Koopovereenkomst
De koop is een consensueel contract. Dat betekent dat er sprake is van een koop zodra er
wilsovereenstemming bestaat tussen de partijen. Zodra die wilsovereenstemming aanwezig
is, hebben we dus een geldige koopovereenkomst. Dit volgt uit artikel 1583 BW. In een
concreet geval kan het zijn dat een partij bepaalde bijkomende elementen van belang vindt.
Dat zijn subjectieve elementen, zoals bijvoorbeeld een bepaalde kleur of een
leveringstermijn. Partijen kunnen hierover uitdrukkelijk overeenkomen. Indien dat niet
gebeurt, gelden die elementen niet als essentieel en verhindert dit het bestaan van de koop
niet.
Regime van de koop
Het kooprecht bestaat uit verschillende regimes. De koop wordt daarom omschreven als een
“lappendeken”. Het gemeen kooprecht is terug te vinden in artikel 1582 e.v. BW. Daarnaast
bestaan er partiële en deels overlappende bijzondere regimes. Bij een koopovereenkomst moet
men zich dus eerst afvragen wie de partijen zijn, omdat daarvan afhangt welke bijzondere
regels van toepassing kunnen zijn.
B2C-verhouding
Bij een verhouding tussen onderneming en consument (B2C) is het eerste belangrijke regime
het Wetboek Economisch Recht (WER), meer bepaald Boek 6. Dit geldt als uitgangspunt
voor zowel roerende als onroerende goederen. Wanneer het in een B2C-relatie gaat om
lichamelijke roerende goederen, kan daarnaast ook de wetgeving inzake consumentenkoop
van toepassing zijn. Beide regimes zijn van dwingend recht. De rechter moet deze regels dus
ambtshalve toetsen.
B2B-verhouding
Bij een verhouding tussen ondernemingen (B2B) moet men rekening houden met de LRG
(product aansprakelijkheid). In een internationale context kan bovendien het Weens
Koopverdrag van toepassing zijn. Bijvoorbeeld wanneer een autofabrikant zetels koopt in
Italië, gordels in Frankrijk en lampen in Duitsland, terwijl de onderneming gevestigd is in
België. Het Weens Koopverdrag is aanvullend recht. Het wordt hier niet inhoudelijk
behandeld, maar het is belangrijk te weten dat het bestaat. Indien dit specifieke regime van
toepassing is, moet het ook effectief worden toegepast. Ook in een B2B-context moet men
denken aan het WER, aangezien sommige bepalingen gelijkenissen vertonen met
consumentenbescherming tussen ondernemingen.
,Andere bijzondere regimes
Een ander bijzonder regime is de Wet Breyne. Deze wet kan in sommige gevallen eveneens
van toepassing zijn op een koopovereenkomst. Het gaat om dwingend recht. Daarnaast bestaat
ook de Wet Productaansprakelijkheid (LRG).
Voorwerp van de koop: een goed
Een koopovereenkomst moet betrekking hebben op een “goed”. Dit staat tegenover een
dienst, wat een prestatie inhoudt. Een goed heeft betrekking op een dare-verbintenis,
terwijl een dienst betrekking heeft op een facere-verbintenis. Dit onderscheid is belangrijk
voor de afbakening tussen koop en aanneming. In de praktijk is die afgrenzing vaak niet
evident. Vaak gaat het namelijk om een mengvorm van beide. Er zijn dan enerzijds
componenten van koop en anderzijds componenten van diensten of prestaties. Dat maakt de
kwalificatie moeilijker. Een typisch voorbeeld is een situatie waarin het goed nog niet af is en
eerst nog een dienstencomponent nodig is om het te realiseren. Bij zulke gemengde
contracten bestaan er drie manieren om daarmee om te gaan (zie cursus
verbintenissenrecht)
Specificiteitscriterium
Hoe specifieker of meer op maat een goed is, hoe meer de dienstencomponent zal
doorwegen. Is het goed daarentegen sterk gestandaardiseerd, dan ligt de nadruk eerder op het
goed zelf dan op de dienst. Dit noemt men het specificiteitscriterium.
Voorbeelden:
Wanneer men specifieke steunpilaren wenst te verkrijgen die volledig op maat worden
gemaakt, zal de dienstencomponent doorwegen. Dit wordt dan beschouwd als
aanneming.
Wanneer men een softwareprogramma wil verwerven, kan dit een koop zijn. Indien
het programma echter specifiek op maat van de klant wordt ontwikkeld, gaat het om
aanneming.
Bij koop op plan, waarbij er nog geen steen in de grond ligt maar het appartement
reeds vastligt, ligt de klemtoon op het verwerven van een toekomstig goed. Dit blijft
dus koop. Indien men echter een appartement volledig op maat laat bouwen,
overheerst de dienstencomponent en gaat het om aanneming.
Bij de aankoop van een wagen kan men via een optielijst bijna alles kiezen en de
wagen sterk personaliseren. Toch blijft dit een koop. Het loutere feit dat men keuzes
kan maken, doet geen afbreuk aan de koop wanneer het gaat om standaardkeuzes
binnen een standaardpakket. In dat geval primeert nog steeds het goed.
Diensten naast de koop
Ook wanneer naast de koop zelf bijkomende diensten worden geleverd, kan de kwalificatie
moeilijk zijn. Men moet telkens geval per geval bekijken waar de nadruk ligt.
,Voorbeelden:
Wanneer kleding moet worden aangepast omdat de mouwen te lang zijn, blijft dit een
koop met een ondergeschikte dienst.
Wanneer men een oven koopt die ook geplaatst kan worden, ontstaat een gemengd
contract. De plaatsing vormt dan in principe een afzonderlijke dienstencomponent.
De rechtspraak past in zulke gevallen vooral een economisch criterium toe wanneer er een
combinatie is van goederen en diensten. Men kijkt bijvoorbeeld naar de verhouding tussen de
prijs van de oven en de kostprijs van de plaatsing.
Besluit: voor een koopovereenkomst moet er een goed zijn en geen dienst, of hoogstens
een accessoire dienst.
Eigendomsoverdracht bij koop
De koop is een translatief contract. Dat betekent dat de eigendom wordt overgedragen. De
eerste vraag is dus hoe die eigendom overgaat en wat daarvoor nodig is. Volgens artikel 5.79
BW en artikel 1583 BW gebeurt de eigendomsoverdracht onmiddellijk en consensueel.
Loutere toestemming volstaat dus om de dare-verbintenis uit te voeren. De eigendom gaat
in principe onmiddellijk over, ongeacht of men reeds het genot heeft gekregen of reeds heeft
betaald. Zie ook artikelen 3.7 en 3.8 BW.
Twee uitzonderingen
Er zijn twee belangrijke uitzonderingen op dit uitgangspunt.
Eigendom kan nog niet overgaan
Toekomstige goederen
Een zakelijk recht heeft rechtstreeks betrekking op een goed. Het goed moet dus eerst bestaan.
Bij een toekomstig goed, bijvoorbeeld een wagen die nog gemaakt moet worden, kan de
eigendom nog niet overgaan zolang het goed niet bestaat. Zodra het goed wel bestaat, gaat de
eigendom onmiddellijk over.
Genusgoederen
Bij genusgoederen is het goed nog niet voldoende bepaald. Voorbeeld: iemand koopt 1000 kg
grind voor een oprit. Men weet echter nog niet welk specifiek grind precies aan de koper zal
toebehoren. Het zakelijk recht kan dan nog niet tot stand komen omdat het nog geen vat heeft
op een individueel bepaald goed. De dare-verbintenis bestaat al en de toestemming is
gegeven, maar het goed is nog niet gespecificeerd of afgebakend.
,Eigendom mag nog niet overgaan
Partijen kunnen overeenkomen dat de eigendom nog niet onmiddellijk overgaat. Voorbeeld:
een gsm wordt verkocht op afbetaling in tien schijven, waarbij men pas eigenaar wordt na
volledige betaling. Ook bij onroerende goederen komt dit vaak voor, bijvoorbeeld wanneer
men overeenkomt dat de eigendom pas overgaat zodra het volledige bedrag via de notaris
geregeld is en de verkoper effectief het geld heeft ontvangen. Dit noemt men een
eigendomsvoorbehoud. In principe is dit mogelijk, tenzij de wet dit uitsluit.
Overgang van risico
Artikel 5.80 BW koppelt eigendom en risico aan elkaar. Wanneer het ene overgaat, gaat
ook het andere over, ongeacht of er reeds betaald of geleverd werd. Voorbeeld: men koopt op
vrijdag een tweedehandswagen in een garage en mag die zaterdag ophalen. Indien er
vrijdagavond brand uitbreekt en de wagen afbrandt, rijst de vraag bij wie het risico ligt.
Omdat eigendom en risico gekoppeld zijn, ligt het risico in principe bij de koper, ook al is de
wagen nog niet geleverd of betaald. Omgekeerd geldt ook dat wanneer de eigendom nog bij
de garagist blijft wegens een eigendomsvoorbehoud, het risico eveneens bij de garagist
blijft. De eigendom is dan immers nog niet overgedragen. Deze regeling is van aanvullend
recht. Partijen kunnen dus anders overeenkomen dat het risico wel of niet onmiddellijk
overgaat. Men kan daarvan in beide richtingen afwijken.
Afwijking bij consumentenkoop
Bij consumentenkoop geldt een afwijkende regeling. Dit is een eerste uitzondering binnen het
“lappendeken” van koopregimes. Artikel VI.44 WER bepaalt dat bij verkoop aan een
consument het risico pas overgaat bij de levering. De eigendom gaat wel onmiddellijk
over, maar het risico nog niet. Men moet bij het WER altijd opletten dat het niet enkel gaat
om de verhouding tussen onderneming en consument, maar soms ook om een beperkt aantal
goederen, bijvoorbeeld lichamelijke roerende goederen zoals een gsm. Wanneer het
bijvoorbeeld gaat om een onroerend goed, geldt deze afwijkende regeling niet. Dan blijft
artikel 5.80 BW van toepassing als gemeen recht.
Tegenwerpelijkheid van de
eigendomsoverdracht aan derden
Een tweede belangrijke vraag is hoe de eigendomsoverdracht werkt ten aanzien van derden.
Verkoop van andermans goed
Voorbeeld: iemand verkoopt een huis dat eigenlijk eigendom is van iemand anders. Zakelijk
gezien heeft die verkoop geen uitwerking, omdat de verkoper zelf geen eigenaar is van het
goed. Dit volgt uit het nemo plus iuris-beginsel: men kan niet méér rechten overdragen dan
men zelf heeft.
, Dit hangt samen met het beschikkingsbeginsel: men moet bevoegd zijn om over een recht te
beschikken om het geldig te kunnen overdragen. De overdracht heeft dus geen zakelijke
uitwerking en de koper kan geen eigenaar worden. Dit is het uitgangspunt.
Bescherming van de koper
Voor de koper is dit uiteraard problematisch. De koper kan in principe de ontbinding van de
koop vragen op grond van de vrijwaring voor uitwinning. Uitwinning betekent bijvoorbeeld
dat de echte eigenaar zegt: “dit is mijn huis, ga weg”. Normaal gezien kan de koper de
ontbinding pas vragen wanneer hij effectief wordt uitgewonnen. Zolang dat niet gebeurt,
kan hij de ontbinding nog niet vragen. Daarom voorziet artikel 1599 BW in een bijzondere
regeling. Dit artikel creëert een vorm van anticipatieve uitwinning. Omdat de situatie voor
de koper zo ernstig is, kan de koper reeds vooraf de nietigheid van de koop vragen.
Kenmerken van artikel 1599 BW
Enkel de koper kan de nietigheid inroepen.
De verkoper kan dit niet, zelfs niet wanneer er sprake was van een vergissing.
Het maakt niet uit of de koper te goeder trouw of te kwader trouw was.
Goede of kwade trouw is enkel relevant voor de omvang van de schadevergoeding.
Zodra het risico op uitwinning verdwenen is, kan de nietigheid niet meer worden
gevorderd. Voorbeeld: twee partners zijn gehuwd en samen eigenaar van een goed. Eén
partner verkoopt het volledige goed. De koper betaalt vervolgens niet, waarna beide partners
samen de koper dagvaarden tot betaling. In dat geval kan de koper nadien de nietigheid niet
meer vragen, omdat het uitwinningsrisico verdwenen is.
Gevallen waarin artikel 1599 BW niet van
toepassing is
Onbevoegde vertegenwoordiging
Voorbeeld: men geeft een makelaar de opdracht om een huis te verhuren, maar de makelaar
verkoopt het huis. Hier ligt het probleem niet bij de eigendomsoverdracht zelf, maar bij de
vertegenwoordiging. De makelaar handelde namelijk in naam van de eigenaar zonder
daartoe bevoegd te zijn.
Sterkmaking
Bij sterkmaking belooft iemand dat een derde later zal instemmen met de verkoop.
Voorbeeld: een makelaar verklaart dat de eigenaar het goed wel zal verkopen. Indien de
eigenaar die belofte uiteindelijk niet bevestigt, ontstaat er in principe enkel aansprakelijkheid
van de sterkmaker.