1
1. Psychologie een palet vol theorieën
1.1 Inleiding
1.2 Wat is psychologie?
onenigheid over definitie
eenduidigheid over object
X Extern = tss psychologie + (mens)w’schappen
👉
object = studieonderwerp v/e w’schap ● psychologie: veel raakvlakken m andere soc
→ meeste w’schappen: obejct w’schappen
= ✅
te definiëren
vb: arts, socioloog, psycholoog
→ andere vragen + visies over zelfde onderwerp
Intern =
vss theoretische stromingen binnen psychologie + de
daarmee samenhangend emethode waarmee kennis w
verworven
● meningsverschillen tss psychologen
⇒
rivaliserende verklaringen over eenzelfde onderwerp (psychologie, maar ook andere w’schappen)
vb: klachten v depressie > zowel binnen psychologie & binnen vss w’schappen vss verklaringen
👉
● beschrijving + verklaring vh object = vooral op individueel niveau intrapsychisch = binnen mensen
= ook groepsverbanden (soc psychologie)
👉
= in context interpsychisch > tss mensen
Kritiek op tijdsgeest
→ SL > aan alles w stoornis toegekend > maar kan de mens X reduceren tot hersenen ⇒ omgeving!
Definiëren
def Psychologie = w’schap > waarbij zowel: 1- h gedrag v mensen wordt bestudeerd
2- de gevoelens & gedachten die mensen hebben
> bij h ervaren v hun gedrag + omstandigheden waarin dat plaatsvindt
Typeren v/e wetenschap a.d.h.v. drie factoren
1 oorten vragen + problemen
S
🫵
studieobject
2 ⇒
Methoden + theorieën beïnvloedt door 1
- soorten vragen + problemen zijn bepalend voor methoden + theoriën
👉 gevolg = grenzen tss w’schappen X sterk afgebakend
3 aatschappelijk draagvlak
M
→ grenzen v w’schap worden hierdoor beïnvloedt
● W. wereld = gepsychologiseerde wereld > heel veel psychologie aanwezig in onze leefwereld
, 2
→ ligt X vast, verandert doorheen de ⏳
🫵
1960-50’ = sociologie belangrijk 🫵 nu: biologische + medische theorieën (erfelijkheidsleer)
→ deze 3 factoren beïnvloeden de plaats + kijk op w’schap i/ SL
1.3 Theorieën
= referentiekaders > interpretaties waarmee we verschijnselen 👁️
+ verklaren
- grote verscheidenheid
☝️
vss theorieën = andere verklaringen voor zelfde fenomeen
psychologie “ veelkoppig monster” → vss gezichten
👉
meerdere indelingen > ordening te brengen i/d veelheid van onderwerpen + inzichten
tromingen komen & gaan
s
🫵
invloed v sommige stromingen = verschillend > verminderd - opkomend
● ongeacht of ze nu✅❌relevant zijn ===> stempel gedrukt op psychologie
1) Functies v theorieën
w’schappelijke theorieën vervullen 3 f’ies
1 ystematiseren / ordenen
S
→ w’schappelijke kennisverwerving vg expliciete regels
🫵
duidelijk + controleerbaar
🫵
herhaalbaar / repliceerbaar
→ w’schappelijke waarneming = theoriegeladen
2 Verklaren + voorspellen v gedrag
3 euristische functie
H
👉
theorie = nooit af —> theorie > zorgt terug voor nieuwe voorspellingen
1.4 Kenmerken psychologische stromingen
● stroming heeft → mensbeeld
→ geschiedenis
1) Geschiedenis v theoretische stromingen
psychologische stromingen ● historische ontwikkeling = geschiedenis
● c
ultuurhistorische bepaaldheid
→ invloed v cultuur + tijdstip v ontstaan
● r eageren op elkaar
☝️
intraheren m elkaar: overnemen / afzetten
● slingerbeweging: wisselende modes ⇒ visies komen + gaan
, 3
● gebruikmaken v elkaar
● nadruk op effectiviteit
vaak: i/d wortels v filosofie + maatschappelijke ontw
2) Evidence based
☝️
evidence based= w’schappelijk bewijs ⇒ door systematisch,kwantitatief, kwalitatief onderzoek
→ nadruk: effectiviteit v/e methode
● theorie + daarop gebaseerde behandeling > moet bewijzen dat ze juist is + effectief is (werkt)
3) Mensbeelden bij theoretische stromingen
mensbeeld= hoe ‘de mens’ wordt opgevat
👉
visie op kenmerkende eigenschappen vd mens
- impliciete + expliciete kenmerken
🫵 beïnvloedt door – historische – culturele – religieuze invloeden
🫵 gevolgen > opvattingen over gezondheid + ziekte → wat is normaal.
2 aspecten v/e mensbeeld
1) beschrijving v kenmerkende eigenschappen
⇒ vss tss kind & volwassene
2) verwijzen naar hoe mensen behoren te zijn / hoe ze zich moeten
gedragen
mensbeelden in 3 niveaus→ zie vervolg
1.5 Indelingen van theoretische stromingen
1) Mensbeelden i/d psychologie
3 niveaus mensbeelden:
personalistisch organistisch mechanistisch
👉 👉
principieel verschil tss mens mens = leven organisme 👉
mens = machine
👉
& anderen – talig, cultuur, spreek vgl met dier kan, X volledig 👉
ingewikkeld dier
, 4
…………..wezen
… 👉
mens X los v omgeving 👉
ieder mens afzonderlijk te
→ kennis over dier zegt X over bestuderen
mens 👉
invloed v omg X essentieel
👉 ⭤ 👉
circulair causaal verband(A B) lineair causaal verband (A→B)
👉
handelen = doelgericht = simplistisch
👉
mens = verantwoordelijk 👉
geheel = meer dan soms v 👉
geheel = soms v delen
👉
gedrag > betekenis delen
👉
→ verschuift afh aan context dynamisch 👉
statisch
👉 mens = 1 geheel
meest complex minst complex
h
● iërarchie > niveau erboven omvat ook wat eronder zit
● hoe hoger het niveau, hoe complexer het gedrag
● hedendaagse opvatting 👉 alle 3 aanwezig i/h menselijk gedrag
- niet elk niveau is in elke stroming + meerdere mensbeelden ook mogelijk
-
🫵 hoe mensbeelden gebruiken?
● e
en vraag kan zijn → welk mensbeeld is beste? ⇒❌ zinvolle vraag
⇒
elke stroming > belangrijke inzichten ===> allemaal kunnen toepassen
↳ elke stroming levert een bril > waarmee men werkelijkheid – waarneemt
– interpreteert
→ sommige aspecten worden belicht, andere X → andere accenten
↳ elke situatie: andere aanpak > aftasten welke succesvol is ⇒ ❌ vasthouden aan 1 zienswijze
↳ elke stroming = eenzijdig → benadrukt bewust ene deel + plaatst ander deel tussen ()
⇒
– verschijnselen binnen groter geheel plaatsen algemene systeemtheorie levert kader
2) De algemene systeemtheorie
algemene systeemtheorie
= metatheorie ⇒
theorie over theorieën
→ hiërarchie v systeemniveaus
● hoe hoger h niveau > hoe complexer h systeem
AST biedt overkoepeld kader → voor alle vss w’schappen + theorieën
kenmerk = dynamisch denken
1. Psychologie een palet vol theorieën
1.1 Inleiding
1.2 Wat is psychologie?
onenigheid over definitie
eenduidigheid over object
X Extern = tss psychologie + (mens)w’schappen
👉
object = studieonderwerp v/e w’schap ● psychologie: veel raakvlakken m andere soc
→ meeste w’schappen: obejct w’schappen
= ✅
te definiëren
vb: arts, socioloog, psycholoog
→ andere vragen + visies over zelfde onderwerp
Intern =
vss theoretische stromingen binnen psychologie + de
daarmee samenhangend emethode waarmee kennis w
verworven
● meningsverschillen tss psychologen
⇒
rivaliserende verklaringen over eenzelfde onderwerp (psychologie, maar ook andere w’schappen)
vb: klachten v depressie > zowel binnen psychologie & binnen vss w’schappen vss verklaringen
👉
● beschrijving + verklaring vh object = vooral op individueel niveau intrapsychisch = binnen mensen
= ook groepsverbanden (soc psychologie)
👉
= in context interpsychisch > tss mensen
Kritiek op tijdsgeest
→ SL > aan alles w stoornis toegekend > maar kan de mens X reduceren tot hersenen ⇒ omgeving!
Definiëren
def Psychologie = w’schap > waarbij zowel: 1- h gedrag v mensen wordt bestudeerd
2- de gevoelens & gedachten die mensen hebben
> bij h ervaren v hun gedrag + omstandigheden waarin dat plaatsvindt
Typeren v/e wetenschap a.d.h.v. drie factoren
1 oorten vragen + problemen
S
🫵
studieobject
2 ⇒
Methoden + theorieën beïnvloedt door 1
- soorten vragen + problemen zijn bepalend voor methoden + theoriën
👉 gevolg = grenzen tss w’schappen X sterk afgebakend
3 aatschappelijk draagvlak
M
→ grenzen v w’schap worden hierdoor beïnvloedt
● W. wereld = gepsychologiseerde wereld > heel veel psychologie aanwezig in onze leefwereld
, 2
→ ligt X vast, verandert doorheen de ⏳
🫵
1960-50’ = sociologie belangrijk 🫵 nu: biologische + medische theorieën (erfelijkheidsleer)
→ deze 3 factoren beïnvloeden de plaats + kijk op w’schap i/ SL
1.3 Theorieën
= referentiekaders > interpretaties waarmee we verschijnselen 👁️
+ verklaren
- grote verscheidenheid
☝️
vss theorieën = andere verklaringen voor zelfde fenomeen
psychologie “ veelkoppig monster” → vss gezichten
👉
meerdere indelingen > ordening te brengen i/d veelheid van onderwerpen + inzichten
tromingen komen & gaan
s
🫵
invloed v sommige stromingen = verschillend > verminderd - opkomend
● ongeacht of ze nu✅❌relevant zijn ===> stempel gedrukt op psychologie
1) Functies v theorieën
w’schappelijke theorieën vervullen 3 f’ies
1 ystematiseren / ordenen
S
→ w’schappelijke kennisverwerving vg expliciete regels
🫵
duidelijk + controleerbaar
🫵
herhaalbaar / repliceerbaar
→ w’schappelijke waarneming = theoriegeladen
2 Verklaren + voorspellen v gedrag
3 euristische functie
H
👉
theorie = nooit af —> theorie > zorgt terug voor nieuwe voorspellingen
1.4 Kenmerken psychologische stromingen
● stroming heeft → mensbeeld
→ geschiedenis
1) Geschiedenis v theoretische stromingen
psychologische stromingen ● historische ontwikkeling = geschiedenis
● c
ultuurhistorische bepaaldheid
→ invloed v cultuur + tijdstip v ontstaan
● r eageren op elkaar
☝️
intraheren m elkaar: overnemen / afzetten
● slingerbeweging: wisselende modes ⇒ visies komen + gaan
, 3
● gebruikmaken v elkaar
● nadruk op effectiviteit
vaak: i/d wortels v filosofie + maatschappelijke ontw
2) Evidence based
☝️
evidence based= w’schappelijk bewijs ⇒ door systematisch,kwantitatief, kwalitatief onderzoek
→ nadruk: effectiviteit v/e methode
● theorie + daarop gebaseerde behandeling > moet bewijzen dat ze juist is + effectief is (werkt)
3) Mensbeelden bij theoretische stromingen
mensbeeld= hoe ‘de mens’ wordt opgevat
👉
visie op kenmerkende eigenschappen vd mens
- impliciete + expliciete kenmerken
🫵 beïnvloedt door – historische – culturele – religieuze invloeden
🫵 gevolgen > opvattingen over gezondheid + ziekte → wat is normaal.
2 aspecten v/e mensbeeld
1) beschrijving v kenmerkende eigenschappen
⇒ vss tss kind & volwassene
2) verwijzen naar hoe mensen behoren te zijn / hoe ze zich moeten
gedragen
mensbeelden in 3 niveaus→ zie vervolg
1.5 Indelingen van theoretische stromingen
1) Mensbeelden i/d psychologie
3 niveaus mensbeelden:
personalistisch organistisch mechanistisch
👉 👉
principieel verschil tss mens mens = leven organisme 👉
mens = machine
👉
& anderen – talig, cultuur, spreek vgl met dier kan, X volledig 👉
ingewikkeld dier
, 4
…………..wezen
… 👉
mens X los v omgeving 👉
ieder mens afzonderlijk te
→ kennis over dier zegt X over bestuderen
mens 👉
invloed v omg X essentieel
👉 ⭤ 👉
circulair causaal verband(A B) lineair causaal verband (A→B)
👉
handelen = doelgericht = simplistisch
👉
mens = verantwoordelijk 👉
geheel = meer dan soms v 👉
geheel = soms v delen
👉
gedrag > betekenis delen
👉
→ verschuift afh aan context dynamisch 👉
statisch
👉 mens = 1 geheel
meest complex minst complex
h
● iërarchie > niveau erboven omvat ook wat eronder zit
● hoe hoger het niveau, hoe complexer het gedrag
● hedendaagse opvatting 👉 alle 3 aanwezig i/h menselijk gedrag
- niet elk niveau is in elke stroming + meerdere mensbeelden ook mogelijk
-
🫵 hoe mensbeelden gebruiken?
● e
en vraag kan zijn → welk mensbeeld is beste? ⇒❌ zinvolle vraag
⇒
elke stroming > belangrijke inzichten ===> allemaal kunnen toepassen
↳ elke stroming levert een bril > waarmee men werkelijkheid – waarneemt
– interpreteert
→ sommige aspecten worden belicht, andere X → andere accenten
↳ elke situatie: andere aanpak > aftasten welke succesvol is ⇒ ❌ vasthouden aan 1 zienswijze
↳ elke stroming = eenzijdig → benadrukt bewust ene deel + plaatst ander deel tussen ()
⇒
– verschijnselen binnen groter geheel plaatsen algemene systeemtheorie levert kader
2) De algemene systeemtheorie
algemene systeemtheorie
= metatheorie ⇒
theorie over theorieën
→ hiërarchie v systeemniveaus
● hoe hoger h niveau > hoe complexer h systeem
AST biedt overkoepeld kader → voor alle vss w’schappen + theorieën
kenmerk = dynamisch denken