1.1 Monetair beleid
Geld
Geld zorgt ervoor dat ruilen efficiënt verloopt. Geld heeft drie belangrijke functies:
1. Ruilmiddel
De hele samenleving accepteert geld als betaalmiddel. Iemand die geld ontvangt, moet
erop kunnen vertrouwen dat anderen dit geld ook accepteren.
2. Rekenmiddel
Met geld kunnen de waarden van verschillende goederen en diensten met elkaar worden
vergeleken.
3. Spaarmiddel
Geld kan worden bewaard voor later gebruik. Wanneer geld in waarde daalt door inflatie,
neemt de koopkracht af.
Vertrouwen in geld is dus erg belangrijk.
Maatschappelijke geldhoeveelheid (M1)
De maatschappelijke geldhoeveelheid (M1) bestaat uit al het geld waarmee direct betalingen
kunnen worden gedaan. Dit bestaat uit:
Chartaal geld: munten en bankbiljetten
Giraal geld: geld op betaalrekeningen
Spaargeld hoort niet bij M1, omdat dit eerst naar een betaalrekening moet worden overgemaakt
voordat het gebruikt kan worden voor betalingen.
M1 stijgt → geldschepping
Mensen beschikken over meer geld en kunnen daardoor meer besteden.
M1 daalt → geldvernietiging
Bijvoorbeeld door het aflossen van leningen of het betalen van belastingen.
Banken spelen een belangrijke rol bij geldschepping. Wanneer banken leningen verstrekken,
komt dit geld op betaalrekeningen terecht, waardoor M1 toeneemt. Dit kan echter niet
onbeperkt, omdat banken voldoende geld beschikbaar moeten houden voor klanten die contant
geld willen opnemen.
Wanneer mensen meer sparen, daalt M1.
Banken als tussenpersoon tussen spaarders en leners
Banken vormen een schakel tussen spaarders en leners.
Spaardersontvangen rente als vergoeding voor:
, inflatierisico
debiteurenrisico
Lenersbetalen rente als vergoeding voor:
inflatierisico
debiteurenrisico
Risico’s
Inflatierisico
Door inflatie daalt de koopkracht van spaargeld.
Debiteurenrisico
Het risico dat een lening niet wordt terugbetaald.
Rentemarge
De rentemarge is het verschil tussen de spaarrente en de leenrente.
Een lage rentemarge betekent vaak dat er veel concurrentie is tussen banken. Banken proberen
aantrekkelijker te worden door:
de spaarrente te verhogen, of
de leenrente te verlagen.
Bankrun
Een groot deel van spaargeld is direct opneembaar, terwijl leningen vaak voor langere tijd
vaststaan. Hierdoor kan een bankrun ontstaan.
Bij een bankrun nemen veel spaarders tegelijk hun geld op, omdat zij bang zijn dat de bank in
financiële problemen zit. Op lange termijn ontvangt de bank wel geld terug via aflossingen van
leningen, maar op korte termijn heeft de bank onvoldoende liquide middelen beschikbaar. Door
verlies van vertrouwen kan de bank uiteindelijk failliet gaan.
Centrale bank
De centrale bank houdt toezicht op banken om het financiële systeem stabiel en betrouwbaar te
houden.
Binnen de eurozone werken de nationale centrale banken samen met de Europese Centrale
Bank (ECB). Dit vergroot het vertrouwen in het financiële systeem.
Depositogarantiestelsel: Wanneer een bank binnen de EU failliet gaat, krijgen rekeninghouders
maximaal €100.000 per persoon per bank terug. Dit verhoogt het vertrouwen van spaarders.
Om te voorkomen dat banken failliet gaan, kunnen zij geld lenen bij de centrale bank. Hierdoor
blijft het betalingsverkeer functioneren en blijft het vertrouwen in banken behouden.
1.2 Prijsstabiliteit