1.1 neuropsychologische revalidatie: doel, aanpak en klinische betekenis
1.1.1 geschiedenis van de neuropsychologische revalidatie
oorsprong: van oude Egypte → Aristoteles (vertraging) → Vesalius, Willis,
Wernicke, Broca (hersenstructuur & lokalisatie)
WO I: Goldstein & Poppelreuter → focus op aanpassing, niet enkel herstel
WO II: Luria → link hersenletsels ↔ cognitieve stoornissen
o basis cognitieve revalidatie
jaren 1970: Ben-Yishay → biopsychosociale aanpak (cognitief +
psychologisch + context)
later: holistische modellen (Wilson, Prigatano, Diller) → focus op
levenskwaliteit & context
evolutie zorg: van monodisciplinair → interdisciplinair samenwerken.
1.1.2 een dynamisch proces
revalidatie is flexibel en individueel aangepast, geen vast traject
o Veranderbare doelen
o Mogelijkheden patiënt
o Behoeften patiënt
focus verandert per fase:
o vroeg: stabilisatie & basisfuncties
o later: zelfstandigheid, zingeving, sociale participatie
actieve rol patiënt + samenwerking met team en omgeving
geen standaardaanpak: steeds afgestemd op persoon en context
1.1.3 een holistische benadering
= focus op de mens als geheel (lichamelijk, cognitief, emotioneel, sociaal).
aandacht voor directe (bv. geheugen, emoties) én indirecte gevolgen
(bv. sociale rollen, autonomie)
rekening met bevorderende en belemmerende factoren (bv. sociaal
netwerk, cultuur, taal)
revalidatie is individueel afgestemd op gevolgen en premorbide situatie
1.1.3.1 begrippenkader
klinische neuropsychologie: breed vakdomein
→ onderzoek, diagnostiek en behandeling
→ breed met veel wetenschappelijk onderzoek
neuropsychologische revalidatie: onderdeel hiervan, maar nog steeds
breed
→ cognitief, psychosociaal, emotioneel en gedragsmatig
→ met betrokkenheid van patiënt, familie en mantelzorgers
cognitieve revalidatie: meer afgebakend
→ gerichte interventies op verbeteren cognitieve functies
→ focus op inzicht bij de patiënt
→ psycho-educatie = begrijpen + leren omgaan met problemen
cognitieve training: meest specifiek
→ oefenen van concrete taken
→ trainen van één bepaalde functie
Begrippen lopen vaak door elkaar
1.1.4 een transdisciplinaire aanpak als streven
1
, revalidatie door breed team (psychologen, therapeuten, artsen, …)
o evolutie:
multidisciplinair = naast elkaar werken
interdisciplinair = gedeelde doelen
transdisciplinair = grenzen vervagen + gedeelde
verantwoordelijkheid
o vereist intensief overleg en afstemming
o in praktijk nog vaak multi- of interdisciplinair
1.1.5 klinische en maatschappelijke relevantie
verbetert functioneren, participatie en levenskwaliteit
vooral bij jonge patiënten: minder zorgkosten op lange termijn
wordt gezien als kosteneffectief (goede uitkomsten + besparing)
wel nood aan meer gestandaardiseerd onderzoek
conclusie
niet alleen klinisch en ethisch waardevol
maar ook maatschappelijk en economisch belangrijk
1.2 herstel na een hersenletsel
herstel steunt op neuroplasticiteit: hersenen kunnen zich reorganiseren
zowel spontaan herstel als herstel door gerichte therapie
1.2.1 neuroplasticiteit
hersenen passen zich aan na letsel (structuur + functie)
twee vormen:
o spontaan (biologisch herstel)
o training-geïnduceerd (door therapie en ervaring)
1.2.1.1 spontaan herstel & compensatie
eerste weken/maanden → biologisch herstel
niet altijd optimaal
1. opheffen van diaschisis
= tijdelijke functieverlies in hersengebieden die zelf niet
beschadigd zijn, maar functioneel verbonden zijn met het
gebied dat beschadigd is
scant toont aan dat neuronen niet goed werken geen
zuurstof (zwart gebied)
functionele scan toont dit aan = opening correleert met
hersengebied afbeelding daarboven
verbindingen zorgen dat wanneer het ene gebied uitvalt,
minder actiepotentialen worden doorgestuurd
o DUS, ook rechts minder doorbloeding (=homotope gebied)
minder actiepotentialen doorgestuurd
bij herstel van activiteit in deze gebieden → ook functioneel herstel
verschillende vormen:
o focale diaschisis = verminderde activiteit in specifieke, intacte
gebieden op afstand
o connectionele diaschisis = verstoring in verbindingen tussen
hersengebieden
o connectomale diaschisis = verstoring in bredere
hersennetwerken
2. functioneel netwerkherstel (=corticale reorganisatie)
2
, = intacte hersengebieden nemen functies over via naburige of
contralaterale gebieden
vb: afasie → eerst rechterhemisfeer actief, later terug naar linker
(perilesionaal)
niet altijd efficiënt → kan leiden tot slechter herstel
vb: spatiaal neglect → onevenwicht tussen hemisferen (rechter ↓, linker
↑) blijvende problemen
3. spontane gedragsmatige compensatie
= patiënten passen onbewust gedrag aan om beperkingen te omzeilen
→ vb: afasie → korte, eenvoudige zinnen gebruiken
→ wijkt af van vroeger functioneren, maar blijft functioneel en aangepast
1.2.1.2 training-geïnduceerd herstel
therapie stimuleert plasticiteit via leren
gebaseerd op herhaling en activatie van netwerken
gebaseerd op hebbiaans leren = neuronen die samen actief zijn,
versterken hun verbinding
twee strategieën:
o restitutie = beschadigde functies opnieuw trainen en herstellen
o bewuste gedragsmatigecompensatie = alternatieve strategieën
aanleren als herstel niet mogelijk is
vb: agenda bij geheugenproblemen
vb: spraakcomputer bij afasie
1.2.1.3 factoren die herstel beïnvloeden Leeftijd
Cognitieve reserve
Letselzwaarte
Stemming
Motivatie
Socio-economische
status
…
verloop van herstel
o snel herstel i n eerste weken/maanden
o daarna trager, maar kan jaren doorgaan (=stagnatie)
o herstelpotentieel wordt vaak onderschat (geen echte tijdslimiet)
grote individuele verschillen
o herstel hangt af van biologische, psychologische en sociale factoren
niet-beïnvloedbare factoren
o leeftijd, geslacht
o ernst en locatie van het letsel
o conditie van intacte hersengebieden
o premorbide cognitief niveau
o bevindingen:
jonge kinderen niet per se betere uitkomst
invloed geslacht onduidelijk
beïnvloedbare factoren
o motivatie en betrokkenheid patiënt
o sociale steun
o kwaliteit en intensiteit van revalidatie
cognitieve reserve
o meer opleiding/ervaring/intellect → beter omgaan met schade
o efficiënter gebruik van alternatieve strategieën of hersengebieden
kernidee
3
, o herstel = resultaat van samenspel tussen beïnvloedbare en niet-
beïnvloedbare factoren
1.3 ICF-model: functioneren in context
Kernidee
o Revalidatie draait niet alleen om biologisch herstel, maar om
functioneren in het dagelijks leven
o Focus ligt op zelfstandigheid en maatschappelijke participatie
ICF-model (WHO, 2001) – 3 niveaus
A. Functies & structuren:
Cognitieve stoornissen (bv. aandacht, geheugen, executieve
functies)
B. Activiteiten:
Problemen bij dagelijkse taken (bv. zelfzorg, mobiliteit,
communicatie)
Daar waar wij als psychologen minder mee bezig zijn wél
frequent aan bod bij ergotherapie
C. Participatie:
Moeilijkheden in sociale en werkrollen (bv. werk-hervatting,
relaties)
Zekere rol in de maatschappij
Door minder activiteiten minder participeren
‘re-integratieproblemen’ = kunnen we iemand zijn
participatie terug verhogen
Belang voor revalidatie
o Doelen van patiënten liggen vaak op activiteit- en participatieniveau
o Therapie moet zich dus ook op die niveaus richten
o Functiewinst ≠ automatisch beter functioneren in het dagelijks leven
o Generalisatie naar het echte leven vraagt expliciete aandacht
Aanvullende factoren
o Persoonlijke en omgevingsfactoren beïnvloeden herstel en doelen
o ICF helpt om deze factoren in kaart te brengen
Voorbeeld (Leandro)
o 42-jarige man met licht traumatisch hersenletsel
o Klachten: geheugen- en aandachtsproblemen
o Gevolg: impact op dagelijks functioneren, sociale rollen en
werkhervatting
1.4 het belang van multi-/ transdisciplinaire samenwerking
4