matrix
1. Inleiding
Het moleculair vlies zorgt voor een verbinding tussen het epitheel en
hetgeen wat daar onder zit, dat is steunweefsel. Omdat er in
epitheelweefsel geen bloedvaten zitten moeten ze wel in het steunweefsel
zitten zodat het epitheel zuurstof en voedingstoffen kan krijgen. De
uitwisseling kan gewoon doorheen het basale membraan gaan (want dit is
een netstructuur met gaten). Ook gaat er CO2 vanuit het epitheel naar de
bloedvaten zodat dit weg kan gaan uit het lichaam. Er lopen ook zenuwen
voor als er bepaalde cellen moeten aangestuurd worden.
Het moet ook zorgen voor steun, zorgen dat het weefsel niet uit elkaar
valt. De vezelige structuren zijn hierbij heel belangrijk, dit zijn lange
‘kabels’. Het bekendste voorbeeld zijn collageenvezels. Deze zitten in
spieren bv. heel mooi parallel omdat die heel sterk moeten zijn. De gaten
die er tussen de ‘kabels’ zitten worden opgevuld door de grondsubstantie,
deze is uit proteoglycanen opgebouwd. Helemaal vanonder zijn adipocyten
(vetcellen) aanwezig, deze zorgen voor schokdemping en isolatie voor
warmte.
Tussen al deze structuren zitten steuncellen, die komen maar heel af en
toe voor en kunnen bewegen over de collageen vezels. Ze zorgen voor het
onderhoud van collageenvezels en de basale membraan.
De vezels en grondsubstantie, waaruit ons steunweefsel vooral bestaat, is
samen de extracellulaire matrix. Bloedvaten, zenuwen en steuncellen zien
we in verhouding veel minder voorkomen in het steunweefsel.
2. Basale membraan
Het basale membraan bestaat uit collageen IV, het is een klein molecule
met een tetramerisatie en een dimerisatie domein (verbind 4 en 2
moleculen aan elkaar). Je krijgt een soort netstructuur hierdoor.
17