1. LEERDOELEN
- 85% spontane AH < 10-30 sec
- 10% reageert tijdens droogwrijven en “tactiele stimuli”
- 5% is reanimatie behoeftig
o 3% initieert inflatie beademing
o 2% heeft nood aan intubatie als ondersteuning
▪ < 0,3% thoraxcompressies
▪ < 0,05% nood aan medicatie
Meest voorkomend probleem is een hypoxische slappe bewusteloze pasgeborene.
De nood aan reanimatie is vaak niet voorspelbaar
- Een systemische benadering in de opvang van de natte pasgeborene in de eerste 10-20 minuten op een competente
wijze
- Herhalen / aanleren van skills op vlak van luchtwegmanagement, ondersteuning van de ventilatie en circulatie (ABC)
Iedereen die regelmatig aanwezig is bij bevallingen moet specifieke vaardigheden beheersen om een basisreanimatie op te
starten.
Reanimatiedomeinen
- NLS: neonatale life support → na de transitie tot eerste levensuur
- EPALS: pediatrische life support → vanaf 1u na transitie tot tekenen van puberteit of 18j
- ALS: advanced lift support volwassenen → vanaf 18j of tekenen van puberteit
2. PLAN VAN AANPAK
2.1. FYSIOLOGISCHE PROCESSEN
- Baby kan acidose overleven en zichzelf reanimeren
- Hart komt zelden in de problemen
- Wat wij vooral moeten doen: airway management, op voorwaarde dat we warmte en een vrije luchtweg voorzien!
2.2. OPVANG VAN DE PASGEBO RENE
(antenatal counselling) → team briefing en equipment check – controle en kennis over de werking!
- Warme ruimte 23°C – 25°C - Beademingsballon
- Klok - Larynxmasker
- Reanimatietafel of stevige stabiele ondergrond - Intubatiemateriaal
- Droge warme handdoeken, muts, plastiekzak - Stethoscoop
- Oropharyngeale of nasopharyngeale device - Mediatie
- Uitzuigkatheters - Zuurstoftoedieningssysteem
Airway, Neopuff – instellingen
- ≥ 32w: 5 inflatiebeademingen met een inspiratoire druk (PIP) van 30, PEEP 5cm H2O en 21% O2
- 28-32w: 5 inflatiebeademingen met een inspiratoire druk van 25, PEEP 5cm H2O en 21-30% O2
- < 28w: 5 inflatiebeademingen met een inspiratoire druk van 25, PEEP 5cm H2O en 30% O2
- NLS België
o > 32w: 5 inflatiebeademingen met een inspiratoire druk (PIP) van 30, PEEP 5cm H2O en 21% O2
o < 32w: 5 inflatiebeademingen met een inspiratoire druk van 25, PEEP 5cm H2O en 30% O2
, 2.2.1. BIRTH – DELAY CORD CLAMPINF IF POSSIBLE
Indien niet reanimatie behoeftig wacht 60 sec met afklemmen van de navelstreng → idealiter tot de longen zijn geopend.
Melken van de navelstreng kan overwogen worden bij een ZWS-duur > 28 weken → placentaire transfusie.
2.2.2. WARMTE
Tochtvrije ruimte, omgevings-T° 23-25°C
Voor baby’s met een ZWS-duur ≤ 32w dient de T° van de omgeving > 25°C te zijn.
- Droog af, zorg voor warme doeken → tactiele stimulatie
- Bedek het hoofd met een muts
- Stralingswarmte / warmtebron
- Huid op huidcontact indien niet reanimatie behoeftig
2.2.3. INITIËLE BEOORDELING
HAKT = hartfrequentie, ademhaling, kleur en tonus
Ademt de baby: frequentie, diepte, symmetrie, arbeid
- Adequaat
- Inadequaat / abnormaal patroon
- Afwezig
Bepaal de HF adhv een stethoscoop
- Snel (≥ 100/min) – voldoende
- Traag (60 – 100/min) – intermediair, mogelijks hypoxie
- Zeer traag / afwezig (< 60/min) – kritisch, hypoxie zeer waarschijnlijk
Bij de pasgeborene is obstructie van de luchtweg meestal het gevolg van tonusverlies van de farynx en niet als gevolg van
een corpus alienum.
Focus op positioneren vrije luchtweg en niet op aspireren!
2.2.4. AIRWAY
Inflatie > 32w
- 5 inflatiebeademingen
o Inspiratietijd 2-3 sec = traag (PEEP = 5) o Op kamerlucht = FiO2 21%
o Aanvangsdruk 30 cm H2O (neo-puff) o Geef 5 inflatie beademingen
- Controleer
o Thoraxexcursies tijdens inflatie o Hartactie na inflatie
- Indien geen thoraxexcursies of stijgende hartactie
o Herpositioneer het hoofd
o Gebruik hulpmiddelen en controleer de luchtweg
- Outcome = stijging hartactie en SpO2
Maskerpositie
- P–P–P
o Position (uitlijnen, afrollen, controle)
o Pressure
o Pulling
- Vermijd druk op weke delen → luchtwegobstructie
- Vermijd druk op de ogen → bradycardie
Evaluatie
- Thoraxexcursies kunnen zichtbaar zijn
o Eerste 2 – 3 zullen alleen vocht verplaatsen
o Bij prematuur niet altijd duidelijk zichtbaar
- Stijgende SpO2 = monitor
- Stethoscoop = hartactie → bij respons hartslag = longen zijn geïnfleerd
- ECG = monitor
- Verandering van kleur