Open Universiteit
The Student’s Guide to Cognitive Neuroscience (ed. 5) & Brightspace
Nederlandse Samenvatting
Gemaakt door Saartje Koning
Inhoud
Persoonlijke noot ............................................................................................................. 1
Hoofdstuk 2 – Introductie van het brein .............................................................................. 3
Hoofdstuk 6 – Het ontwikkelde brein .................................................................................. 8
PDF – Kolb & Wishaw: Development of the human brain .....................................................15
Hoofdstuk 3 – het elektrofysiologische brein .....................................................................23
Hoofdstuk 4 – het brein in beeld gebracht ..........................................................................29
Hoofdstuk 8 – het horende brein .......................................................................................34
Hoofdstuk 9 – het oplettende brein ...................................................................................48
Hoofdstuk 10 – het handelende brein ................................................................................59
Hoofdstuk 11 – het herinnerende brein..............................................................................72
Hoofdstuk 15 – het executieve brein..................................................................................87
Hoofdstuk 16 – het sociale en emotionele brein .................................................................96
PDF Frith – how we predict what other people are going to do ........................................... 104
Cheatsheets: ................................................................................................................ 108
Persoonlijke noot
Welkom bij mijn samenvatting! Ik ben iemand die van opsommingen, een duidelijk overzicht en
puntsgewijs leren houdt. Voor dit tentamen heb ik een 8,6 gehaald en jij kan dit ook! Aan het
einde van mijn samenvatting heb ik mijn zogenoemde ‘cheatsheets’ toegevoegd. Dit is een zeer
korte samenvatting met de kernpunten per hoofdstuk én associaties tussen bepaalde woorden
om het leren makkelijker te maken. Ik heb een bladzijde hieronder als voorbeeld gegeven. Deze
cheatsheets leer ik 2 a 3 dagen voor het tentamen totdat alles erin zit. Ik wens je veel succes met
dit vak!
,Voorbeeld cheatsheet:
,Hoofdstuk 2 – Introductie van het brein
Het proces van een actiepotentiaal:
1. NA+ kanalen openen zich wanneer er een positief signaal van voldoende sterkte door het
axonmembraan stroomt
2. NA+ (natriumionen) komen naar binnen en verminderen de negatieve lading in de cel
(=depolarisatie). Bij ongeveer -50mV wordt het membraan volledig doorlaatbaar. Deze
plotselinge depolarisatie en de repolarisatie vormt de actiepotentiaal
3. K+ stroomt naar buiten en herstelt de negatieve potentiaal in de cel en de NA+ kanalen
gaan ook weer dicht
4. Er is een korte periode van hyperpolarisatie, waarbij de binnenzijde negatiever is dan in
rusttoestand. Dat maakt het moeilijker voor de axon om meteen te depolariseren en
voorkomt dat het actiepotentiaal terugkomt
3 soorten witte stof kanalen:
1. Associatie kanalen
= kanalen die liggen tussen corticale regio’s binnen dezelfde hemisfeer
2. Commissuren
= kanalen die liggen tussen corticale regio’s in verschillende hemisferen
• Corpus Callosum = verbindt de twee hemisferen met elkaar
3. Projectie kanalen
= kanalen die liggen tussen corticale en
subcorticale structuren
4 ventrikels in de hersenen:
1. Laterale ventrikel
→ In elk halfrond
2. Derde ventrikel
→ Rond de subcorticale structuren
3. Vierde ventrikel
→ In de hersenstam
3 functies van de cerebrospinale vloeistof (CSF) wat in ventrikels zit:
1. Afvalstoffen overbrengen
2. Signalen overbrengen
3. Bescherming bieden aan het brein
Hiërarchische organisatie van het centraal zenuwstelsel:
1. Hersenen
a. Voorhersenen
i. Cerebrum (telencephalon)
1. Cerebrale cortex
a. Frontaal
b. Temporaal
c. Pariëtaal
d. Occipitaal
2. Limbisch systeem (subcortex)
a. Cingulate cortex
b. Hippocampus
c. Amygdala
3. Basale Ganglia (subcortex)
a. Nucleus caudatus → striatum
, b. Putamen → striatum & nucleus lentiformis
c. Globus Pallidus → nucleus lentiformis
ii. Diencephalon (subcortex)
1. Thalamus
2. Hypothalamus
3. Mammillaire lichamen
b. Middenhersenen
i. Substantia nigra
ii. Superieure en inferieure colliculi
c. Achterhersenen
i. Cerebellum (kleine hersenen)
ii. Pons
iii. Medulla oblongata
2. Ruggenmerg
3-dimensionaal navigeren rond de hersenen:
1. Voor en achter
a. Anterieur of rostraal (kant van de neus)
= voorkant
b. Posterieur of caudaal (kan van de staart)
= achterkant
2. Boven en onder
a. Superieur of dorsaal
= bovenkant
b. Inferieur of ventraal
= onderkant
3. Buiten en binnen
a. Lateraal
= buitenkant
b. Mediaal
= binnenkant of in het midden
4 termen van secties van de hersenen in tweedimensionale doorsnede:
1. Coronale sectie
= doorsnede in het verticale vlak door beide
hersenhelften
2. Sagittale sectie
= doorsnede in het verticale vlak door een hersenhelft
3. Mediale sectie
= doorsnede tussen beide hemisferen
4. Axiale sectie
= doorsnede in het horizontale vlak
1. Hersenen
a. Voorhersenen
i. Cerebrum (telencephalon)
1. Cerebrale cortex
2. Limbisch systeem (subcortex)
3. Basale ganglia (subcortex)
Cerebrale Cortex
3 corticale gebieden:
1. Neocortex
, = groot gedeelte van de cortex wat bestaat uit 6 lagen
2. Mesocortex
• Cingulate gyrus
• Insula
3. Allocortex
• Reukcortex
• Hippocampus
De scheidslijn tussen kwabben is soms heel duidelijk en soms niet.
• Spleet van Sylvio = scheiding tussen de frontale en temporale kwab
4 manieren waarop je de gebieden van de cerebrale cortex kunt verdelen en labelen:
1. Patroon van Gyri (hobbels) en Sulci (groeven)
= iedereen heeft hetzelfde patroon van gyri en sulci waardoor je hersengebieden op die
manier kan indelen
2. Celstructuur
= verdeling naar de distributie van verschillende cel soorten over de corticale lagen
o Brodman’s areas = verdeling van de cortex in 52 gebieden gelabeld van BA1 tot
BA52 → invloedrijke manier om de cerebrale cortex te verdelen en labelen
3. Functie
= alleen gebruikt voor de primaire zintuiglijke en motorische gebieden, want aan hogere
corticale gebieden kunnen onmogelijk unieke functies worden gelabeld
4. Connectiviteit
= hersengebieden verschillen qua connectiviteitsprofiel (= zwak of sterk verbinden met
andere regio’s) en MRI-technieken kunnen deze verbindingen in beeld brengen
Subcortex
= onder het corticale oppervlak en de tussenliggende witte stof, ligt een verzameling kernen van
grijze stof. Dit is de subcortex.
3 systemen van de subcortex:
1. Basale Ganglia
= grote afgeronde massa’s die in elke hersenhelft te vinden zijn. Ze omgeven de thalamus
in het midden van het brein
o Functie 1 → reguleren van beweging, programmeren en beëindigen van actie
▪ Stoornissen → hypokinetisch (bewegingsarmoede, ziekte van Parkinson)
of hyperkinetisch (overmatig bewegen, ziekte van Huntington)
o Functie 2 → aanleren van beloningen, vaardigheden en gewoonten
o Werking → de caudate nucleus en putamen leiden corticale input naar de
globus pallidus wat is verbonden met de thalamus. Deze circuits verhogen of
verlagen de waarschijnlijkheid en intensiteit van bepaald gedrag
2. Limbisch systeem
= belangrijk voor de interactie met de omgeving op basis van huidige behoeften, situatie
en voorgaande situaties.
o Functie → waarnemen en uitdrukken van emotie
o 5 onderdelen:
▪ Amygdala → bedreigingen
▪ Cingulate Gyrus → emotionele en cognitieve conflicten
▪ Hippocampus → leren en geheugen
▪ Mammillaire lichamen → geheugen
, ▪ Olfactorische reukkolven → reuk is belangrijk voor het detecteren van
belangrijke stimuli en de invloed ervan op de stemming en geheugen
3. Diëncefalon
1. Thalamus
= twee onderling verbonden eivormige gedeelten in het midden van de hersenen
▪ Functie → verdeelstation tussen zintuigen en cortex (behalve reuk)
▪ Verbonden met → bijna alle delen van de cortex en de basale ganglia
2 onderdelen van Thalamus:
1. Laterale geniculate nucleus = verbinding met visuele cortex
2. Mediale geniculate nucleus = verbinding met auditieve cortex
2. Hypothalamus (homeostase)
= ligt onder de thalamus en bestaat uit verschillende kernen en functies van het
lichaam → honger, dorst, lichaamstemperatuur
▪ Beschadiging → eet- en drinkstoornissen, vroegrijpe puberteit,
dwerggroei en gigantisme
Middenhersenen
3 onderdelen van de middenhersenen:
1. Superior Colliculi
= kernen in de middenhersenen die deel uitmaken van een subcorticale sensorische
verbinding van het programmeren van snelle oogbewegingen. Het integreert informatie
van zicht, gehoor en tast
2. Inferior Colliculi
= Kernen in de middenhersenen die deel uitmaken van een subcorticale auditieve
verbinding/verwerking
3. Substantia Nigra
= verbonden met de basale ganglia
o Celverlies → ziekte van parkinson
De inferieure en superieure colliculi voorzien een snelle route die snelle oriëntatie t.o.v. het
stimuli mogelijk maakt voordat deze bewust worden gehoord of gezien
Achterhersenen
3 onderdelen van de achterhersenen:
1. Cerebellum (kleine hersenen)
= sterke grijze stof van de middenhersenen die vastzit aan de achterhersenen met twee
onderling verbonden kwabben. Bewegingscommando’s worden geïntegreerd met
zintuiglijke feedback over de huidige toestand.
o Functie → behendigheid en soepele beweging
o Unilaterale beschadigingen → slechte coördinatie aan dezelfde kant van het
lichaam als de beschadiging
o Bilaterale beschadigingen → onvaste tred, onduidelijke spraak en heen en weer
bewegen met de ogen
2. Pons
= gedeelte van de achterhersenen dat de verbinding vormt tussen het cerebellum en het
cerebrum. De pons ontvangt informatie van visuele gebieden om oog- en
lichaamsbewegingen te controleren
3. Medulla oblongata
= gedeelte van de achterhersenen dat vitale functies reguleert zoals ademhaling, slikken,
hartritme en de slaap-waakcyclus
,Dysartrie = onduidelijke spraak
Nystagmus = ogen die heen en weer bewegen
Brightspace 1
Afbeelding 1:
Blauw = temporaal
Geel = occipitaal
Oranje = frontaal
Groen = pariëtaal
Afbeelding 2:
1 = caudate
2 = putamen
3 = amygdala
4 = globus pallidus
Wat is de overkoepelende term voor deze structuur?
→ Basale ganglia
Met welke functies is deze structuur geassocieerd?
→ motoriek en beweging; de controle van bewegingen, leren van vaardigheden en leren op basis
van beloning
2
Extra brightspace info:
Wat is witte stof?
→ axonen en glia
Wat is grijze stof?
→ cellichamen
Bevatten zowel de witte als de grijze stof myeline?
→ alleen de witte stof
Welke verschillende soorten witte stof tracts bestaan er?
1. Commissures
2. Projection tracts
3. Association tracts
Anterior = voor
Posterior = achter
Dorsal / superieur = boven
Ventral / inferieur = onder
Lateral = buiten
, Medial = binnen
Ezelsbruggetjes:
• A voor P (anterior is voor, posterior is achter)
• Ventraal (V wijst naar beneden, dus onder)
• Dorsaal (d is omgedraaid een b, dus boven)
Afbeelding 3:
1= dendriet
2 = axonheuvel
3 = knoop van Ranvier
4 = axon terminal
5 = Schwann-cellen (perifere zenuwstelsel)
6 = myeline
7 = celkern (nucleus)
Afbeelding 4:
0=rustpotentieel
1=depolarisatie 3
2=>0mV
3=actiepotentieel
4=repolarisatie
5=hyperpolarisatie
6=terugkeer rustpotentieel
4
Hoofdstuk 6 – Het ontwikkelde brein
Nature-nurture debat door de jaren heen:
1. Galton
= erfelijkheid
2. Freud
= vroege ervaringen en opvoedstijl
3. Vygotsky
= cultuur en communicatie
4. Skinner
= leren door beloningen en straffen
5. Piaget
= cyclisch proces van interacties tussen het kind en de omgeving
4 neurocognitieve technieken voor kleuters en kinderen:
1. Functionele MRI