PRAKTIJKVELDEN
VAN DE
PSYCHOLOOG
2025-2026
,
,HOOFDSTUK 1: INLEIDING PRAKTIJKVELDEN
1. DE ACADEMISCH GESCHOOLD PSYCHOLOOG
WAT IS EEN ACADEMISCH GESCHOOLD PSYCHOLOOG?
• Psychologie = wetenschappelijke studie van gedrag
◦ Ruimere definitie dan in algemene psychologie
◦ Wetenschappelijk: gedrag bestuderen op basis van onderzoek en niet intuïtie
Intuïtie: gedrag bestuderen door categorisatie of verklaring
Onderzoek: via wetenschappelijke argumenten
• Goede wetenschap vereist duidelijk gedefinieerde concepten
• Gedrag = verandering bij organisme als gevolg van gebeurtenissen in de omgeving
◦ Brede definitie: alle soorten veranderingen bij organisme
◦ Overt gedrag: observeerbaar door anderen bv. acties
◦ Covert gedrag: observeerbaar door organisme zelf bv. gedachten, gevoelens
◦ Omgeving: intern en extern → zeer breed
We leven in fysische wereld waar niets uit niks ontstaat, er is altijd iets dat voor verandering zorgt
• Psycholoog = iemand die de psychologie beoefent en toepast
• Academisch geschoold psycholoog = heeft dit geleerd aan academie/universiteit
◦ Unieke taak en verantwoordelijkheid
Academisch debat volgen: stand van zaken bijhouden over bevindingen uit de wetenschap
Werken vanuit meest recente inzichten en zelf evalueren/onderzoeken vanuit de huidige stand van de
wetenschap = scientist-practitioner
• Kerndoel opleiding: leer wetenschappelijk denken en evidence-based handelen = kritisch en op basis van wetenschappelijke
argumenten
BASISTAKEN VAN DE ACADEMISCH GESCHOOLD PSYCHOLOOG
BIJ DE STUDIE VAN GEDRAG
• Beschrijving van gedrag:
◦ Benoemen van (patronen in) gedrag
◦ Welk gedrag? Hoe vaak? In welke context? Relaties met ander gedrag (bv. correlatie)?
• Verklaring van gedrag:
◦ Gedrag linken aan een oorzaak
• Doel van die studie is het begrijpen van gedrag
◦ Maar begrip is meestal gericht op een verder liggend doel: verkregen kennis toepassen in de praktijk
◦ We zijn vaak nog heel ver weg van toepassing van praktijk, ook soms dichter (vanuit probleem zelf beginnen) → we
moeten focussen op de toepassing
BIJ DE TOEPASSING VAN DE STUDIE VAN GEDRAG
• Voorspellen van gedrag:
◦ Welk gedrag zal men stellen? Hoe vaak? In welke context? Welke gevolgen?
• Beïnvloeden van gedrag:
◦ Ingrijpen op de omgeving om gedrag te beïnvloeden (interventie)
• Doel van de toepassing is het oplossen praktische problemen in concrete situaties
• Merk op: beide taken vereisen vaak diagnostiek (meten van gedrag of van de context om later te kunnen voorspellen/
beïnvloeden) → brug tussen studie en toepassing
◦ Vb. IQ-testen
, 2. EVIDENCE-BASED PRAKTIJK
• Evidence-based praktijk = handelen in de praktijk op basis van wetenschappelijke argumenten
• In de psychologie: handelen op basis van wetenschappelijke argumenten over de bepalende factoren van gedrag
(gedragsdeterminanten)
◦ Handelen vanuit wat we weten over gedrag
DETERMINANTEN VAN GEDRAG
• 3 soorten determinanten van gedrag (verklaringsdomeinen):
◦ Omgevingsprocessen
Er gebeurde iets in de omgeving dat leidde tot het gedrag
◦ Cognitieve processen
Processen die te maken hebben met informatieverwerking vb. interpretatie
◦ Biologische processen
Vb. Activiteit neuronen, intracellulaire activiteit, hormonen…
• Let op
◦ Staan niet in conflict: elk gedrag is te verklaren vanuit elk van de 3 domeinen
◦ Mentaal proces is niet te observeren = “emergent property”
Omgeving → biologisch proces → ontstaan informatieverwerkingsprocessen
◦ Vermijd het gelijkstellen van domeinen
Vb. mentaal proces niet rechtstreeks zien in hersenactiviteit (is niet hetzelfde)
Vb. gedrag-omgeving relatie gedrag-mentaal proces relatie
Vb. prof geeft informatie → cognitief construct willen bereiken bij studenten
‒ Hij wil een dat de studenten een doel krijgen ≠ betekent niet dat dit gebeurt
◦ Andere verklaring of geen verklaring ook mogelijk
Herbenoemen van gedrag is niet verklaren
‒ Vaak cirkelredenering vb. hij slaat dus hij is agressief, hij is agressief dus hij slaat
‒ Gedrag linken aan patroon van gedragingen maar proces blijft onbenoemd: vb. hij slaat want hij slaat vaak
(maar waarom?)
Je kan de afwezigheid van interne factor niet gebruiken als verklaring
‒ Vb. hij leert niet want hij is niet gemotiveerd
MODELLEN VAN GEDRAGSDETERMINANTEN
ALGEMENE MODELLEN
• Welke determinanten bepalen gedrag algemeen en hoe werkt dat proces?
◦ Vaak cognitieve determinanten
Aantal cognitieve determinanten dat samenhangt → overtuiging (= interne/mentale voorstelling) → effectieve
gedrag
◦ Veel modellen zijn in de kern te herleiden tot: voorstelling van welke soorten overtuigingen + hoe die samenhangen
Overtuigingen = interne voorstelling van propositionele info/stelling
Vaak: overtuigingen over wat men belangrijk vindt
‒ Doel = Interne voorstelling van gewenste uitkomst
→ Vb. Theory of planned behaviour