Definities politiek:
De gezaghebbende toedeling van waarden (Easton 1965)
Who gets what, when how (Laswell 1936)
Mengvorm van conflict en samenwerking (Laver 1983)
Het verzoenen van verschillende belangen (Crick 1961)
De kunst van het besturen (Bismarck 1884)
Politiek is altijd:
1. Een collectieve activiteit: groepen staan centraal
2. Verschillende gezichtspunten: het gaat om conflicten oplossen
3. Gezaghebbend beleid, in uiterste geval dwang
Traditionele visie: alles dat met instituties van de staat te maken heeft
Moderne visie: politiek bestaat ook buiten de grenzen van het politieke systeem in de
publieke ruimte
Centrale concepten:
Macht: gaat altijd over een relatie tussen verschillende actoren
Drie dimensies van macht (Lukes):
1. Wie trekt aan het langste eind bij een conflict (preferenties en besluitvorming
staat centraal)
2. Wie heeft controle over de agenda? (Agenda-setting staat centraal. Voorkomen
dat beslissingen genomen worden)
3. Wie beïnvloed voorkeuren/ (thought control staat centraal, opvattingen van
mensen direct beïnvloeden)
Gezag: macht die als legitiem ervaren wordt
Volgens Weber drie vormen van gezag:
1. Traditioneel gezag (legitimiteit door traditie en gewoonte)
2. Charismatisch gezag (legitimiteit door waardering persoonlijke kenmerken)
3. Rationeel-legalistisch gezag (legitimiteit door functie van persoon, respect voor
regels)
De staat: drie hoofdtheorieën over het ontstaan van staten:
1. Politiek: staat lijdt tot oorlog, oorlog lijdt tot staat
2. Economisch: voor het bevorderen van de handel etc.
3. Cultureel: gedeelde identiteit
De natie en nationalisme
Ideologieën: een blauwdruk van hoe de samenleving eruit zou moeten zien, drie
onderdelen:
1. Visie / analyse van het nu
2. Visie van straks (waar streven we naar)
3. Visie van hoe het ideaal van straks bereikt kan worden
Veelgebruikt indeling: links - rechts, vaak opgedeeld in een twee dimensionale as
(+ vorm) met economische links - rechts op de horizontale as, en op de verticale
as cultureel links - rechts
Belangrijke ideologieën:
Liberalisme (individualisme, vrijheid, rationaliteit). Kan verdeeld worden in klassiek
en sociaal
, Conservatisme (traditie, pragmatisme, hiërarchie). Christen-democraten en
nieuwrechts
Socialisme (gelijkheid, gemeenschap, sociale klasse). Communisme, sociaal-
democraten
Ecologisme (ecologie, holisme, duurzaamheid).
Kosmopolitisme (wereldgemeenschap, mensenrechten, multiculturalisme)
Nativisme (Natie vs. ‘gevaarlijke anderen’)
Populisme (volk vs. Elite)
Het nut van vergelijken:
Typologieën van politieke regimes (verschillende staten indelen in groepen van
verschillend bestuur, overeenkomsten en verschillen vergelijken
Voorbeeld typologie Aristoteles:
Eén Paar Veel
Algemeen Monarchie Aristocratie Politeia
belang
Eigen belang Tirannie Oligarchie Democratie
Democratische regimes:
Demokratia = Demos + Kratos (betekenis: het volk bestuurt zelf)
De Grieken zagen het voor zich als een directe democratie, heeft nooit echt
bestaan zelf niet bij de Grieken (doordat niet iedereen stemrecht had,
tegenwoordig is het volk te groot)
Plato was bang dat als je de stem aan het volk zou geven er irrationele
beslissingen zouden worden genomen, hij vond een filosofische koning het beste
Democratie is niet perfect, maar alle andere vormen van bestuur zijn nog slechter
Drie vormen van democratie:
Directe democratie
Burgers nemen zelf de politiek beslissingen
Vroeger in volksvergaderingen, tegenwoordig referenda
Voordeel: legitimiteit, de meerderheid staat altijd achter de beslissingen
Nadelen: Tirannie van de meerderheid (minderheid bv op basis van religie,
etniciteit, seksuele voorkeur etc. worden niet meegenomen in de beslissingen) en
gewone burgers hebben vaak niet genoeg kennis en/ of tijd om te verdiepen om
weloverwogen beslissingen te maken
Representatieve democratie
Vertegenwoordigers van burgers nemen de politieke beslissingen
Voordelen: Mensen die beslissingen nemen hebben meer kennis en tijd, kunnen
zich beter verdiepen om weloverwogen beslissingen te nemen, en het is
praktischer m.b.t. het schaalprobleem, niet heel Nederland kan bij elkaar komen,
een groep vertegenwoordigers wel
Nadeel: het roept de grote vraag op ‘wat is representatie?’, wat wil je bereiken?
Precies dezelgde kenmerken (bv geslacht, etniciteit, leeftijd etc.) of dezelfde
standpunten? En wat moeten de vertegenwoordiger doen? Precies zoals het volk
wil? Of eigen keuzes maken?
, Mogelijke vormen selecteren vertegenwoordigers: loting (voordelen: iedereen
evenveel kans, Nadeel: minder representatief, andere hele grote groep nodig voor
goede representatie) of verkiezingen (vrij elitaire vorm, meestal vrij verspreid)
Liberale democratie
Vaak gecombineerd met representatieve democratie
De reikwijdte van democratisch genomen politiek beslissingen wordt ingeperkt
door liberale institutie. 2 centrale mechanismen:
1. Checks en Balances: tegenmachten voorkomt corruptie en
machtsconcentratie (bv provincies macht geven, parlement met 2 kamer,
Trias-Politica etc.)
2. Individuele rechten: voorkomt Tirannie vd meerderheid, door individuele
rechten wordt de minderheid beschermt (bv vrijheid van godsdienst,
meningsuiting etc.)
3. Nadeel: afstand van het volk, mensen begrijpen niet helemaal meer wat er
gebeurt
Niet democratieën:
Hybride regimes
Tussenvorm, er zijn democratische systemen en instituties
Democratie wordt gemanipuleerd waardoor het eigenlijk geen democratie meer te
noemen is (bv. Verkiezingen gaan niet eerlijk, corruptie, individuele rechten niet
altijd gerespecteerd)
Autoritaire regimes
Sterke leiders, er kunnen wel verkiezingen zijn, maar ze worden zo sterk
gemanipuleerd dat de uitslag eigenlijk al vast ligt, leven van de oppositie wordt
vaak onmogelijk gemaakt
Nauwelijks rechten en vrijheden, geen vrije media, corruptie
Vormen van autoritarisme:
1. Absolute monarchie, (bijna) alle macht bij de koninklijke familie
2. Personalisme, een persoon aan de macht, vaak onduidelijk wie opvolger vd
huidige leider
3. Heersende partij, een groepje mensen aan de macht, wel vaak één persoon die
alle macht naar zich toe trekt (lijkt dus op personalisme). Vaak zo in
communistische landen
4. Militaire regimes, als er een staatsgreep wordt gepleegd. Het leger grijpt de
macht, de leider van het leger trekt vaak alle macht naar zich toe en wordt
dictator
5. Theocratie, religieuze leider
6. (Totalitaire regimes), in het boek apart benoemt. Is de meest extreme vorm
van autoritarisme. Iedereen moet zich aan de ideologie van de leider houden
Regimes kunnen ook zeker veranderen van bestuursvormen, bv bij Rusland: communisme
opener systeem personalisme onder Poetin. China: communisme staatkapitalisme
(communistisch bestuur, kapitalistische economie) personalisme onder Xi Jinping
Democratisering
Volgens Huntington zijn er 3 golven democratisering geweest, er is ook sprake van
terugval volgens hem, maar uiteindelijk zou de democratisering wel doorzetten
1e golf: begin 19e eeuw, komt geleidelijk opgang. Tegenbewegingen: communisme
en fascisme
2e golf: Tijdens en na WOII, opkomst democratie. Tegenbewegingen: staatgrepen
3e golf: begin jaren ’70-90, de democratisering Spanje, Italië, val van Berlijnse
muur etc.
De gezaghebbende toedeling van waarden (Easton 1965)
Who gets what, when how (Laswell 1936)
Mengvorm van conflict en samenwerking (Laver 1983)
Het verzoenen van verschillende belangen (Crick 1961)
De kunst van het besturen (Bismarck 1884)
Politiek is altijd:
1. Een collectieve activiteit: groepen staan centraal
2. Verschillende gezichtspunten: het gaat om conflicten oplossen
3. Gezaghebbend beleid, in uiterste geval dwang
Traditionele visie: alles dat met instituties van de staat te maken heeft
Moderne visie: politiek bestaat ook buiten de grenzen van het politieke systeem in de
publieke ruimte
Centrale concepten:
Macht: gaat altijd over een relatie tussen verschillende actoren
Drie dimensies van macht (Lukes):
1. Wie trekt aan het langste eind bij een conflict (preferenties en besluitvorming
staat centraal)
2. Wie heeft controle over de agenda? (Agenda-setting staat centraal. Voorkomen
dat beslissingen genomen worden)
3. Wie beïnvloed voorkeuren/ (thought control staat centraal, opvattingen van
mensen direct beïnvloeden)
Gezag: macht die als legitiem ervaren wordt
Volgens Weber drie vormen van gezag:
1. Traditioneel gezag (legitimiteit door traditie en gewoonte)
2. Charismatisch gezag (legitimiteit door waardering persoonlijke kenmerken)
3. Rationeel-legalistisch gezag (legitimiteit door functie van persoon, respect voor
regels)
De staat: drie hoofdtheorieën over het ontstaan van staten:
1. Politiek: staat lijdt tot oorlog, oorlog lijdt tot staat
2. Economisch: voor het bevorderen van de handel etc.
3. Cultureel: gedeelde identiteit
De natie en nationalisme
Ideologieën: een blauwdruk van hoe de samenleving eruit zou moeten zien, drie
onderdelen:
1. Visie / analyse van het nu
2. Visie van straks (waar streven we naar)
3. Visie van hoe het ideaal van straks bereikt kan worden
Veelgebruikt indeling: links - rechts, vaak opgedeeld in een twee dimensionale as
(+ vorm) met economische links - rechts op de horizontale as, en op de verticale
as cultureel links - rechts
Belangrijke ideologieën:
Liberalisme (individualisme, vrijheid, rationaliteit). Kan verdeeld worden in klassiek
en sociaal
, Conservatisme (traditie, pragmatisme, hiërarchie). Christen-democraten en
nieuwrechts
Socialisme (gelijkheid, gemeenschap, sociale klasse). Communisme, sociaal-
democraten
Ecologisme (ecologie, holisme, duurzaamheid).
Kosmopolitisme (wereldgemeenschap, mensenrechten, multiculturalisme)
Nativisme (Natie vs. ‘gevaarlijke anderen’)
Populisme (volk vs. Elite)
Het nut van vergelijken:
Typologieën van politieke regimes (verschillende staten indelen in groepen van
verschillend bestuur, overeenkomsten en verschillen vergelijken
Voorbeeld typologie Aristoteles:
Eén Paar Veel
Algemeen Monarchie Aristocratie Politeia
belang
Eigen belang Tirannie Oligarchie Democratie
Democratische regimes:
Demokratia = Demos + Kratos (betekenis: het volk bestuurt zelf)
De Grieken zagen het voor zich als een directe democratie, heeft nooit echt
bestaan zelf niet bij de Grieken (doordat niet iedereen stemrecht had,
tegenwoordig is het volk te groot)
Plato was bang dat als je de stem aan het volk zou geven er irrationele
beslissingen zouden worden genomen, hij vond een filosofische koning het beste
Democratie is niet perfect, maar alle andere vormen van bestuur zijn nog slechter
Drie vormen van democratie:
Directe democratie
Burgers nemen zelf de politiek beslissingen
Vroeger in volksvergaderingen, tegenwoordig referenda
Voordeel: legitimiteit, de meerderheid staat altijd achter de beslissingen
Nadelen: Tirannie van de meerderheid (minderheid bv op basis van religie,
etniciteit, seksuele voorkeur etc. worden niet meegenomen in de beslissingen) en
gewone burgers hebben vaak niet genoeg kennis en/ of tijd om te verdiepen om
weloverwogen beslissingen te maken
Representatieve democratie
Vertegenwoordigers van burgers nemen de politieke beslissingen
Voordelen: Mensen die beslissingen nemen hebben meer kennis en tijd, kunnen
zich beter verdiepen om weloverwogen beslissingen te nemen, en het is
praktischer m.b.t. het schaalprobleem, niet heel Nederland kan bij elkaar komen,
een groep vertegenwoordigers wel
Nadeel: het roept de grote vraag op ‘wat is representatie?’, wat wil je bereiken?
Precies dezelgde kenmerken (bv geslacht, etniciteit, leeftijd etc.) of dezelfde
standpunten? En wat moeten de vertegenwoordiger doen? Precies zoals het volk
wil? Of eigen keuzes maken?
, Mogelijke vormen selecteren vertegenwoordigers: loting (voordelen: iedereen
evenveel kans, Nadeel: minder representatief, andere hele grote groep nodig voor
goede representatie) of verkiezingen (vrij elitaire vorm, meestal vrij verspreid)
Liberale democratie
Vaak gecombineerd met representatieve democratie
De reikwijdte van democratisch genomen politiek beslissingen wordt ingeperkt
door liberale institutie. 2 centrale mechanismen:
1. Checks en Balances: tegenmachten voorkomt corruptie en
machtsconcentratie (bv provincies macht geven, parlement met 2 kamer,
Trias-Politica etc.)
2. Individuele rechten: voorkomt Tirannie vd meerderheid, door individuele
rechten wordt de minderheid beschermt (bv vrijheid van godsdienst,
meningsuiting etc.)
3. Nadeel: afstand van het volk, mensen begrijpen niet helemaal meer wat er
gebeurt
Niet democratieën:
Hybride regimes
Tussenvorm, er zijn democratische systemen en instituties
Democratie wordt gemanipuleerd waardoor het eigenlijk geen democratie meer te
noemen is (bv. Verkiezingen gaan niet eerlijk, corruptie, individuele rechten niet
altijd gerespecteerd)
Autoritaire regimes
Sterke leiders, er kunnen wel verkiezingen zijn, maar ze worden zo sterk
gemanipuleerd dat de uitslag eigenlijk al vast ligt, leven van de oppositie wordt
vaak onmogelijk gemaakt
Nauwelijks rechten en vrijheden, geen vrije media, corruptie
Vormen van autoritarisme:
1. Absolute monarchie, (bijna) alle macht bij de koninklijke familie
2. Personalisme, een persoon aan de macht, vaak onduidelijk wie opvolger vd
huidige leider
3. Heersende partij, een groepje mensen aan de macht, wel vaak één persoon die
alle macht naar zich toe trekt (lijkt dus op personalisme). Vaak zo in
communistische landen
4. Militaire regimes, als er een staatsgreep wordt gepleegd. Het leger grijpt de
macht, de leider van het leger trekt vaak alle macht naar zich toe en wordt
dictator
5. Theocratie, religieuze leider
6. (Totalitaire regimes), in het boek apart benoemt. Is de meest extreme vorm
van autoritarisme. Iedereen moet zich aan de ideologie van de leider houden
Regimes kunnen ook zeker veranderen van bestuursvormen, bv bij Rusland: communisme
opener systeem personalisme onder Poetin. China: communisme staatkapitalisme
(communistisch bestuur, kapitalistische economie) personalisme onder Xi Jinping
Democratisering
Volgens Huntington zijn er 3 golven democratisering geweest, er is ook sprake van
terugval volgens hem, maar uiteindelijk zou de democratisering wel doorzetten
1e golf: begin 19e eeuw, komt geleidelijk opgang. Tegenbewegingen: communisme
en fascisme
2e golf: Tijdens en na WOII, opkomst democratie. Tegenbewegingen: staatgrepen
3e golf: begin jaren ’70-90, de democratisering Spanje, Italië, val van Berlijnse
muur etc.