tussen ouders en kind. Vanaf 7 maanden begint een kind te brabbelen.
Hierbij produceert hij klanken die al op Nederlands lijken, zoals bababa en mamama.
 Linguale periode: na het eerste jaar komt de linguale of talige periode. Hierin gebruikt een kind
woorden en zinnen als communicatiemiddel. Deze periode is onder te verdelen in drie delen:
o Vroeglinguale periode (1 tot 2.5 jaar): brabbelen gaat langzaam over op betekenisvol
taalgebruik. In het begin gaat het om taalgebruik wat specifiek hoort bij de situatie en
worden woorden niet altijd goed uitgesproken. Later ontdekken kinderen dat je met
woorden ook kan verwijzen naar dingen. Kinderen geven in het begin met één woord aan
status aan, dit heet een eenwoordzin. Hierna beginnen kinderen woorden te
combineren en er is sprake van tweewoordzinnen. Dit is een enorme sprong in de
taalvaardigheid. Deze fase wordt ook wel de telegramstijlfase genoemd, omdat kinderen
spreken in een soort telegramzinnen.
Relatief snel hierna volgen de meerwoordzinnen. Een kind maakt dan zinnen van meer
dan twee woorden. Het ene kind doet dit sneller dan het andere kind. Rond het tweede
jaar kent een kind zo’n 500 woorden, bijna alleen maar inhoudswoorden.

, o Differentiatiefase (2.5 tot 5 jaar): op alle niveaus van taal ontwikkelt een kind zich in
deze fase, de ontwikkeling is dus heel gedifferentieerd. Deze fase valt voor een groot
deel samen met de kleuterleeftijd, een periode waarin een kind zich op andere gebieden
ook veel ontwikkeld: ze krijgen ruimtelijk inzicht, tijdsbesef en leert gedetailleerd
waarnemen. Veel van deze ontwikkelingen hangen samen met de taalontwikkeling, zoals
het verband tussen tijdsbesef en het leren van werkwoordsvormen. Veel kinderen gaan
aan het begin van deze periode naar de crèche of de peuterspeelzaal. Het aanbod aan
taal gaat zich dus sterk uitbreiden, op hun derde kennen kinderen gemiddeld 1000
woorden. In deze fase leren kinderen ook dat de vorm van een woord belangrijke
informatie bevat, zoals enkelvoud of meervoud. Er is wel sprake van overgeneralisaties,
waarbij een kind taalregels ten onrechte toepast (loopte ipv liep, gevald ipv gevallen). Ze
verzinnen ook veel nieuwe woorden die bestaan, zoals timmer (hamer) en
vlammetjeshuis (aansteker). Dit geeft wel aan dat kinderen intensief bezig zijn met taal
en erover nadenken.
o De voltooiingsfase (5 tot 9 jaar): in deze periode komt er niet heel veel nieuwe
informatie bij, maar worden de voorgaande fasen afgerond. Aan het eind van deze fase
heeft een kind net zoveel taalvaardigheid als volwassenen. Er zijn dan natuurlijk nog wel
grote verschillen, vooral op het gebied van woordenschat. Ook op het gebied van
morfologie moeten kinderen nog veel leren, vooral onregelmatige woorden en de
verleden tijd van sterke werkwoorden blijven lastig. Op syntactisch niveau vinden
kinderen het vaak nog lastig om lange zinnen te vormen, net als het vormen en begrijpen
van passieve zinnen. Op pragmatisch niveau worden kinderen hier wel volwaardige
gesprekspartners, en ook taalgrapjes kunnen ze begrijpen.
In deze fase begint school zich te bemoeien met de taalontwikkeling van kinderen. De
ontwikkeling gaat dus minder speelser en veel serieuzer.

Veel kinderen hebben naast het Nederlands nog een andere taal, bijvoorbeeld een dialect of de taal
van het land waar hun ouders vandaan komen. Het proces van het leren van een tweede taal is
anders dan het proces van het leren van de eerste taal.
Als een kind twee talen min of meer tegelijk leert, is er sprake van simultane tweetaligheid. We
spreken hiervan als een kind voor zijn derde jaar begint met het leren van de tweede taal.
Als kinderen hun tweede taal leren als ze de eerste taal al geleerd hebben, spreken we van
successieve tweetaligheid. Dit komt veel meer voor. De tweede taal wordt geleerd met de kennis
van de eerste taal, de eerste taal beïnvloedt de tweede taal. Er treden dan vaak interferentiefouten
op. Dit zijn fouten die voortkomen door de eerste taal, bijvoorbeeld doordat bepaalde
lettercombinaties in de eerste taal anders worden uitgesproken dan in de tweede taal.
Bij het leren van een tweede taal is er sprake van een behoorlijk langzamer tempo, voornamelijk bij
successieve tweetaligheid. Afhangend van de situatie en hoe vaak iemand in aanraking komt met de
tweede taal, kan het jaren duren voordat de tweede taal helemaal onder de knie is. De
taalvaardigheid van de tweede taal ligt vaker ook lager dan de taalvaardigheid van iemand die deze
taal als moedertaal heeft.
Het leren van woorden van de tweede taal is vaak het grootste probleem. Er is geen overlapping van
betekenis vanuit de eerste taal en regels zijn vaak ook anders.

De overeenkomst tussen het leren van een eerste en een tweede taal is dat tweedetaalverwerving
via ongeveer dezelfde fasen gaat.

, 3.2 Spreek- en luisterstrategieën
Een spreekstrategie is een manier van spreken die iemand hanteert om een bepaald spreekdoel te
bereiken. In elke situatie is er weer een andere spreekstrategie van toepassing. Het is lastig om een
spreekstrategie te typeren, dat gaat nog het beste bij een monoloog. Het houden van een monoloog
is vergelijkbaar met het maken van een schriftelijke tekst en gaat via de volgende stappen:
 Oriënteren op de inhoud
 Doel en publiek bepalen
 Plannen
 Presenteren
 Reflecteren op doel en inhoud
Binnen deze stappen kan een spreker nog weer andere spreekstrategieën toepassen, zoals
 Een gespreksvorm hanteren
 Presentatietechnieken hanteren
 Een bepaald taalgebruik hanteren

In dialogen is het lastiger om precies de strategieën aan te geven. In hogere groepen van de
basisschool kan je kinderen wel aanleren om specifieke spreekstrategieën toe te passen in een
gesprek.

Luisterstrategieën zijn makkelijker te typeren. In een officiële situatie worden andere
luisterstrategieën toegepast dan in een informele situatie. We kennen vier verschillende
luisterstrategieën:
 Globaal luisteren: je probeert globaal te volgen wat de spreker zegt. Je let op de rode lijn, niet op
de details. Omdat je probeert te begrijpen wat de ander zegt, wordt dit ook wel begrijpend
luisterend genoemd.
 Intensief luisteren: hierbij probeer je ook alle details van een verhaal mee te krijgen, zodat je een
zo volledig mogelijk beeld van het verhaal krijgt.
 Kritisch luisteren: hierbij probeer je tijdens het luisteren ook een mening te vormen. Je wilt
beoordelen of het verhaal van de spreker helemaal waar is, of juist misleidend. Je bent meer
gefocust op je eigen mening en op bepaalde vragen die je de spreker kan gaan stellen.
 Gericht luisteren: dit pas je toe als je geïnteresseerd bent in bepaalde aspecten van een verhaal.
Je richt je alleen op de momenten waarop het verhaal voor jou interessant is. Hiervoor moet je
heel goed weten wat je wil horen en waar je je op wil richten in een gesprek.
In deze strategieën zie je ook het onderscheid tussen actief en passief luisteren. Een luisteraar geeft
aan dat hij actief aan het luisteren is door bijvoorbeeld te knikken of vragen te stellen.

3.3 Spreek- en luisterdoelen
Er zijn vier belangrijke spreekdoelen:
 Informeren: hier gaat het om het overbrengen van feitelijke informatie.
 Instrueren: hier wil de spreker iets uitleggen of verduidelijken.
 Amuseren: de spreker heeft het doel om zijn publiek te vermaken, boeien of ontroeren.
 Overtuigen: de spreker wil de luisteraar overhalen om een bepaalde mening of een bepaald
standpunt in te nemen.
Andere spreekdoelen zijn emotioneren (bepaalde gevoelens losmaken over overbrengen),
waarderen (oordeel over iets geven) en beschouwen (verschillende kanten van een probleem
belichten).
Spreekdoelen komen vaak in combinaties voor en een spreker kiest zijn spreekstrategie aan de hand
van het doel wat hij wil bereiken. Je kan ook kiezen voor bepaald taalgebuik, om als arts bijvoorbeeld
deskundig over te komen (vakjargon).

Documentinformatie

Geüpload op
25 oktober 2014
Aantal pagina's
4
Geschreven in
2014/2015
Type
SAMENVATTING
€3,49
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
Annaliesje

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
Annaliesje Rijksuniversiteit Groningen
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
-
Lid sinds
11 jaar
Aantal volgers
0
Documenten
6
Laatst verkocht
-

20 jaar oud, eerstejaars student AOLB, houdt van Groningen, eten, lezen, muziek, vrienden en reizen.

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen