INLEIDING
WAT IS ETHIEK
Met ethiek neem je op rationele wijze een houding aan t.o.v een moreel probleem op basis van
redelijke argumenten
MOREEL PROBLEEM
morele problemen = situatie waarin een keuze gemaakt moet worden tussen wat juist of
onjuist is op basis van ethische principes (moeten of mogen)
→ eigenschappen
1. zorgt voor spanning
2. mening wordt verwacht
3. weinig consensus
4. normatief probleem
LET OP: elk moreel probleem is een normatief probleem, maar niet omgekeerd
HOUDING
houding = de manier waarop je omgaat met het moreel probleem
→ oplossing
→ nieuw probleem zien
→ zinvolle reflectie
→ benadering waardoor er geen probleem meer is
1
,RATIONELE WIJZE
Niet-rationele houdingen:
1. geloof en religieuze overtuigingen
- Plato (427-347 v.Chr)
→ heeft probleem met religieuze overtuiging al geformuleerd
→ socratische methode: bevragen & in problemen brengen ⇒ laten nadenken
→ dilemma van Euthyphro
= Euthyphro’s vader mishandeld slaven en hij wil met hem afrekenen.
Daarvoor moet hij uitleggen waarom de daden van zijn vader goed of
slecht zijn. Hij zegt dat de onrechtvaardigheid in strijd is met de wil van
de goden, maar verwijzing god overbodig
2. emoties / instincten / intuitie
→ ‘je suis un voleur (charleroi)
= incident waarbij krantenboer een dief aan paal vastbond en op hem schreef dat
hij een dief was, omdat politie hier niets aan deed en hef in eigen handen nam
3. feitelijke toestand
→ Naturalistische drogreden = verwarring van feitelijke toestand en moreel oordeel
feitelijke toestand normatief oordeel
verklaren rechtvaardigen
begrijpen aanvaarden
voorspellen verwerpen
beschrijvende termen (zijn) voorschrijvende termen (moeten)
voorbeeld van naturalistische drogreden:
- asbest is van oorspronkelijke ongerepte natuur (feitelijke toestand), het wordt verwacht
dat het goed is (normatief oordeel), toch is het schadelijk
- homoseksuele seks is vies, walgelijk (feitelijke toestand), er wordt verwacht dat iets dat
vies slecht en dus moreel verwerpelijk is (normatief oordeel). Toch is dit moreel aanvaard
- Bouchez vertelt dat de ‘bipper’ een geniale vondst is (feitelijke toestand), er wordt
verwacht dat als iemand iets geniaal vindt dat hij het aanvaard (normatief oordeel). Toch
kan iemand iets geniaal vinden en het niet goedkeuren.
MAAR: Rationele houdingen zijn moeilijk te aanvaarden
→ cognitieve dissonantie: mensen houden zich graag vast aan eigen overtuigingen
→ persoonlijk: iedereen heeft andere argumenten
2
,WAAROM VOLSTAAN DE MORELE VERMOGENS NIET?
morele vermogens:
1. empathie
→ pijnempathie = je wilt helpen als je iemand in pijn ziet
→ evolutie / ontstaan vanaf jonge leeftijd
1. global distress (0 - 0,5 jaar)
= fase waarbij baby de emotie overneemt (emotionele besmetting)
→ reactive crying (baby zal ook beginnen wenen als hij een andere baby hoort)
2. egocentrische empathie (0,5 - 1 jaar)
= fase waarbij kind dezelfde pijn zal ervaren, maar verwerpen
(bv. weglopen van het huilend kind)
3. quasi-egocentrische empathie (1 - 2 jaar)
= fase waar men hulp gaat zoeken, maar eerder voor eigen gevoelens
→ hulpreflex
om te testen of kind al in deze fase zit, gebruikt men cartoons:
4. waarachtige empathie (2 - 4 jaar)
= fase waar men hulp gaat zoeken dat de pijnlijdende kan helpen
→ theory of mind
Sally & Anne test:
→ kind moet onderscheid kunnen maken
tussen wat jij zelf denkt en wat de
andere persoon denkt
uitleg: Sally heeft een mand en Anne heeft
een doos. Sally legt een bal in haar mand en
vertrekt, Anne verlegt de bal van de mand
naar de doos. Waar zal Sally gaan kijken?
- kind > 4j: zal zeggen ‘in de mand’
- kind < 4j: zal zeggen ‘in de doos’
3
, 5. verdere ontwikkeling (4 - 7 jaar)
= fase waarin kind niet enkel kan inleven in pijn maar ook in andere emoties
2. fairness
→Frans De Waal: mensen op vlak van moraliteit geen originele wezens
→ 6 vormen van rechtvaardigheid van fairness
1. prosociaal vs altruïstisch
→ prosociale spel
prosociaal pesterig
links is het bakje met een voordeel, persoon
krijgt als eerst de keuze om een bakje te kiezen,
het overige bakje gaat naar de andere persoon
→ kiest men rechts ⇒ prosociaal
altruistisch egoistisch
Links bevind zich een bakje met een banaan en
een noot (banaan is de betere optie). Bakje 2
bevat 2 bananen en is dus de beste optie.
→ kiest men links ⇒ altruïstisch
2. negatieve vs positieve ongelijkheidsaversie
→ ongelijkheisspel
Er is een verdeler, deze krijgt de keuze om 10 voordelen te
verdelen. Hij moet dus beslissen hoeveel hij er zelf krijgt en
hoeveel de andere.
→ negatieve ongelijkheidsaversie
= ontevredenheid als je minder krijgt dan anderen
→ positieve ongelijkheidsaversie
= ontevredenheid als je meer krijgt dan anderen
3. tweedepersoons- vs derdepersoonbestraffing
→ ultimatumspel
bijzondere vorm van het ongelijkheidsspel waarbij de ene speler nog steeds
verdeeld (verdeler), de andere kan de verdeling accepteren of afwijzen
bv. 2 mensen zijn aan het wandelen en die vinden een zwarte tas met 1 miljoen. De ene
persoon mag kiezen hoe hij het verdeeld, hij wil natuurlijk niet dat hij minder krijgt, maar als hij
te veel aan zichzelf toegeëigend dan kan de andere weigeren en de politie bellen
4