Jurisprudentielijst Staats- en bestuursrecht
College 1 – De persoon als burger en de rechten van de burger
- HvJ EG 12 september 2006, nr. C-300/04, ECLI:EU:C:2006:545 (Eman &
Sevinger/B&W Den Haag)
De voorwaarden in de Kieswet zijn in strijd met het beginsel van gelijke behandeling
Eman en Sevinger woonden op Aruba. Zij wilde deelnemen aan de EP verkiezingen.
De NL kieswet stond daaraan in de weg; op grond van art. b1 Kieswet werden de
Antillen en Aruba van het kiesrecht uitgesloten. Zij hadden op grond van dit artikel
namelijk geen stemrecht voor de Tweede Kamer, wat een vereiste was om deel te
nemen aan de verkiezingen voor het EP.
HvJEU: Voorwaarden voor kiesrecht zijn toegestaan, maar het beginsel van gelijke
behandeling mag daaraan niet in de weg staan. De criteria op grond van de Kieswet
brengen met zich mee dat onderdanen die zich in vergelijkbare situaties bevinden,
zonder objectieve rechtvaardiging ongelijk worden behandeld. Het kiesrecht komt dus
ook aan de inwoners van Aruba toe.
Gevolg: wijziging Kieswet
- HvJ EU 2 maart 2010, nr. C-135/08, ECLI:EU:C:2010:104 (Rottmann)
Intrekking (EU-) nationaliteit moet in overeenstemming zijn met het
evenredigheidsbeginsel
Rottmann was een Oostenrijks staatsburger. Hij werd verdacht van fraude en er liep
een strafrechtelijk onderzoek. Hij verhuisde naar Duitsland en verkreeg een nieuwe
nationaliteit, de Duitse. Hij had verzwegen dat er een strafrechtelijk onderzoek naar
hem liep. Het gevolg hiervan is dat zijn oude nationaliteit, de Oostenrijkse, is
vervallen. De Duitse autoriteiten komen erachter en zien dit als aanleiding om de
naturalisatie met terugwerkende kracht in te trekken. Hij wordt hierdoor staatloos.
HvJEU: Lidstaat bepaald zelf de voorwaarden waaronder iemand de nationaliteit kan
verkrijgen. Het Unierecht, (art. 20 VWEU) verzet zich er niet tegen dat een lidstaat de
nationaliteit intrekt wanneer deze door bedrog wordt verkregen, mits deze
intrekkingsbeslissing in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.
- HvJ EU 8 maart 2011, nr. C-34/09, ECLI:EU:C:2011:124 (Ruiz Zambrano)
Een derdelander met BvdU kinderen kan geen verblijf worden ontzegd
Meneer was Colombiaans staatsburger. Hij vluchtte naar Belgie en vroeg daar asiel
aan en een tewerkstellingsvergunning. Dit werd afgewezen. Later kwamen zijn vrouw
en oudste kind, ook Colombianen. Ook bij hen werd een verblijfsstatus afgewezen. Zij
dreigden uitgezet te worden. Dan krijgen de 2 derdelanders een tweede en derde
kindje. Deze zijn geboren in Belgie, en zijn dus ook Unieburgers.
HvJEU: art. 20 VWEU moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een
lidstaat aan een derdelander, die kinderen van jonge leeftijd heeft en Unieburger zijn,
ten laste heeft, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar deze kinderen
verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten. Het verzet zich ook tegen het
weigeren van een arbeidsvergunning, aangezien dergelijke beslissingen de
betrokken kinderen het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van de
BvdU ontleende rechten ontzetten.
College 1 – De persoon als burger en de rechten van de burger
- HvJ EG 12 september 2006, nr. C-300/04, ECLI:EU:C:2006:545 (Eman &
Sevinger/B&W Den Haag)
De voorwaarden in de Kieswet zijn in strijd met het beginsel van gelijke behandeling
Eman en Sevinger woonden op Aruba. Zij wilde deelnemen aan de EP verkiezingen.
De NL kieswet stond daaraan in de weg; op grond van art. b1 Kieswet werden de
Antillen en Aruba van het kiesrecht uitgesloten. Zij hadden op grond van dit artikel
namelijk geen stemrecht voor de Tweede Kamer, wat een vereiste was om deel te
nemen aan de verkiezingen voor het EP.
HvJEU: Voorwaarden voor kiesrecht zijn toegestaan, maar het beginsel van gelijke
behandeling mag daaraan niet in de weg staan. De criteria op grond van de Kieswet
brengen met zich mee dat onderdanen die zich in vergelijkbare situaties bevinden,
zonder objectieve rechtvaardiging ongelijk worden behandeld. Het kiesrecht komt dus
ook aan de inwoners van Aruba toe.
Gevolg: wijziging Kieswet
- HvJ EU 2 maart 2010, nr. C-135/08, ECLI:EU:C:2010:104 (Rottmann)
Intrekking (EU-) nationaliteit moet in overeenstemming zijn met het
evenredigheidsbeginsel
Rottmann was een Oostenrijks staatsburger. Hij werd verdacht van fraude en er liep
een strafrechtelijk onderzoek. Hij verhuisde naar Duitsland en verkreeg een nieuwe
nationaliteit, de Duitse. Hij had verzwegen dat er een strafrechtelijk onderzoek naar
hem liep. Het gevolg hiervan is dat zijn oude nationaliteit, de Oostenrijkse, is
vervallen. De Duitse autoriteiten komen erachter en zien dit als aanleiding om de
naturalisatie met terugwerkende kracht in te trekken. Hij wordt hierdoor staatloos.
HvJEU: Lidstaat bepaald zelf de voorwaarden waaronder iemand de nationaliteit kan
verkrijgen. Het Unierecht, (art. 20 VWEU) verzet zich er niet tegen dat een lidstaat de
nationaliteit intrekt wanneer deze door bedrog wordt verkregen, mits deze
intrekkingsbeslissing in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.
- HvJ EU 8 maart 2011, nr. C-34/09, ECLI:EU:C:2011:124 (Ruiz Zambrano)
Een derdelander met BvdU kinderen kan geen verblijf worden ontzegd
Meneer was Colombiaans staatsburger. Hij vluchtte naar Belgie en vroeg daar asiel
aan en een tewerkstellingsvergunning. Dit werd afgewezen. Later kwamen zijn vrouw
en oudste kind, ook Colombianen. Ook bij hen werd een verblijfsstatus afgewezen. Zij
dreigden uitgezet te worden. Dan krijgen de 2 derdelanders een tweede en derde
kindje. Deze zijn geboren in Belgie, en zijn dus ook Unieburgers.
HvJEU: art. 20 VWEU moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een
lidstaat aan een derdelander, die kinderen van jonge leeftijd heeft en Unieburger zijn,
ten laste heeft, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar deze kinderen
verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten. Het verzet zich ook tegen het
weigeren van een arbeidsvergunning, aangezien dergelijke beslissingen de
betrokken kinderen het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van de
BvdU ontleende rechten ontzetten.