Hoofdstuk 1 - Leefomgeving: Wateroverlast
Gebaseerd op de aangeleverde leerstof uit AK H1. De volgorde van de paragrafen is aangehouden.
Introductie
Nederland krijgt door klimaatverandering vaker te maken met twee waterproblemen tegelijk: te veel water in korte
tijd en te weinig water in droge perioden. Hevige neerslag kan zorgen voor wateroverlast en een groter
overstromingsrisico. Langere droge perioden veroorzaken watertekorten en waterschaarste. In dit hoofdstuk leer
je hoe rivieren werken, hoe menselijk handelen rivieren heeft veranderd en welke maatregelen Nederland neemt om
veilig te blijven en voldoende zoetwater te houden.
1.1 Rivieren: de natuur
De grootste rivieren in Nederland zijn de Rijn en de Maas. Door klimaatverandering krijgen deze rivieren soms veel
meer water en op andere momenten veel minder water te verwerken. Dat kan leiden tot natte voeten, maar ook tot
waterschaarste.
De loop van een rivier
Een rivier bestaat uit een hoofdrivier met zijrivieren. Samen vormen zij het stroomstelsel. Het gebied waarbinnen
regenwater, smeltwater en soms grondwater via de rivier naar zee stroomt, heet het stroomgebied. De grens tussen
twee stroomgebieden heet de waterscheiding. Dit is meestal een hoger deel in het landschap, bijvoorbeeld een
heuvelrug of gebergte.
Het lengteprofiel is een doorsnede van een rivier vanaf de bron tot de monding. Daarin herken je drie delen:
- Bovenloop: het hoogste deel van de rivier, vlak bij de bron. Het verhang en het verval zijn groot, de stroomsnelheid
is hoog en er vindt veel erosie plaats. De rivier is vaak smal en stroomt door een diepe vallei.
- Middenloop: het middelste deel. Het landschap is lager en minder steil. De rivier stroomt langzamer, krijgt meer
ruimte en er ontstaan bredere dalen. De rivier voert vaak meer water af dan in de bovenloop.
- Benedenloop: het laatste deel tot aan de monding in zee. De rivier stroomt traag, kronkelt en zet veel sediment af. De
stroomsnelheid is laag en de rivier is breed.
Het hoogteverschil tussen twee punten langs de rivier heet het verval. Het hoogteverschil per kilometer heet het
verhang. De hoeveelheid water die op een bepaald punt per seconde langs stroomt, is het debiet of de waterafvoer.
Dit wordt uitgedrukt in kubieke meter per seconde.
Soorten rivieren
Rijn en Maas zijn niet hetzelfde type rivier. Er zijn drie hoofdtypen:
- Een gletsjerrivier wordt vooral gevoed door smeltwater van gletsjers in de bergen. De waterafvoer is in het voorjaar
en de zomer vaak hoog, omdat sneeuw en ijs smelten.
- Een regenrivier wordt vooral gevoed door regenwater, dat via grondwater en zijrivieren in de rivier terechtkomt. De
Maas is hiervan een voorbeeld. De afvoer kan sterk schommelen.
- Een gemengde rivier krijgt water uit smeltwater en regenwater. De Rijn is hiervan een voorbeeld. Daardoor is de Rijn
gemiddeld regelmatiger dan de Maas.
De waterafvoer van de Maas wisselt sterk. In januari voert de Maas gemiddeld ongeveer 500 m3/s af. De Rijn voert
dan gemiddeld ongeveer 5000 m3/s af: ongeveer twee keer zoveel water als een olympisch zwembad per seconde.
Rivieren en klimaatverandering
Klimaatverandering heeft grote gevolgen voor Nederlandse rivieren. De belangrijkste veranderingen zijn:
Samenvatting AK H1 - Wateroverlast Pagina 1
, - De gemiddelde temperatuur stijgt. Door temperatuurstijging smelten gletsjers sneller. Op langere termijn wordt
minder water tijdelijk als ijs opgeslagen.
- Er valt vaker veel neerslag in korte tijd. Daardoor ontstaat een onregelmatiger neerslagregiem: de hoeveelheid
neerslag verschilt sterker door het jaar.
- De piekafvoer, dus de plotseling hoge afvoer van een rivier op een bepaald moment, komt vaker voor. Dit vergroot de
kans op overstromingen en wateroverlast.
- Droogteperioden worden langer. Door hogere temperaturen is er meer verdamping. Rivieren krijgen dan lagere
waterstanden, schepen kunnen minder lading meenemen en natuur en landbouw krijgen last van watertekorten.
Klimaatverandering veroorzaakt ook zeespiegelstijging. Als de zeespiegel hoger wordt, kunnen rivieren hun water
moeilijker kwijt aan zee. Daardoor neemt de kans op hoge rivierstanden en wateroverlast toe.
1.2 Rivieren: de invloed van de mens
Al eeuwenlang proberen mensen rivieren te beheersen met dammen, dijken, kribben, stuwen en sluizen. Die
maatregelen maken wonen, landbouw en scheepvaart mogelijk, maar kunnen ook nieuwe problemen veroorzaken.
Het dwarsprofiel van de rivier
Het dwarsprofiel van de rivier is de doorsnede van een rivier dwars op de stroomrichting. Vroeger stroomden
Nederlandse rivieren traag en kronkelend door het landschap. Bij hoge waterstanden overstroomde het gebied langs
de rivier en werd sediment afgezet. Daardoor werden de gronden vruchtbaar.
Mensen bouwden dijken om dorpen, steden en landbouwgrond te beschermen:
- Winterdijken: hoge dijken aan beide kanten van de rivier. Bij hoogwater stroomt het gebied tussen deze dijken onder
water.
- Uiterwaarden: het buitendijkse gebied tussen rivier en winterdijk. Dit gebied hoort bij het winterbed van de rivier en
kan bij hoogwater overstromen.
- Zomerdijk: lagere dijk langs de rivier die vooral in de zomer het water in het zomerbed houdt.
- Zomerbed: bedding waar de rivier in de zomer meestal doorheen stroomt.
- Buitendijks gebied: gebied buiten de winterdijken waar de rivier stroomt en kan overstromen.
- Binnendijks gebied: gebied achter de winterdijken, waar mensen wonen en werken.
Overstromingsrisico's
In vlak Nederland heeft de rivier weinig verhang en een lage stroomsnelheid. Daardoor gaat een rivier meanderen:
kronkelen. In de buitenbocht stroomt het water sneller en schuurt de oever uit; in de binnenbocht wordt sediment
afgezet. Meanders hebben nadelen:
- Het water is langer onderweg naar zee. Dat verhoogt het overstromingsrisico.
- Schepen leggen een langere route af. Dat maakt scheepvaart duurder en minder efficient.
Het overstromingsrisico is in de benedenloop het grootst, omdat daar de rivier het langzaamst stroomt en het laagste
land ligt. In Nederland liggen veel mensen en economische activiteiten achter dijken. Als het misgaat, is de schade
groot.
Aanpassingen binnendijks en buitendijks
Om rivieren beter bevaarbaar te maken en overstromingen te voorkomen heeft de mens veel ingrepen gedaan:
- Kanalisatie: het rechttrekken en reguleren van een rivier, zodat de rivier een kortere en beter bevaarbare loop krijgt.
- Kribben: stenen dammetjes dwars op de stroomrichting. Ze houden de hoofdstroom in het midden van de rivier,
waardoor de vaargeul diep genoeg blijft.
- Stuwen en sluizen: houden het waterpeil op voldoende hoogte, zodat scheepvaart mogelijk blijft.
- Ontbossing: door het verwijderen van bos kan regenwater minder goed worden vastgehouden. Water stroomt sneller
naar de rivier.
Samenvatting AK H1 - Wateroverlast Pagina 2