Hoofdstuk 1:
Geweldsmonopolie = Alleen het hoogste gezag in een staat mag geweld gebruiken.
Met staat wordt de overheid/staat en land bedoeld. De staat is een ondeelbare en zelfstandige
eenheid, soeverein.
Staat (land) heeft drie kenmerken: Gezag, gemeenschap en grond. Erkenning van een staat door
andere staten kan een vierde kenmerk zijn.
In Nederland wordt het publiekrecht onderverdeeld in het bestuursrecht, staatsrecht en strafrecht.
BES-eilanden zijn Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Dit zijn gemeentes in het Koninkrijk der
Nederlanden, zie art. 134 Grondwet. Curaçao, Sint-Maarten en Aruba zijn zelfstandige staten binnen
het koninkrijk.
Het statuut is een staatsregeling met afspraken over onderlinge verhoudingen binnen het koninkrijk.
Rijkswetten = Wetten die van toepassing zijn in het gehele koninkrijk.
Afzonderlijke staten (Curaçao, Sint-Maarten en Aruba) mogen hun eigen aangelegenheden zelf
behartigen, zie art. 41 lid 1 Statuut. Zij hebben een eigen bestuur en regering.
Art. 12 lid 4 van het Internationaal Verdrag over burgerrechten en politieke rechten, ook wel BUPO.
Een staat kan de belangen van zijn staatsburgers behartigen en aan hen hulp en bijstand verlenen, zie
art. 5 Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen.
Art. 42 lid 1 Gw: De regering wordt gevormd door de koning en de ministers. Art. 81 Gw: De regering
en Staten-Generaal stellen gezamenlijk wetten vast. Regering en Staten-Generaal worden samen de
formele wetgever genoemd, deze wetten zijn wetten in de formele zin. Als de Grondwet bepaalt dat
iets geregeld moet worden in een wet in formele zin, dan spreken we van een organieke wet.
Voorbeelden organieke wetten: art. 132 lid 1 Gw de inrichting van provincies en gemeenten en ook
de samenstelling en bevoegdheden van hun besturen. + Art. 75 Gw de Wet op de Raad van State, zij
geven adviezen aan de overheid. + Art. 116 lid 2 Gw Wet op de rechterlijke organisatie.
Rechtsbronnen:
Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
De Grondwet
(Organieke) wetten, regelementen
Gewoonterecht
Verdragen van Europese maatregelen
Jurisprudentie/Rechtersrecht
, Hoofdstuk 2:
De Grondwet begint met een hoofdstuk over grondrechten, zie art. 1 t/m 23
Gw.
Klassieke grondrechten waarborgen in zekere zin de vrijheden van burgers die
de overheid moet respecteren, waardoor voor de burger een staatsvrije sfeer
wordt gewaarborgd. Ofwel vrijheidsrechten. Zie wettenbundel voor roze
gemarkeerde klassieke grondrechten.
Actief kiesrecht = Het recht om leden van de Tweede Kamer, Provinciale Staten
en de gemeenteraad te kiezen, zie art. 54 en 129 Gw.
Passief kiesrecht = Het recht om zelf als lid van een van de
vertegenwoordigende organen gekozen te worden, zie art. 4 Gw.
Recht van petitie art. 5 Gw, een dergelijke klacht wordt door de Nationale
ombudsman behandeld.
Praesumptio innocentiae = Een verdachte is onschuldig totdat het tegendeel
wordt bewezen, zie art. 6 lid 2 EVRM en art. 14 lid 2 BUPO.
Sociale grondrechten vormen als het ware een opdracht voor de overheid om
ervoor te zorgen dat er sociale gerechtigheid heerst in de samenleving en dat
ieder burger kan beschikken over voldoende gezondheidszorg, onderwijs en
inkomen zodat hij zichzelf kan ontplooien. Zie groen gemarkeerde grondrechten
in wettenbundel. Sociale grondrechten hebben geen rechtstreekse werking, met
uitzondering op het stakingsrecht art. 6 lid 4 ESH.
Instructienormen = Burgers kunnen zich niet direct beroepen op sociale
grondrechten. Deze vormen instructienormen, studie-eindvragen aan de overheid
om burgers in staat te stellen zichzelf te ontplooien. Zo biedt de opdracht tot het
scheppen van voldoende werkgelegenheid (art. 19 Gw) geen garantie op werk,
maar dwingt de overheid wel om werkgelegenheid te stimuleren.
Self-executing = Bepalingen die, in tegenstelling tot sociale grondrechten, een
rechtstreekse werking hebben.
Burgerschapsrechten = Dergelijke grondrechten die voorwaarden stellen aan
de nationaliteit.
Je mag grondrechten alleen beperken aan de volgende voorwaarden:
1. De mogelijkheid om grondrechten te beperken moet worden vastgelegd in
de Grondwet of in een verdrag.
2. De beperking dient ter bescherming van een bepaald doel dat in de
Grondwet of het verdrag is aangegeven.
3. De beperking en/of de bevoegdheid om te beperken, moet worden
vastgelegd in een wet in formele zin of in een lagere regeling die daarop is
gebaseerd.
4. (Soms) De beperking moet noodzakelijk zijn in een democratische
samenleving.