Hc 1 Lymfestelsel, immuniteit en warmteregulatie
Afweer:
• Schimmels
• Bacteriën
• Virussen
• Lichaamsvreemde stoffen
• Wormen en protozoa
• Cellen met verkeerde delingen
• Donororgaan
Virussen
Bestaan uit nucleïnezuur en eiwitten, dit is
vergelijkbaar met DNA of RNA.
Virussen leven binnen een cel en vernietigen die, ze
kunnen zich alleen binnen een levende cel
voortplanten.
Bacteriën
Bacteriën zijn eencellig, vermenigvuldigen zich in de interstitiële vloeistof, er is
behandeling met antibiotica mogelijk. Je kan resistent worden tegen een bacterie.
Parasieten
Protozoa
Protozoa zijn eencellig en kunnen zelfstandig leven maar ook parasitair.
Wormen
Wormen leven parasitair
Een infectie wordt veroorzaakt door een binnendringer en een ontsteking is een reactie
hierop van het lichaam.
Antigenen
Immuunrespons wordt in gang gezet door antigenen:
Het zijn lichaamsvreemde stoffen (vaak eiwitten), hierdoor maakt het lichaam
antilichamen.
VB van antigenen:
• Deel van virus
• Eiwit op celmemnraan van erytrocyt of bacterie
• Pollen
• Enz
,Immuunsysteem
Het immuunsysteem bestaat uit:
• Huid
• Epitheel van ademhalingstelsel, slijmvliezen, spijsverteringsstelsel, urinair
stelsel etc
• Lymfestelsel
- Milt
- Thymus
- Lymfeknopen
• Bloed
5 symptonen van een ontsteking
• Roodheid
• Zwelling
• Pijn
• Warmte
• Functie verlies
Leukocyten
Leukocyten zijn witte bloedcellen en worden onderverdeeld in:
• Granulocyten
• Lymfocyten
• Monocyten
Lymfocyten en monocyten worden ook wel agranulocyten genoemd.
Alle soorten leukocyten spelen een rol bij de afweer van het lichaam tegen bacteriën,
virussen en lichaamsvreemde eiwitten.
Natuurlijke immuniteit
Ook wel de niet-specifieke immuniteit genoemd, omdat deze tegen elke soort
binnendringen is gericht. Van dit systeem maken cellen en eiwitten deel uit.
- Fagocyten
- Naturalkillercellen of NK- cellen
- Mestcellen
- Eusinofiele granulocyten
De belangrijkste fagocyten zijn: Neutrofiele granulocyten en macrofagen.
Naturalkillercellen/NK-cellen
zijn speciale lymfocyten die kunnen herkennen wanneer een lichaamscel geïnfecteerd is
door een virus, ze kunnen deze cel dan vernietigen. Naturalkillercellen hoeven niet eerst
in contact te komen met en antigeen om een geïnfecteerde cel te kunnen vernietigen.
Mestcellen zetten een ontstekingsreactie in gang doordat ze histamine vrijmaken,
gevolg hiervan is zwelling en het aantrekken van neutrofielen naar de plaats van de
ontsteking.
Granulocyten
• Neutrofiele granulocyten
, Nemen bacteriën op en vernietigen die, dit noem je fagocytose.
Ze blijven zelf levend, als ze wel doodgaan ontstaat er pus.
• Eosinofielen granulocyten
Fagocyteren van antigeen-antilichaam complex.
Bestrijden van wormen en parasieten.
Allergieën
• Basofiele granulocyten
Produceren heparine en histamine, zorgen voor een lokale reactie op de plaats
van een ontsteking zoals vaatverwijding en zwelling.
Monocyten
Monocyten in milt, lever en lymfeknopen veranderen in macrofagen, ze hebben dezelfde
functie als neutrofielen, ze nemen bacteriën ( en grote partikels) op en fagocyteren die.
Diapedese: verplaatsing van leukocyt door de vaatwand
IN HET KORT
Natuurlijke immuniteit:
• Neutrofiele granulocyten
Fagocytose van bacterien
• Eusinofiele granulocyten
Bestrijden van wormen en wormachtige parasieten
Fagocyteren het antigeen-antilichaam complex
alergien
• Basofiele granulocyten
Produceren histamine en heparine, zorgen voor lokale reactie op de plaats van
ontsteking.
• Monocyten
Veranderen in milt, lever en lymfeknopen in macrofagen, fagocyteren bacterien
en grote parikels.
• Mestcellen
Bindweefselcel vergelijkbaar met een leukocyt, maken hystamine -> lokale
reactie.
• Lymfocyten-NK cellen,
Herkent natural killer
, Verworven immuniteit
Is gericht op bepaalde micro-organismen, ze hebben geheugen.
Lymfocyten:
B-Lymfocyten
Ontwikkelen zich in het beenmerg, ze zorgen voor humorale immuniteit, ze produceren
antilichamen die in het bloed terechtkomen. Deze antilichamen zijn gericht op
antigenen (lichaamsvreemde stoffen).
T- lymfocyten ontwikkelen zich in de thymus en produceren cytokinen (Oftewel t-helper
cellen). Het zijn cytotoxische cellen( celdodende cellen). T-lymfocyten zorgen voor de
cellulaire immuniteit, als cellen rechtstreeks betrokken zijn bij het onschadelijk maken
van binnengedrongen lichaamsvreemde stoffen.
B-lymfocyten en antilichamen
Wanneer een B-lymfocyt is geactiveerd door een binnengedrongen antigeen, verandert
het in een plasmacel en gaat antilichamen produceren. Dit zijn eiwitten ->
immunoglobulinen, de bekendste zijn IgG, IgM, IgA.
Ook veranderen ze later in geheugencellen, blijven in rusttoestand in lymfoide weefsels
en worden geactiveerd bij nieuwe binnendringers, reageren snel en veel bij allergie.
2 functies:
• Binden aan een antigeen
• Reactie veroorzaken waardoor fagocyterende cel de binnendringer vernietigt.
IgG: Geheugen
- Blijven lang aanwezig in bloedplasma
- Grootste groep 80%
- Kunnen de placenta passeren en zorgen voor passieve immuniteit van de
foetus.
- Hemolytische aandoeningen ( denk aan bloedgroepen)
- Kunnen de immuniteit aantonen (titerbepaling)
IgM:
- Ontstaan kort na een infectie
- Tonen de recente infectie aan
- Concentratie neemt af als het IgG stijgt
IgA:
- Zit in klierproducten