Diagnostiek binnen de levenslooppsychologie is er op gericht inzicht te
krijgen op de ontwikkeling van de cliënt en factoren die dit kunnen
beïnvloeden.
Ontwikkeling kwantitatieve en of kwalitatieve veranderingen die zich
gedurende de levensloop voordoen, hierbij is belangrijk:
- Ontwikkeling is levenslang er is geen enkele periode alles
bepalend of overheersend in impact op verdere ontwikkeling.
- Ontwikkeling is multidirectioneel en multidimensioneel
Veranderingen in de ene dimensie hebben vaak direct of indirect
gevolgen voor de andere dimensies. Ontwikkeling is niet altijd
voortgang of groei maar ook verlies. De ontwikkeling kan op diverse
richtingen op diverse terreinen plaatsvinden.
- Ontwikkeling is plastisch De mens beschikt in alle levensfasen
over de mogelijkheid van verandering als gevolg van leren of
ervaring, maar de mogelijkheid tot verandering neemt af gedurende
de levensloop. Er bestaan ook interindividuele verschillen in
plasticiteit.
Drie soorten determinanten van de levensloop worden onderscheiden:
- Normatieve leeftijdgebonden invloeden zijn biologische en sociale
omgevingsinvloeden die leeftijdsgebonden zijn. Deze komen
ongeveer gelijktijdig voor bij meerdere individuen in eenzelfde
leeftijdsgroep die deel uitmaken van eenzelfde cultuur of subcultuur.
- Normatieve historische invloeden biologische en sociale
omgevingsinvloeden die verbonden zijn aan een specifieke,
tijdsgebonden maatschappelijke situatie.
- Niet normatieve invloeden biologische en sociale
omgevingsinvloeden die sterk persoonsgebonden zijn en niet in het
algemeen van toepassing op een bepaalde leeftijdsgroep. Laten zich
vaak onverwacht gelden en kunnen h et leven van een individu een
ander verloop geven
18% van NL diagnose psychiatrische stoornis + zorg
38% van NL floreert
Klinische diagnostiek is erop gericht klinische proble-
matiek te identificeren met het doel de juiste interventie toepassen. Er
worden uitspraken gedaan over de aan- of afwezigheid van een klinische
stoornis. Diagnostische criteria hiervoor zijn te vinden in DSM of ICD. Het
,streven is transitie van de psychopathologische as naar de subklinische of
optimale kant van de as.
Basis = hypothese toetsend model.
Levensloop diagnostiek Diagnostiek binnen de levensloop is gericht op
inzicht
krijgen in factoren die de ontwikkeling van het individu beïnvloeden. Hij wil
het algemeen welbevinden van cliënt bepalen en verbeteren. Basis =
hypothese toetsend model.
Veel gebruikte diagnostische instrumenten:
Methode prestatietaken hieronder vallen:
- intelligentietests: in kaart brengen van cognitieve capaciteit (vb
school/beroepkeuze)
- neuropsychologische taken: in kaart brengen van cognitief functioneren.
Bij vermoeden van beperking in cognitief vermogen doorverwijzen
neuropsycholoog
& functietests, tests voor motoriekonderzoek, didactische taken en
organisatorische prestatietaken.
Methode zelfrapportage hieronder vallen:
- probleemgerichte vragenlijsten: onderzoek naar subklinische
symptomatologie.
- persoonlijkheidsvragenlijsten: van belang bij maken van levenskeuzes of
begrijpen en verklaren van problemen. Bij ernstige problematiek verwijzen
klinisch psycholoog.
- Gezin/systeem vragenlijsten: functioneren van gezin in kaart brengen. Dit
kan met behulp van ESM (experience sampling Method)
- Interessetests: brengen persoonlijke interesses en affiniteiten in beeld
- Waarde en attitude vragenlijst: kunnen helpen bij begeleiding bij stellen
van persoonlijke doelen.
Methode beoordeling hieronder vallen:
- Projectieve testen: gegevens achterhalen die niet bereikt kunnen worden
via zelfrapportage of gedragsobservatie. Vaak is de taak bij projectief
onderzoek relatief ongestructureerd en is de bedoeling van de taak niet
duidelijk voor de cliënt. Hierdoor kan cliënt geen invloed uitoefenen op de
uitkomst van de test waardoor uitkomsten minder worden beïnvloed door
sociale wenselijkheid.
H2. De diagnostische cyclus in de praktijk van een
levenslooppsycholoog
Redenen voor het formaliseren van het psychodiagnostisch proces:
- Het vergemakkelijkt het leerproces van jonge diagnostici;
, - Het zorgt voor uniformiteit (belangrijk voor communicatie tussen
professionals);
- Het maakt vergelijkbaarheid van onderzoeksresultaten mogelijk
zowel tussen onderzochte subjecten (between-subjects) als binnen
een subject (within subjects);
- De belangrijkste reden is het voorkomen van mogelijke
oordeelsfouten van de diagnosticus!
Confirmation bias neigen van mensen om naar informatie te zoeken
die bij eigen mening past.
Halo effect de diagnosticus ziet een uitstekende prestatie op een van
de tests en gaat ervan uit dat prestaties op andere tests ook goed zullen
zijn (een fout wordt toegeschreven aan toeval).
Primacy- en recency effecten informatie die als eerst en laatst wordt
gepresenteerd wordt beter onthouden.
Empirische cyclus voor experimenteel onderzoek Deze cyclus
bestaat uit:
* Observatie
* Inductie: formuleren van theorie of hypothesen
* Deductie: afleiden van toetsbare voorspellingen uit theorie en
hypothesen
* Toetsing
* Evaluatie: dit hoeft geen eindpunt te zijn, na het voltooien van een
cyclus kunnen er nieuwe vragen ontstaan die nogmaals om het doorlopen
van de cyclus vragen.
Overeenkomsten tussen experimenteel onderzoek en diagnostiek
bij beide gaat het om het helder krijgen van onderzoeksvraag en het op
verantwoorde wijze vinden van een antwoord op die vraag via logisch
redeneren en het verzamelen van empirische gegevens.
Verschillen tussen experimenteel onderzoek en diagnostiek
wetenschappelijk onderzoek is gericht op generaliseerbare antwoorden
terwijl diagnostiek juist op zoek is naar unieke antwoorden voor een
individu of specifieke groep.
Nomologische werkwijze wetten worden toegepast op één geval in
plaats van een hele groep.
Hypothese toetsend model van De Bruyn Hét model voor
diagnostisch onderzoek en verslaglegging in NL. Richtlijnen bij het model:
- Toets vermoedens (hypothesen) aan gegevens en stel
(voor)oordelen bij als daar aanleiding toe bestaat
, - Zoek doelgericht en systematisch naar de benodigde gegevens en
houd rekening met consistentie in gegevens
- Hanteer theoretische verantwoorde redeneringen en gegevens uit
recent wetenschappelijk onderzoek
- Gebruik voldoende betrouwbare en valide diagnostische
onderzoeksmiddelen
- Leg verantwoording af aan collega’s en cliënten door de denk- en
werkwijze te expliciteren
Het doel van de richtlijnen = voorkomen en beperken oordeelsfouten,
streven transparantie, overdraagbaar raamwerk voor diagnostiek voor
plek in opleiding, communicatie tussen profs. Bevorderd en doen van
onderzoek vergemakkelijkt.
Bovenstaande richtlijnen zijn vertaald naar 4 stappen van hypothese
toetsend model (wederom cyclisch):
1. Hulpvraag analyse of analyse van vraag zodals cliënt die formuleert
(oorspronkelijk klachtenanalyse)
2. Situatie analyse en wetenschappelijk herformulering van de
hulpvraag (oorspronkelijk probleemanalyse)
3. Opstellen en toetsen van onderzoekshypothesen (oorspronkelijk
verklaringsanalyse
4. Integratie en rapportage (oorspronkelijk indicatie analyse)
Aanmelding (hulpvragen):
Horizontale opdrachtrelatie opdrachtgever is cliënt zelf
Verticale opdrachtrelatie opdrachtgever is iemandanders (bv
werkgever). Psycholoog heeft hierbij verantwoordelijkheid voor 3 partijen
namelijk: de cliënt, de opdrachtgever en het wetenschappelijkforum. We
onderscheiden hierbij 3 vormen van betrokkenheid:
1. Betrokkenheid bij opdrachtgever psycholoog tracht opdracht goed
uitte voeren in een goede en verantwoorde samenwerkingsrelatie
2. Betrokkenheid cliënt psycholoog is gebonden aan ethische
normen en waarden. Cliënt heeft recht op inzage en eventueel
blokkering van het rapport voordat de opdrachtgever deze krijgt.
Een kind vanaf 12 wordt zo veel mogelijk betrokken. Bij
minderjarigheid < 16 of wilsonbekwaam wordt wettelijk
vertegenwoordiger betrokken. Wanneer beslissing van
vertegenwoordiger in strijd is met belangen cliënt zal psycholoog
deze niet volgen.
3. Betrokkenheid bij het doen van verantwoord wetenschappelijk
onderzoek bij individuen.