THEORIE
OLM 1: HET ONDERZOEKSPROCES
WAAROM ONDERZOEK?
INTRODUCTIE
Consumeren: gepubliceerd onderzoek lezen dat van toepassing is op jouw probleem.
Produceren: een nieuw onderzoek zelf uitvoeren.
Delegeren: een derde partij inschakelen om een onderzoek voor je uit te voeren.
WAT IS BEDRIJFSECONOMISCH ONDERZOEK?
Bedrijfseconomisch onderzoek: een systematisch proces van hypothesen toetsen via zorgvuldig
uitgevoerde data-analyses met als doel een managementprobleem op te lossen of te verkleinen.
i. Bedrijfseconomisch onderzoek is een systematisch proces; bestaat uit meerdere
gerelateerde stappen. Systematisch omdat dezelfde stappen universeel worden gebruikt.
ii. Bedrijfseconomisch onderzoek toetst hypothesen; toetsbare hypothesen worden ontwikkeld.
Ongeacht of een studie al dan niet start met het opstellen van hypothesen, de empirische
resultaten zullen uiteraard hetzelfde zijn.
iii. Bedrijfseconomisch onderzoek houdt in dat er data worden verzameld en geanalyseerd; data
kunnen op verschillende manieren worden verzameld; vragenlijsten, experimenten, extractie
uit interne databanken van bedrijven, extractie uit overheidsdatabanken, web scraping,
interview of observaties.
iv. Bedrijfseconomisch onderzoek is bedoeld om managers te helpen betere beslissingen te
nemen; betere beslissingen zijn evidence-based: beslissingen gebaseerd op een grondige en
zorgvuldige analyse van de data.
HOE ZIT HET MET INTUÏTIE?
Intuïtie mag nooit een vervanging zijn voor onderzoek. Hoewel intuïtie een rol speelt in het nemen
van managementbeslissingen (net zoals je je geweten niet moet negeren, moet je ook je intuïtie niet
negeren), kan intuïtie, losgekoppeld van dataverzameling en -analyse, leiden tot minder effectieve
beslissingen nemen. Hoe onbekender de uitdagingen waarmee je geconfronteerd wordt, hoe minder
je op je intuïtie mag vertrouwen en hoe meer je best terugvalt op bewijs/onderzoek.
Cognitieve bias: onbewuste denkfout, poging van onze hersenen om de complexe wereld te
versimpelen en zo onze besluitvorming te versnellen. Leidt ertoe dat managers informatie verkeerd
kunnen interpreteren.
1. Confirmation bias
Verwijst naar onze neiging om alleen die informatie in overweging te nemen die overeenstemt met
onze reeds bestaande overtuigingen. We zoeken alleen naar bewijs dat ondersteunt wat we al
denken en negeren de rest.
2. Availability bias
We nemen een beslissing op basis van informatie die gemakkelijk beschikbaar is, ook al is dat
misschien niet de beste informatie om die beslissing op te baseren. Informatie die we ons makkelijk
herinneren (doordat deze levendiger of recenter is) veronderstellen we dat deze over meer
frequente en meer waarschijnlijke gebeurtenissen gaat.
,HOE EVALUEER JE ONDERZOEKSRESULTATEN?
Predatory journals: tijdschriften die niet betrouwbaar zijn, enige doel is geld verdienen.
Hoe beoordelen of een publicatie betrouwbaar is?
Nagaan of de artikelen gereviewt zijn.
Impactfactor opzoeken.
HET ONDERZOEKSPROCES
DEDUCTIEF VS. INDUCTIEF ONDERZOEK
Inductieve onderzoeksbenadering: onderzoekers verzamelen eerst data, vervolgens proberen ze een
patroon te vinden in deze data. Daarna ontwikkelen ze een theoretisch kader op basis van het
gevonden patroon. Theorie ontwikkelen.
Deductieve onderzoeksbenadering: onderzoekers formuleren eerst hypothesen over de relaties
tussen variabelen op basis van theorie. Deze hypothesen toetsen ze vervolgens aan de hand van
data. Theorie testen.
HET 7-STAPS DEDUCTIEVE ONDERZOEKSPROCES
,OLM 2: HET ONDERZOEKSPROBLEEM
EEN PROBLEEM AFBAKENEN
WANNEER IS ER SPRAKE VAN EEN BEDRIJFSECONOMISCH PROBLEEM?
Doet zich voor wanneer een bedrijf te maken krijgt met een;
Bedreiging: een te overwinnen moeilijkheid.
Opportuniteit: een situatie met potentieel voor verbetering.
AFBAKENEN VAN EEN BEDRIJFSECONOMISCH PROBLEEM
Een bedrijfseconomisch probleem moet afgebakend of begrensd worden voordat je aan een
onderzoek begint. Doel: focussen op een specifiek stukje van het grotere probleem.
RELEVANTIE
ACADEMISCHE RELEVANTIE
Wanneer het onderzoek bijdraagt aan reeds bestaande kennis.
4 manieren om bij te dragen
1. Nieuw onderwerp.
2. Nieuwe context.
3. Versnipperde kennis integreren; eerdere studies richten zich op afzonderlijke variabelen,
waardoor hun relatief belang niet gekend is.
4. Tegenstrijdige resultaten verzoenen; eerdere studies rapporteren verschillende resultaten en
de condities waaronder deze gelden zijn niet duidelijk.
PRAKTISCHE RELEVANTIE
De bevindingen moeten actionable insights opleveren: duidelijke, specifieke en direct toepasbare
handelingen die een bedrijf en/of de samenleving als geheel kan nemen en het ten goede komen.
Praktisch relevant: als 1 of meer partijen baat hebben bij het onderzoeken van het probleem.
OLM 3: ONDERZOEKSVRAGEN
ONDERZOEKSVRAGEN FORMULEREN
DE CENTRALE VRAAG OF PROBLEEMSTELLING
De centrale vraag die een onderzoek probeert te beantwoorden = probleemstelling.
Een goede probleemstelling is:
, 1. Een open vraag,
Open vraag: vraag die je niet simpelweg met ja of nee beantwoord kan worden. Formuleren als open
vraag om te voorkomen dat overhaaste conclusies getrokken worden voordat het onderzoek is
uitgevoerd → start met: wat, hoe, in welke mate
2. Die de unit of analysis van de studie identificeert en
Unit of analysis: de entiteit die het onderzoek bestudeert; focus van de studie.
Subjecten: entiteiten die een studie bestudeert.
Entiteiten die de unit of analysis kunnen zijn in een bedrijfseconomisch onderzoek:
Individuen; consumenten, investeerders, CEO's.
Bedrijven; multinationals, SME's.
Groepen; raden van bestuur, allianties, industrieën.
Dingen; producten, merken, aandelen.
Geografische eenheden; steden, regio's, landen.
Unit of analysis kan een lager of hoger aggregatieniveau hebben; collegezaalniveau vs studentniveau.
3. Die geformuleerd is in termen van variabelen en relaties.
Variabelen vormen de kern van een onderzoek. Kenmerk: ze variëren → een variabele neemt
minstens 2 waarden of levels aan in een onderzoek.
Variabelen kunnen op 3 manieren variëren:
1. Tussen subjecten; op hetzelfde moment in de tijd.
2. Over de tijd; binnen hetzelfde subject.
3. Tussen subjecten en over de tijd.
Constante: iets wat zou kunnen variëren maar 1 level heeft in een studie.
Een probleemstelling drukt de relatie tussen minstens 2 variabelen uit.
Eenvoudigste probleemstelling: hoe 1 variabele gerelateerd is aan een andere variabele.
Uitgebreidere probleemstelling: hoe meerdere variabelen gerelateerd zijn aan 1 andere variabele.
Probleemstelling: beschrijft een volledig onderzoek in 1 vraag. Meestal worden probleemstellingen
niet alleen geformuleerd in termen van de relatie tussen 2 variabelen, maar wordt ook aangegeven
hoe de relatie tussen deze 2 variabelen afhangt van een derde variabele: modererend effect.
Managers willen ook weten onder welke condities X en Y gerelateerd zijn (niet alleen de mate waarin
een variabele X gerelateerd is aan een variabele Y).
VAN PROBLEEMSTELLING NAAR ONDERZOEKSVRAGEN
Wanneer een probleemstelling 1 of meer modererende effecten bevat, wordt ze al snel moeilijk om
te lezen. I.p.v. 1 veel te complexe vraag te formuleren → meerdere deelvragen (onderzoeksvragen).
Gebruik deze:
Correlationele beweringen:
X is gerelateerd aan Y.
X is geassocieerd met Y.