PPKA — Kinder- en Jeugdpsychiatrie
Verhulst — Leerboek Kinder- en Jeugdpsychiatrie
INHOUD
Hoofdstuk 3 — Leerstoornissen (p. 27–38)
Hoofdstuk 12 — Schizofreniespectrumstoornissen en psychosen (p. 183–198)
Hoofdstuk 4 — Spraak- en Taalstoornissen (p. 35–43)
,HOOFDSTUK 3: LEERSTOORNISSEN
1. Inleiding: Wat zijn leerstoornissen?
Leren is een fundamentele eigenschap van alle dieren, maar bij mensen krijgt het schoolse leren een
bijzonder grote maatschappelijke betekenis. Op school leren kinderen de drie basisvaardigheden: lezen,
schrijven en rekenen. Voor de meeste kinderen verloopt dit vlot en vanzelfsprekend. Bij een deel van de
kinderen echter is dit niet het geval — zonder dat er sprake is van een lage intelligentie of zintuiglijke
beperkingen. In dat geval spreken we van een 'specifieke leerstoornis'.
Definitie: Specifieke leerstoornis
Onverwachte, fundamentele moeilijkheden bij het lezen, spellen of rekenen, die optreden bij
kinderen met een normale intelligentie en normale zintuiglijke functies.
• “Onverwacht”: het kind heeft normale intelligentie en geen sensorische beperkingen
• “Fundamenteel”: de moeilijkheden zijn ernstig en structureel, niet tijdelijk
• Onderscheiden van leermoeilijkheden veroorzaakt door lage intelligentie
1.1 Het discrepantieprincipe
Het hoofdkenmerk van een specifieke leerstoornis is de discrepantie (tegenstelling) tussen:
• Wat het kind werkelijk presteert op school
• Wat verwacht kan worden op basis van de kalenderleeftijd en het IQ
• De wijze van onderwijs
In de praktijk wordt het discrepantiecriterium minder strikt gehanteerd. Beslissingen worden genomen op
basis van beschrijvende definities, waarbij ook gekeken wordt naar het 'ontbreken van effect van intensieve
inspanningen' als onderdeel van de definitie.
1.2 De drie belangrijkste leerstoornissen
Er zijn drie hoofdcategorieën van specifieke leerstoornissen:
Stoornis Domein
Dyslexie Technisch lezen en/of spellen (woordniveau)
Rekenstoornis / Dyscalculie Getallen, berekeningen, rekenvaardigheid
Schrijf-/spellingsstoornis Schrijfvaardigheid en/of spelling
2. Dyslexie — Specifieke Lees- en Spellingsstoornis
2.1 Diagnostische kenmerken
Dyslexie wordt omschreven als een probleem in de techniek van het lezen en spellen, met problemen op
het woordniveau, waarbij het belangrijkste kenmerk is dat er geen echte automatisering van het lezen en/of
de spelling ontstaat.
, De Gezondheidsraad spreekt van dyslexie wanneer:
• Er sprake is van ernstige en hardnekkige problemen bij de automatisering van het lezen en/of de
spelling
• Er herhaaldelijk uitval is op genormeerde lees- en spellingstoetsen
• Er geen vooruitgang geboekt wordt, ondanks intensieve inspanningen
Het fonologisch decoderen: het centrale probleem
Bij het lezen moet een kind twee systemen koppelen:
• Het orthografische systeem: de geschreven letters en lettercombinaties (het letterbeeld)
• Het fonologische systeem: de spraakklanken waaruit gesproken woorden zijn opgebouwd
Dit koppelingsproces noemen we fonologisch decoderen. Spellen is het omgekeerde proces.
Fonemen
De kleinste taalkundige eenheden die een betekenisverschil veroorzaken. Voorbeeld: /b/ en /v/ zijn
twee verschillende fonemen: 'bal' en 'val' betekenen iets anders. Evenzo: /a/ en /o/ in 'bal' en 'bol'.
Kinderen met dyslexie hebben een kernprobleem met het fonologisch decoderen: ze hebben moeite met
het onderscheiden en herkennen van individuele klanken (fonemen) in gesproken en geschreven taal.
Gevolgen van het fonologische probleem bij het lezen:
• Het kind moet veel inspanning leveren om woorden letter voor letter te decoderen
• Dit kost zo veel cognitieve energie dat er 'te weinig aandacht over' is voor tekstbegrip
• Er ontstaat geen automatisering van woordherkenning
• Het leerproces als geheel wordt belemmerd
2.2 Comorbiditeit
Kinderen met lees- en spellingsproblemen hebben een verhoogd risico op psychiatrische stoornissen:
• Gedragsstoornissen: 5 keer zo vaak als in de algemene bevolking
• ADHD: 30 tot 50% van de kinderen met dyslexie heeft ook ADHD
• Angst en depressie: verhoogd risico, vooral bij meisjes
Belangrijk: bij de behandeling van psychiatrische stoornissen moet altijd overwogen worden of er ook een
leerstoornis aanwezig is.
2.3 Voorkomen (prevalentie)
• Prevalentie: 3 tot 10% van de schoolgaande kinderen
• In de algemene bevolking: even vaak bij jongens als bij meisjes
• In klinische verwijzingen: meer jongens — waarschijnlijk omdat jongens vaker externaliserend gedrag
vertonen, meisjes vaker angst of depressie
• Prevalentie is hoger bij kinderen die pas beginnen met lezen dan bij oudere basisschoolleerlingen
• Veel vroege leesproblemen verdwijnen na training: prevalentie van leesproblemen bij 6-jarigen daalde
van 9% naar 1,5% na een halfjaar training
2.4 Etiologie
Naast het fonologische kernprobleem hebben kinderen met dyslexie vaak ook:
• Problemen met het verbale kortetermijngeheugen
• Problemen met verbaal leren
• Andere cognitieve functies zijn intact
Er is een biologische basis voor deze cognitieve problemen, aangetoond door genetisch en neuroimaging-
onderzoek.