PTA-toets Havo 4 - ingedeeld volgens hoofdstukken en paragrafen uit de lesbrief
Deze versie volgt de indeling van de lesbrief: hoofdstuk 1 Kiezen en hoofdstuk 2 Ruil, geld en banken. Alle begrippen van
de begrippenlijst zijn in de samenvatting vetgedrukt en uitgelegd. Achterin staat een extra begrippencheck en een
rekengedeelte.
Hoofdstuk 1. Kiezen
1.1 Kiezen
Economie begint met keuzes maken. Mensen hebben veel wensen, maar hun tijd, inkomen en middelen zijn beperkt.
Daardoor ontstaat schaarste: er zijn te weinig middelen om alle behoeften volledig te vervullen. Een behoefte is iets wat
mensen graag willen hebben of doen, bijvoorbeeld eten, wonen, vrije tijd, zorg, vakantie of een telefoon. Middelen zijn
zaken waarmee behoeften worden vervuld, zoals geld, tijd, arbeid, kennis, machines, grondstoffen en energie.
Veel middelen zijn alternatief aanwendbaar: hetzelfde middel kan voor meerdere doelen worden gebruikt. Een uur kan
worden gebruikt om te werken, leren of ontspannen. Een euro kan worden uitgegeven aan eten, kleding of sparen.
Omdat je een middel maar een keer kunt gebruiken, moet je kiezen.
Bij keuzes speelt de economie om je heen mee. Het consumentenvertrouwen geeft aan hoeveel vertrouwen
consumenten hebben in hun eigen financiele situatie en in de economie. Bij veel vertrouwen geven huishoudens sneller
geld uit. Bij weinig vertrouwen sparen ze meer of stellen ze aankopen uit. Dat kan de productie verlagen en de
werkloosheid laten stijgen.
De koopkracht geeft aan hoeveel goederen en diensten je met je inkomen kunt kopen. Als prijzen stijgen terwijl je
inkomen gelijk blijft, daalt de koopkracht. Inflatie is een stijging van het algemeen prijspeil. Bij inflatie wordt geld minder
waard. Hyperinflatie is extreem hoge inflatie waarbij geld zo snel minder waard wordt dat mensen het vertrouwen in geld
verliezen.
Consumeren betekent: goederen en diensten gebruiken om behoeften te bevredigen. Voorbeelden zijn eten kopen, naar
de kapper gaan of een abonnement gebruiken. Investeren betekent: productiemiddelen kopen die later helpen om te
produceren, zoals machines, computers, gebouwen of bedrijfsauto’s.
Rekenen bij 1.1: procenten en koopkracht
Procentuele verandering = (nieuw - oud) / oud x 100%. Bij een daling kun je ook (oud - nieuw) / oud x 100%
gebruiken en erbij zetten dat het een daling is.
Voorbeeld: de gasprijs stijgt van euro 0,80 naar euro 1,20. De stijging is (1,20 - 0,80) / 0,80 x 100% = 50%. Voor
koopkracht vergelijk je loonstijging met prijsstijging. Stijgt het loon 3% en stijgen de prijzen 5%, dan daalt de koopkracht
ongeveer 2%. Preciezer: 1,,05 - 1 = -1,9%.
1.2 Economie gaat over kiezen
Economie gaat niet alleen over geld, maar vooral over de manier waarop mensen omgaan met schaarse middelen. Niet
alles wat je wilt, kun je kopen of doen. Daarom moet je prioriteiten stellen. Een product of activiteit is economisch relevant
als er schaarse middelen voor nodig zijn.
Vrije goederen zijn goederen die niet schaars zijn en waarvoor je normaal niet hoeft te betalen, zoals lucht. De meeste
goederen in de economie zijn echter schaars. Ook tijd is schaars: een uur tv-kijken kun je niet tegelijk besteden aan
werken of leren.
Bij elke keuze horen opofferingskosten. Dat is de waarde van het beste alternatief dat je opgeeft. Koop je een
concertkaartje, dan kun je dat geld niet meer uitgeven aan kleding. Ga je werken, dan offer je vrije tijd op.
Opofferingskosten hoeven dus niet altijd geld te zijn; het kan ook tijd, rust of plezier zijn.
Een goede keuze is vaak de keuze waarbij de opbrengst of tevredenheid hoger is dan de opofferingskosten. Toch
kunnen mensen verschillend kiezen, omdat zij verschillende voorkeuren, inkomens en behoeften hebben.
Rekenen bij 1.2: opofferingskosten
Opofferingskosten van 1 extra product A = prijs van A / prijs van B. Je antwoord is dan uitgedrukt in het aantal
producten B dat je opgeeft.
Samenvatting Crisis - Havo 4 Economie Pagina 1
, Voorbeeld: brood kost euro 4 en chips euro 2. Als je 1 extra brood koopt, geef je = 2 zakken chips op. De
opofferingskosten van 1 brood zijn dus 2 zakken chips. Omgekeerd zijn de opofferingskosten van 1 zak chips = 0,5
brood.
1.3 Budgetlijn
Een budgetlijn laat alle combinaties van twee producten zien die je maximaal kunt kopen met een bepaald budget en
vaste prijzen. Punten op de budgetlijn gebruiken het hele budget. Punten onder de lijn zijn haalbaar, maar je houdt geld
over. Punten boven de lijn zijn niet haalbaar met het budget.
Als het budget stijgt, verschuift de budgetlijn naar buiten: je kunt meer kopen. Als een product duurder wordt, kun je van
dat product minder kopen. De budgetlijn draait dan naar binnen aan de kant van dat product. Als een product goedkoper
wordt, draait de lijn juist naar buiten.
Een budgetlijn maakt zichtbaar dat kiezen nodig is. Meer van het ene product betekent minder van het andere product.
De helling van de budgetlijn geeft dus de opofferingskosten weer.
Rekenen bij 1.3: budgetlijn tekenen en aflezen
Stap 1: bereken hoeveel je maximaal van product A kunt kopen: budget / prijs A. Stap 2: bereken hoeveel je
maximaal van product B kunt kopen: budget / prijs B. Stap 3: teken de twee uiterste punten en verbind ze.
Voorbeeld: budget euro 120, brood euro 4 en chips euro 2. Alleen brood: = 30 broden. Alleen chips: = 60
zakken. De budgetlijn loopt tussen 30 broden en 60 zakken chips. Een combinatie van 15 broden en 30 zakken chips
kost 15 x 4 + 30 x 2 = 120 en ligt op de budgetlijn. Een combinatie van 20 broden en 25 zakken chips kost 20 x 4 + 25 x 2
= 130 en is niet haalbaar.
1.4 Transfer
In deze paragraaf wordt de keuze tussen tijd en inkomen toegepast. Tijd is ook een schaars middel. Je kunt tijd gebruiken
als vrije tijd, maar ook om te werken en inkomen te verdienen. Kies je voor meer werkuren, dan stijgt je inkomen, maar
daalt je vrije tijd. Kies je voor meer vrije tijd, dan mis je inkomen.
De budgetlijn kan daarom ook de keuze tussen vrije tijd en inkomen laten zien. Op de ene as staat vrije tijd, op de andere
as inkomen. Het uurloon bepaalt de opofferingskosten van vrije tijd: een extra uur vrije tijd kost het loon dat je in dat uur
had kunnen verdienen.
Rekenen bij 1.4: tijd en inkomen
Inkomen = aantal gewerkte uren x uurloon. Vrije tijd = totaal beschikbare tijd - gewerkte uren.
Voorbeeld: je hebt 24 uur per dag en verdient euro 7,50 per uur. Werk je 8 uur, dan verdien je 8 x 7,50 = euro 60 en houd
je 16 uur vrije tijd over. Neem je 1 extra uur vrije tijd, dan werk je 1 uur minder en geef je euro 7,50 inkomen op. De
opofferingskosten van 1 uur vrije tijd zijn dus euro 7,50.
1.5 Zelftest hoofdstuk 1
Voor de toets moet je hoofdstuk 1 vooral kunnen toepassen. Je moet begrippen kunnen uitleggen, maar ook kunnen
rekenen met procentuele veranderingen, koopkracht, budgetlijnen en opofferingskosten.
• Leg uit waarom schaarste leidt tot keuzes en opofferingskosten.
• Herken het verschil tussen behoeften en middelen, en tussen schaarse en vrije goederen.
• Teken en interpreteer een budgetlijn bij twee producten of bij vrije tijd en inkomen.
• Bereken procentuele stijgingen en dalingen, en leg koopkrachtveranderingen uit.
• Leg uit hoe consumentenvertrouwen, inflatie en bestedingen met elkaar samenhangen.
Samenvatting Crisis - Havo 4 Economie Pagina 2