Huur van goedere vs huur van werk (art.
1708 OBW)
Algemeen onderscheid
Het begrip “huur” wordt in het burgerlijk recht breed gebruikt, maar moet worden
onderscheiden in twee grote categorieën:
Huur van werk, die in de praktijk vooral terugkomt in:
o het arbeidsrecht (arbeidsovereenkomst),
o en het aannemingsrecht (aanneming van werk).
Huur van goederen, die centraal staat in het verbintenissenrecht en goederenrecht en
in de les wordt behandeld als klassieke huur.
Bij huur van goederen gaat het om het tijdelijk ter beschikking stellen van een goed tegen
betaling van een huurprijs.
Huur van goederen: algemene regel
Bij huur van goederen geeft de verhuurder een goed in gebruik aan de huurder, zonder
overdracht van eigendom, tegen betaling van een huurprijs. De basisregels zijn te vinden in
het oud Burgerlijk Wetboek (huurrecht), met bijzondere bepalingen afhankelijk van het type
goed.
Drie belangrijke afwijkingen
Binnen het huurrecht bestaan enkele belangrijke uitzonderingsregels die afwijken van het
gemeen huurrecht.
Art. 1715 BW – niet toepasselijk bij roerende goederen
Art. 1715 oud BW is niet van toepassing op roerende goederen (RG). Dit betekent dat
bepaalde vormvereisten of beschermingsregels die gelden in het huurrecht van onroerende
goederen, niet automatisch gelden voor roerende huur. De wetgever maakt dus een duidelijk
onderscheid tussen:
huur van onroerende goederen (sterker gereguleerd),
en huur van roerende goederen (meer contractsvrijheid).
Art. 1716 BW – enkel bij onroerende goederen
,Art. 1716 oud BW geldt uitsluitend voor onroerende goederen (OG). Dit artikel bevestigt
dat bepaalde specifieke regels (zoals vormvereisten of bescherming van huurders bij
onroerende huur) enkel spelen in de context van vastgoedhuur. Het gevolg is dat het huurrecht
van onroerende goederen een bijzonder beschermend regime vormt ten opzichte van
roerende huur.
Art. 1762bis BW – geen buitengerechtelijke ontbinding bij onroerende huur
Een zeer belangrijk artikel is art. 1762bis oud BW. Dit artikel bepaalt dat bij huur
van onroerende goederen geen buitengerechtelijke ontbinding mogelijk is. Concreet
betekent dit:
wanneer de huurder zijn huur niet betaalt,
kan de verhuurder de huur niet eenzijdig beëindigen,
maar moet hij verplicht naar de rechter stappen.
Dit is een belangrijke beschermingsregel voor de huurder, die rechtszekerheid biedt tegen
onmiddellijke uitzetting.
Onlichamelijke goederen
Ook onlichamelijke goederen kunnen het voorwerp zijn van huur. Een typisch voorbeeld is
de verhuur van een handelszaak of winkelruimte, waarbij niet enkel de fysieke ruimte
wordt verhuurd, maar ook economische gebruiksrechten verbonden aan de exploitatie. Dit
bevestigt dat huur niet beperkt is tot materiële zaken, maar ook rechten en economische activa
kan omvatten.
Geen huur mogelijk:
In principe kunnen niet alle goederen het voorwerp uitmaken van een huurovereenkomst.
Verbruikbare goederen
Verbruikbare goederen, zoals bijvoorbeeld een appel of geld, kunnen in principe niet
worden verhuurd. De reden hiervoor is dat deze goederen bij normaal gebruik verdwijnen of
worden opgebruikt, waardoor het kenmerk van huur – namelijk het tijdelijk gebruik zonder
eigendomsoverdracht – wordt ondergraven. Uitzondering: partijen kunnen contractueel
afspreken dat het goed niet mag worden verbruikt, waardoor een soort tijdelijk gebruik zonder
consumptie ontstaat, maar dan verschuift de kwalificatie vaak richting een ander type
overeenkomst (bijv. bruikleen of bewaring).
Goederen van het openbaar domein
Goederen die behoren tot het openbaar domein (OH / publiek domein) zijn in principe niet
verhuurbaar. Zij kunnen slechts in uitzonderlijke gevallen worden gebruikt via een
huurstelsel, en dan enkel onder strikte voorwaarden (bijvoorbeeld concessies of
administratieve toelatingen). Het uitgangspunt blijft dat deze goederen niet vrij in het privaat
huurverkeer kunnen worden opgenomen.
,Specifieke uitgesloten gevallen
Daarnaast zijn er nog specifieke gevallen waarin huur juridisch of praktisch uitgesloten is,
afhankelijk van de aard van het goed of de wettelijke regeling die erop van toepassing is.
Juridische aard van huur
Huur is een persoonlijk gebruiksrecht (verbintenisrechtelijk recht) en geen zakelijk recht.
Dit betekent dat de huurder geen recht heeft op het goed zelf, maar enkel een recht tegen de
verhuurder om het goed te mogen gebruiken. De huurovereenkomst schept dus:
enkel verbintenissen tussen partijen,
geen rechtstreeks recht op het goed zelf.
Gevolgen van het verbintenisrechtelijk karakter
Geen zakelijk recht
Omdat huur een persoonlijk recht is:
heeft de huurder geen zakelijk recht op het goed,
en kan hij zich niet gedragen als eigenaar of zakelijk gerechtigde.
De huurder kan het goed enkel gebruiken binnen de grenzen van de overeenkomst.
Geen hypotheek op huurrecht
Omdat huur geen zakelijk recht is, kan het huurrecht in principe niet met een hypotheek
worden bezwaard. Hypotheek veronderstelt immers een zakelijk recht op een onroerend goed,
terwijl huur slechts een persoonlijk recht is.
Geen volgrecht (in principe)
In principe kent huur geen volgrecht, omdat het geen zakelijk recht is. Dit betekent dat bij
overdracht van het goed de huurovereenkomst in beginsel niet automatisch tegenwerpelijk
zou zijn aan derden. Uitzondering: De wetgever heeft echter een beperkte bescherming van
de huurder ingevoerd, waardoor in bepaalde gevallen toch een vorm van “quasi-volgrecht”
bestaat. Dit is dus een wettelijk gecorrigeerde uitzondering op het zuivere
verbintenisrechtelijke karakter.
Wezenskenmerken (art. 1709 OBW):
- tijdelijk genotsrecht van een goed: is dus een persoonlijk recht ipv zakelijk recht
- tegen een prijs: in geld of in natura (gratis huur bestaat niet dus tegenprestatie vereist)
, Bekwaamheid
Principe: huur is een daad van beheer
In principe wordt het sluiten van een huurovereenkomst beschouwd als een daad van beheer.
Het onderscheid tussen een daad van beheer en een daad van beschikking hangt af van de
impact op het vermogen:
een daad van beschikking tast het vermogen duurzaam aan of vermindert het,
een daad van beheer dient het normaal behoud en gebruik van het vermogen.
Bij huur blijft het goed in het vermogen van de verhuurder:
de eigendom wordt niet overgedragen,
er ontstaat enkel een tijdelijk gebruiksrecht.
Daarom wordt huur in principe als een daad van beheer beschouwd. De algemene basis
hiervoor ligt in: art. 1.3 BW en art. 5.40 BW (autonomie en beheer van rechten).
Uitzondering: huur langer dan 9 jaar
Wanneer de huur wordt gesloten voor meer dan 9 jaar, verandert de kwalificatie. Een
langdurige huur heeft immers een belangrijke impact op het vermogen van de eigenaar:
het goed wordt langdurig bezwaard,
de economische vrijheid van de eigenaar wordt sterk beperkt.
Daarom wordt een huur van meer dan 9 jaar beschouwd als een daad van beschikking.
Hetzelfde geldt vaak voor:
handelshuur, wegens de sterke impact en bescherming van de huurder.
Verhuring door vertegenwoordigers van minderjarigen
Bij vertegenwoordiging van een minderjarige gelden bijzondere beschermingsregels.
Volgens art. 1718 oud BW, in samenhang met art. 595 oud BW, kunnen wettelijke
vertegenwoordigers niet zomaar langdurige huurovereenkomsten afsluiten namens een
minderjarige. Voor belangrijke beschikkingsdaden (zoals een huur van meer dan 9 jaar) is
bijkomende bescherming of machtiging vereist. Dit moet vermijden dat het vermogen van de
minderjarige te zwaar wordt bezwaard.
Verhuurder moet geen eigenaar zijn
Een belangrijk principe in het huurrecht is dat de verhuurder niet noodzakelijk:
eigenaar,