Major/minor klinische psychologie
60 oefententamen, inclusief casusvragen
Antwoordenformulier aan het einde
Tilburg university bachelor psychologie
, Vraag 1
Welke uitspraak past het best bij het contextuele model van Wampold?
A. Positieve verwachtingen ontstaan voornamelijk nadat symptomen afnemen
B. Een geloofwaardige rationale ondersteunt verwachtingen en bevordert
gedragsverandering
C. De therapeutische alliantie voorspelt behandeluitkomsten alleen bij langdurige therapie
D. Gedragsverandering ontstaat vooral door protocoltrouw
Vraag 2
Een cliënt interpreteert neutrale feedback van de therapeut consequent als afwijzing. Welk
concept sluit hier het best bij aan?
A. Correctieve emotionele ervaring
B. Therapeutische alliantie
C. Overdracht
D. Remoralisatie
Vraag 3
Welke interventie vergroot het meest direct self-efficacy?
A. Het succesvol uitvoeren van haalbare gedragsmatige stappen
B. Het aanbieden van een alternatieve probleemuitleg
C. Het bespreken van overeenstemming over therapiedoelen
D. Het analyseren van negatieve verwachtingen over therapie
Vraag 4
Welke uitspraak over angstig-vermijdende hechting in therapie is het meest accuraat?
A. Deze cliënten profiteren voornamelijk van emotioneel-expressieve interventies
B. Deze cliënten ervaren meestal weinig problemen met epistemisch vertrouwen
C. Deze cliënten ontwikkelen vaak snel een sterke afhankelijkheid van de therapeut
D. Deze cliënten tonen relatief vaak relationele afstand en nadruk op controle
Vraag 5
Welke bevinding vormt de sterkste nuance op het Dodo Bird verdict?
A. Verschillende therapieën leiden vaak tot vergelijkbare uitkomsten via mogelijk
verschillende mechanismen
B. Onderzoek toont dat specifieke technieken volledig irrelevant zijn voor
behandeluitkomsten
C. Gemeenschappelijke factoren verklaren uitsluitend placebo-effecten
D. Verschillen tussen therapieën verdwijnen wanneer protocollen strikt gevolgd worden
Vraag 6
Welke situatie illustreert het best een correctieve emotionele ervaring?