14 mei 2026
Herhaling- en oefententamens
Herhalingsoefeningen t.b.v. Bestuursrecht I
Vraag 1: Welke van de onderstaande beweringen over de begrippen ‘openbaar lichaam’ en
‘bestuursorgaan’ is juist?
A. Het begrip ‘openbaar lichaam’ is hoofdzakelijk van belang voor de uitoefening van bestuursrechtelijke
bevoegdheden, terwijl het belang van het begrip ‘bestuursorgaan’ in de privaatrechtelijke (in het bijzonder
vermogensrechtelijke) sfeer ligt.
B. De begrippen ‘openbaar lichaam’ en ‘bestuursorgaan’ zijn synoniemen en dekken dezelfde lading.
C. Het begrip ‘openbaar lichaam’ is hoofdzakelijk van belang in de privaatrechtelijke (in het bijzonder
vermogensrechtelijke) sfeer, terwijl het belang van het begrip ‘bestuursorgaan’ hoofdzakelijk ligt in de sfeer
van de uitoefening van bestuursbevoegdheden.
D. Het begrip ‘openbaar lichaam’ is een species (dat wil zeggen: een categorie) van het ruimere begrip
‘bestuursorgaan’.
Toelichting: Het openbaar lichaam (een rechtspersoon) treedt namens de overheid op in het
privaatrechtelijk rechtsverkeer. Bestuursorganen, die een onderdeel zijn van zo’n rechtspersoon, oefenen
de bestuursbevoegdheden uit (antwoord a is daarom niet juist). Het gaat dus om twee verschillende
soorten entiteiten (dat brengt met zich dat ook antwoord b onjuist is). Het bestuursorgaan is bovendien
een onderdeel van het openbare lichaam (dat brengt met zich dat antwoord d onjuist is).
Vraag 2: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen is een
bestuursorgaan omdat
A. het college een rechtspersoon is, die krachtens publiekrecht is ingesteld en met openbaar gezag is
bekleed.
B. het college als orgaan deel uitmaakt van de gemeente Groningen die op grond van de Grondwet
krachtens publiekrecht is ingesteld.
C. de gemeente een privaatrechtelijke rechtspersoon is die met openbaar gezag is bekleed.
D. het college deel uitmaakt van de privaatrechtelijke rechtspersoon ‘gemeente’.
Toelichting: De gemeente Groningen is een rechtspersoon ingesteld krachten publiekrecht (zie art. 123
Grw en art. 2:1 BW). Het college van burgemeester en wethouders is een orgaan van de gemeente
Groningen (art. 6 Gemw), dus een orgaan van een rechtspersoon ingesteld krachten publiekrecht, en
daarmee een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 lid 1 onder a Awb.
Vraag 3: Welke stelling ten aanzien van het begrip ‘bestuursorgaan’ (in de zin van de Awb)
is juist?
A. Er bestaan bestuursorganen die enkel feitelijke en privaatrechtelijke (rechts)handelingen (kunnen)
verrichten.
B. Bestuursorganen beschikken altijd over openbaar gezag.
C. Een orgaan van een rechtspersoon die krachtens privaatrecht in het leven is geroepen kan geen
bestuursorgaan zijn.
,D. Bestuursorganen die over openbaar gezag beschikken, zijn per de nitie geen orgaan van een
rechtspersoon ingesteld krachtens publiekrecht.
Toelichting: Er bestaan a-organen die alleen feitelijke en privaatrechtelijke (rechts)handelingen verrichten.
Dat houdt verband met het feit dat een entiteit wordt aangemerkt als a-orgaan aan de hand van een
formeel criterium. Alle organen die deel uitmaken van een rechtspersoon ingesteld krachtens publiekrecht
worden aangemerkt als bestuursorgaan (a-orgaan) ongeacht de handelingen of werkzaamheden die zij
verrichten.
Vraag 4: Art. 4a lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 luidt: ‘Er is een Dienst Wegverkeer, in
het maatschappelijk verkeer aangeduid als RDW. De dienst bezit rechtspersoonlijkheid
en is gevestigd te Zoetermeer.’ De directie van de Dienst Wegverkeer (RDW) – zie de
Wegenverkeerswet 1994 – is
A. een a-orgaan (art. 1:1 lid 1 onder a Awb).
B. een b-orgaan (art. 1:1 lid 1 onder b Awb).
C. geen bestuursorgaan.
D. een rechtspersoon ingesteld krachtens privaatrecht.
Toelichting: De directie van de Dienst Wegverkeer (RDW) is een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1
aanhef en onder a Awb. De RDW is een rechtspersoon ingesteld krachtens publiekrecht (zie art. 4a lid 1
WVW 1994). De directie van de RDW is een orgaan van een rechtspersoon ingesteld krachten
publiekrecht (zie art. 4d WVW 1994) en daarmee een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 lid 1 onder a
Awb.
Vraag 5: Is het van belang onderscheid te maken tussen a-organen (art. 1:1 lid 1 onder a
Awb) en b-organen (art. 1:1 lid 1 onder b Awb)?
A. Nee, een bestuursorgaan is een bestuursorgaan.
B. Nee, beide organen zijn bevoegd tot het nemen van besluiten in de zin van art. 1:3 Awb.
C. Ja, dat is van belang met het oog op art. 3:1 lid 2 Awb.
D. Ja, a-organen zijn immers niet met openbaar gezag bekleed.
Toelichting: Er bestaan a-organen die alleen feitelijke en privaatrechtelijke (rechts)handelingen verrichten.
Dat houdt verband met het feit dat een entiteit wordt aangemerkt als a-orgaan aan de hand van een
formeel criterium. Alle organen die deel uitmaken van een rechtspersoon ingesteld krachtens publiekrecht
worden aangemerkt als bestuursorgaan (a-orgaan), ongeacht de handelingen of werkzaamheden die zij
verrichten. A-organen zijn dus altijd bestuursorgaan, ongeacht de handelingen die zij verrichten. Daarom
zijn op privaatrechtelijk of feitelijk handelen van a-organen ingevolge art. 3:1 lid 2 Awb de afdelingen 3.2
tot en met 3.4 Awb in beginsel van overeenkomstige toepassing. B-organen zijn alleen bestuursorgaan als
zij openbaar gezag uitoefenen en niet als zij privaatrechtelijk of feitelijk handelen; daarom is op b-organen
de schakelbepaling uit art. 3:1 lid 2 Awb niet van toepassing.
Vraag 6: De burgemeester van de gemeente Echt-Susteren:
A. is een b-orgaan, omdat hij met openbaar gezag is bekleed.
B. is een a-orgaan, omdat hij een orgaan is van de rechtspersoon de gemeente.
C. is zowel een a-orgaan als een b-orgaan, omdat hij een orgaan is van de rechtspersoon de gemeente dat
met enig openbaar gezag is bekleed.
D. kan zowel een a-orgaan als een b-orgaan zijn, al naar gelang de bevoegdheid die hij uitoefent.
fi
,Toelichting: De burgemeester van de gemeente Echt-Susteren is een a-orgaan, omdat hij een orgaan is
van de rechtspersoon de gemeente. De burgemeester is namelijk een orgaan van de gemeente Echt-
Susteren (zie art. 6 Gemw). De gemeente Echt-Susteren is een rechtspersoon ingesteld krachten
publiekrecht (zie art. 123 Grw en art. 2:1 BW). Aangezien de burgemeester een orgaan van de gemeente
Echt-Susteren is (art. 6 Gemw), en dus een orgaan van een rechtspersoon ingesteld krachten publiekrecht,
is hij een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 lid 1 onder a Awb. Daarmee houdt dan de analyse op. De
categorie b-organen vormen een restcategorie. Als een orgaan een a-orgaan is, kan het niet tevens een b-
orgaan zijn; het feit dat een a-orgaan – zoals een burgemeester – openbaar gezag uitoefent, doet daar niet
aan af.
Vraag 7: Welke stelling over het begrip belanghebbende is niet juist?
A. Een bestuursorgaan kan een belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb zijn.
B. De aanduiding ‘rechtstreeks belang’ slaat op het causaal verband tussen een besluit en het geschonden
belang.
C. De aanduiding ‘persoonlijk belang’ wil zeggen dat een individu zich in voldoende mate moet
onderscheiden van andere burgers.
D. De aanduiding ‘eigen belang’ sluit de mogelijkheid van machtiging uit.
E. Als een subsidie wordt geweigerd aan een culturele instelling, kan een werknemer van die instelling –
die in verband met de weigering van zijn subsidie vreest voor zijn baan – worden aangemerkt als
belanghebbende.
Vraag 8: Lodewijk Michiels staat al vierentwintig jaar met een gebakkraam op het plein voor het NS-
station van Voerendaal. Hij is in het bezit van een standplaatsvergunning op grond van de APV. Deze
standplaatsvergunning moet iedere vijf jaar verlengd worden. Op 31 juli 2023 wijzigt de gemeenteraad
van Voerendaal de APV. Op basis van de gewijzigde APV is het niet langer mogelijk in de gemeente
Voerendaal een standplaats te krijgen voor kramen waarin ter plekke voedsel wordt bereid. Dit betekent
dat de standplaatsvergunning van Lodewijk, waarvan de termijn in januari 2024 a oopt, niet meer
verlengd zal worden. Ook zal hij geen standplaats kunnen innemen elders in Voerendaal. De nanciële
strop voor Lodewijk, die onlangs nog een gloednieuwe kraam heeft aangeschaft, is niet te overzien. Met de
moed der wanhoop vraagt Lodewijk, tegen beter weten in – conform de in de gemeentelijke beleidsregels
voorgeschreven procedure –, op 12 september 2023 een nieuwe standplaatsvergunning aan bij het college
van burgemeester en wethouders van de gemeente Voerendaal voor de periode 2024-2029. Enkele weken
later ontvangt Lodewijk het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Voerendaal
waarbij het – onder verwijzing naar de gewijzigde APV – de aanvraag van Lodewijk voor een nieuwe
standplaatsvergunning afwijst. Lodewijk dient onmiddellijk een bezwaarschrift in. Hij is niet de enige die
bezwaar maakt tegen de weigering een nieuwe standplaatsvergunning te verlenen. Ook zijn geldschieter
Pieter Puustjens – die hem een groot deel van het geld voor de gebakkraam heeft voorgeschoten – dient
bezwaar in omdat hij vreest dat hij naar zijn geld kan uiten als Lodewijk zijn gebakkraam niet meer kan
exploiteren. Ten slotte wordt bezwaar ingediend door de vijfentachtigjarige Billa Schmeits. Zij heeft
dierbare herinneringen aan de gebakkraam. Samen met haar inmiddels overleden echtgenoot nam zij
steevast een suikerwafel na a oop van ieder uitstapje met de trein. Kunnen Lodewijk Michiels,
Pieter Puustjens en Billa Schmeits worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van
de Awb?
A. Alleen Lodewijk kan worden aangemerkt als belanghebbende.
fl fl fl fi
, B. Zowel Lodewijk als Pieter kan worden aangemerkt als belanghebbende.
C. Lodewijk, Pieter en Billa kunnen worden aangemerkt als belanghebbende.
D. Zowel Lodewijk als Billa kan worden aangemerkt als belanghebbende.
Toelichting: Alleen Lodewijk kan worden aangemerkt als belanghebbende. Het belanghebbendenbegrip is
gede nieerd in art. 1:2 Awb. Lodewijk kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 1:2,
eerste lid, Awb. Hij heeft een eigen, persoonlijk, objectief bepaalbaar, actueel en rechtstreeks (direct
geraakt) belang bij het besluit om de standplaatsvergunning niet opnieuw te verlenen. Hij onderscheidt
zich duidelijk van anderen (zoals zijn klanten). Pieter is geen belanghebbende in de zin van de Awb. Zijn
belang wordt niet rechtstreeks maar indirect – via de contractuele relatie met Lodewijk – geraakt (hij heeft
slechts een 'afgeleid belang'). Ook Billa is geen belanghebbende. Zij wil het weigeringsbesluit aanvechten
om sentimentele redenen. Er is dan ook geen sprake van een objectief bepaalbaar belang.
Vraag 9: Aan de rand van het verstedelijkte dorp Groesbach is een park gelegen van ongeveer 3,5
hectare. Veel inwoners van Groesbach maken gebruik van deze groenvoorziening om te wandelen, de
hond uit te laten of om gewoon op een bankje te zitten. Het gemeentebestuur wil echter op de plek van
het park een evenementenhal realiseren. Het park zelf zal worden ‘verplaatst’. Concreet komt dit erop
neer dat alle bomen (waaronder waardevolle) worden gekapt. In het voorjaar van 2024 verleent het
college van burgemeester en wethouders van Groesbach – ondanks diverse protesten – een kapvergunning
(omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand). Welke van de navolgende persoon of
personen kan worden aangemerkt als ‘belanghebbende’ bij dit besluit in de zin van art.
1:2 Awb?
A. Iedere inwoner van Groesbach die aannemelijk maakt dat hij wel eens in het park wandelt.
B. Bewoners van huizen die naast het park zijn gelegen en hierop een fraai uitzicht hebben.
C. De lokale voetbalclub die in de toekomst in de wintermaanden een deel van de hal van de gemeente
gaat huren voor de zaalvoetbalcompetitie.
D. De landelijke vereniging van ijsverkopers die stelt dat een aantal van haar leden in de zomermaanden
in het desbetreffende park ijs verkoopt.
E. De Stichting Algemeen Groen die als landelijke organisatie enkel in juridische procedures opkomt
tegen de aantasting van groenvoorzieningen in ruimste zin van het woord in heel Europa.
F. Zowel de onder a. als b. genoemde personen.
G. De onder a., b. en c. genoemde (rechts)personen.
H. De onder a., b., c. en d. genoemde (rechts)personen.
I. De onder b. en d. genoemde (rechts)personen.
J. Alle onder a. t/m e. genoemde (rechts)personen.
Toelichting: Alleen bewoners die zicht hebben op de bomen in het park zijn belanghebbende
(zichtcriterium/ruimtelijke gevolgen van enige betekenis). Bij de andere inwoners (alternatief a.) ontbreekt
een persoonlijk belang, zij onderscheiden zich onvoldoende van anderen. De landelijke vereniging van
ijsverkopers komt op voor het collectieve belang van haar leden die in het park ijs verkopen. Deze
vereniging is een belanghebbende in de zin van art. 1:2 lid 3 Awb. De voetbalclub heeft geen actueel maar
een toekomstig belang en is daarom geen belanghebbende bij dit besluit dat enkel ziet op de kap van
bomen. Verder lijkt er bij de voetbalclub ook geen sprake te zijn van een rechtstreeks bij het besluit
betrokken belang. Dit belang zou bijvoorbeeld eerder aanwezig zijn bij verlening van de
omgevingsvergunning om te bouwen, maar zelfs dan is er nog sprake van een situatie waarin de
voetbalclub de zaal zal huren van de eigenaar (en dus van een afgeleid belang). De Stichting Algemeen
fi