Week 1:
Doelen straf:
Generale preventie (Wanneer een misdadiger wordt gestraft en andere
personen dat zien, dan schrikken ze daarvan).
Speciale preventie (Na een opgelegde straf trekt een persoon lering uit zijn
gedrag en wil hij niet nogmaals een misdaad plegen).
Vergelding (Gaat uit van de gedachte dat de overheid wraak moet nemen
op degene die onrecht pleegde).
Resocialisatie (Dit omvat het ontwikkelen van vaardigheden en motivatie,
het verminderen van recidive, en het bevorderen van sociale
vaardigheden).
Ultimum remedium: Als er geen alternatieve wijze van handhaving is wordt het
strafrecht gebruikt.
Formeel + Materieel strafrecht is commuun strafrecht, bijzonder strafrecht zijn
overige wetten.
Materieel: wat wel/niet mag (1. Bijzondere wetten. 2. Wetboek van strafrecht)
Formeel: hoe handhaven (1. Wetboek van strafvordering. 2. Bijzondere wetten)
Voorwaarden strafbaarheid:
1. Menselijk
2. Wettelijke delictsomschrijving. Als het niet in de wet staat is het ook niet
strafbaar. Strafbepaling bestaat uit twee onderdelen. Omschrijving van een
gedraging (delictsomschrijving) en de negatieve reactie op deze gedraging
(sanctie). Dit is het materieel strafrecht.
3. Wederrechtelijkheid, in strijd met de wet of zonder toestemming. Het
gedrag moet in strijd zijn met het objectieve recht, er is geen
rechtvaardiging voor de gedraging.
4. Schuld: verwijtbaar en vermijdbaar. Het verwijt bestaat hieruit dat de
verdachte de onwenselijke gedraging niet heeft vermeden terwijl daartoe
wel de reële mogelijkheid bestond.
Bestanddelen zijn voorwaarden voor de strafbaarheid die in de wettelijke
delictsomschrijving zijn terug te vinden. Menselijkheid is ook een bestanddeel
omdat de delictsomschrijving gedrag aanwijst dat strafbaar is.
Elementen zijn voorwaarden voor de strafbaarheid die niet zijn opgenomen in
een wettelijke delictsomschrijving: 1. Wederrechtelijkheid 2. Schuld. Maar zodra
deze 2 in de delictsomschrijving worden opgenomen, zijn het bestanddelen en
geen elementen. Elementen hoeven niet te worden bewezen.
Delictsvormen:
, Formele delicten: in de bepaling van art. 310 Sr (diefstal) is bijvoorbeeld ‘het
wegnemen’ verboden. Het strafbare feit is gepleegd op het moment dat ‘het
wegnemen’ heeft plaatsgevonden.
Materiele delicten: in de bepaling van art. 287 Sr is bijvoorbeeld het opzettelijk
van het leven beroven verboden. Het strafbare feit is gepleegd op het moment
dat het gevolg intreedt: de dood.
Commissiedelicten: specifieke handelingen die strafbaar zijn gesteld. Omdat je
iets doet wat je niet had behoren te doen, ben je volgens deze
delictsomschrijvingen strafbaar.
Omissiedelicten: in de delictsomschrijving wordt een ‘nalaten’ strafbaar gesteld.
Zie art. 136 Sr, art. 184 Sr, art. 450 Sr.
Gronddelict: diefstal (art. 310 Sr)
Gekwalificeerd delict: diefstal met geweldpleging (art. 312 Sr)
Gronddelict: doodslag (art. 287 Sr)
Gekwalificeerd delict: moord (art. 289 Sr)
Geprivilegieerd delict: kinderdoodslag (art. 290 Sr)
Misdrijf of overtreding:
Misdrijven vind je in Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht, en overtredingen in
Boek 3. Het onderscheid is van belang omdat overtredingen nooit gestraft
worden met een gevangenisstraf. Opsporingsambtenaren hebben bevoegdheden
volgens het Strafprocesrecht, ook wanneer er sprake is van verdenking op
misdrijf, maar ze verliezen hun bevoegdheid als er slechts sprake is van
verdenking op overtreding. Ten slotte is een poging tot overtreding niet strafbaar.
Bij bijzondere wetten zijn er artikelen waarin staat wanneer er sprake is van een
overtreding of misdrijf, maar je kunt dit ook zien aan het feit dat slechts
hechtenis als vrijheidsstraf op overtredingen kan worden opgelegd. Alleen bij
misdrijven mag ook een gevangenisstraf worden opgelegd.
Week 2:
Het strafrecht kent twee schuldvormen: opzet (expres) en schuld
(onvoorzichtigheid) (Dolus en culpa) zie art. 416 Sr en art. 417 Sr.
Opzet (dolus):
In de meeste delictsomschrijvingen wordt opzet geëist via bewoordingen zoals
‘opzettelijk’, ‘wetende dat’ of ‘kennis dragende dat’. Er zijn drie gradaties van
opzet:
1. Oogmerk
De dader handelt willens en wetens om een naastgelegen doel te bereiken.
2. Opzet bij zekerheidsbewustzijn