HOOFDSTUK 26, The Age of Anxiety
Uncertainty in modern thought
Het tijdperk na de eerste wereldoorlog bracht veel culturele en intellectuele experimentatie met zich mee. Filosofen en
wetenschappers gingen twijfelen en verlieten veel gedachtegangen die de Westerse maatschappij vormde sinds de achttiende
-eeuwse verlichting. Radicale intellectuelen verwierpen de gedachte dat rationeel denken zou leiden tot een beter menselijk
begrip of maatschappelijke vooruitgang. Historici vinden het lastig exacte data te geven voor intellectuele en culturele
opkomsten.
Modern Philosophy
Voor 1914 geloofde de meeste mensen nog in verlichtingsidealen als vooruitgang, rede en individuele rechten. Aanhangers
van deze filosofieën hadden rede voor optimisme, vrouwen en arbeidersrechten kregen langzamerhand meer steun in hun
strijd en dankzij nieuwe sociale voorzieningen verhoogde de levensstandaard. Er was echter een kleine groep intellectuele
die tegen dit optimisme ingingen:
Friedrich Nietzsche: beargumenteerde dat het Westen sinds het klassieke Athene rationaliteit overdreven had
benadrukt. Hij was van mening dat rede, vooruitgang en respectabiliteit achterhaalde concepten waren die zelf-
ontdekking en excellentie tegengingen. Nietzsche waarschuwde dat het Westen een periode van Nihilisme tegemoet
ging (filosofische overtuiging dat het leven geen intrinsieke betekenis, doel, of objectieve waarde heeft).
Henri Bergson: Van mening dat ervaringen en intuïtie net zo belangrijk waren as rationeel en wetenschappelijk
denken voor het begrijpen van de realiteit.
Ludwig Wittgenstein: Volgens hem was filosofie de enige logische verklaring van gedachtes en zich daarom moest
richten op de studie van taal. Hij wordt vaak gelinkt aan het logische positivisme, Dit is Een filosofie die alleen
betekenis ziet in overtuigingen die empirisch bewezen kunnen worden, en die daarom de meeste vraagstukken van
de traditionele filosofie, van het bestaan van God tot de betekenis van geluk, als onzin afwijst.
Andere zochten antwoorden in het existentialisme, Een filosofie die de zinloosheid van het bestaan benadrukt en het belang
van het individu in de zoektocht naar morele waarden in een oneindige wereld benadrukt. Deze stroming verbond een grote
groep intellectuele die zochten naar waarde in een wereld voor spanningen en onzekerheden. Existentialisme had een aantal
negentiende-eeuwse voorlopers zoals Nietzsche, Kierkegaard en Dostoyevsky. Deze schrijvers legde de nadruk op
eenzaamheid en de zinloosheid van het menselijke en de noodzaak om de angst die hierdoor werd veroorzaakt te accepteren.
De meeste existentiële denkers in de twintigste-eeuw waren atheïsten. Vaak geïnspireerd door Nietzsche, geloofde zij niet
dat een goddelijk opperwezen de menselijke aard had gecreëerd en het leven betekenis had gegeven. Volgens intellectuele
als Sartre en de Beauvoir was het menselijk bestaan zelf absurd. Mensen zouden alleen zijn en er was geen God om hen te
helpen. De crisis van existentiële denkers benadrukte de moderne intellectuele crisis, de afbrokkeling van het Christelijke
geloof, rede en vooruitgang. De filosofie groeide enorm in aanhang tijdens en na de tweede wereldoorlog. De
verschrikkelijke omstandigheden versterkte het existentiële wereldbeeld en benadering van het leven.
The Revival of Christianity
Het verlies van geloof in de menselijke rede en vooruitgang zorgde voor een hernieuwde interesse in het Christendom.
Onder Theologen en intellectuele die naar God keerde als de enige oplossing voor de eenzaamheid en angst in de wereld na
de grote oorlog waren Karl Barth, Gabriel Marcel, T. S. Elliot, W. H. Auden, Evelyn Waugh, Aldous Huxley, Max Planck en
nog vele anderen. De Ideeën van theoloog Kierkegaard speelde een belangrijke rol, hij stelde dat men een ‘leap of faith’
moest nemen en het bestaan van een onkenbare maar grote God moesten accepteren.
The New Physics
In de late negentiende-eeuw speelde wetenschap een belangrijke rol in de samenleving en denkbeelden van de Westerse
maatschappij. Een belangrijke stap in de nieuwe wetenschap was de ontdekking van Marie Curie en Max Planck dat atomen
geen harde balletjes waren, maar bestonden uit veel kleine, snel-bewegende deeltjes als elektronen en protonen. Einstein
ging nog verder dan het onderzoek van Curie en Planck in het ondermijnen van Newtoniaanse natuurkunde, zijn speciale
relativiteitstheorie stelt dat de natuurwetten en de lichtsnelheid (𝑐 ≈300.000 km/s) gelijk zijn voor alle waarnemers die met
een constante snelheid bewegen. De Duitse wetenschapper Heisenberg formuleerde het onzekerheid principe. Dit stelt dat
de natuur zelf ultiem onkenbaar en onvoorspelbaar was. Alles zou relatief zijn en afhangen van het waarnemersperspectief.
,Door deze nieuwe wetenschappelijke theorieën verdween de stabiele rationele wereld van Nieuwtonische natuurkunde in
een universum van mogelijkheden.
Freudian Psychology
Vraagstukken omtrent de kracht en potentie van de menselijke geest werden steeds belangrijker. De theorieën van Sigmund
Freud hebben hier een sterke invloed op gehad en werden door vele als verontrustend gezien. Voorafgaand aan Freud
geloofde psychologen dat menselijk gedrag het resultaat was van een rationele beslissing van de bewuste geest. Vanaf de
late 1880’s beargumenteerde Freud dat onbewuste en instinctieve drijfveren ook belangrijke factoren hierin waren. Hij
beschreef drie structuren van de zelf die met elkaar in strijd zouden zijn:
Id: Zoekt onmiddellijke vervulling van alle verlangens en was compleet immoreel, deze werd in balans gehouden
door het superego.
Ego: De rationele zelf met het meeste bewustzijn dat probeerde te onderhandelen tussen het Id en superego.
Superego: De bewuste interne stem van ouderlijke of sociale controle, ook was deze irrationeel. Het superego zou
overdreven streng en punctueel zijn en in constant conflict met het plezier-zoekende Id.
Zijn psychologie werd populair in Europa en Amerika na 1918.
Modernism in Architecture, Art, Literature, and Music
Creatieve artieste verwierpen oude vormen en waardes. Modernisme in kunst, architectuur, literatuur en muziek zorgde voor
constante vernieuwingen en een zoektocht naar nieuwe vormen van expressie. Modernisme is het label dat wordt gegeven
aan de artistieke en culturele beweging van de late negentiende en vroege twintigste eeuw, het werd gekenmerkt door
radicale experimentatie die traditionele artistieke expressie uitdaagde.
Architecture and Design
Door de enorme stedelijke groei kwamen er in de Verenigde staten een nieuwe architectes stroming op. De Chicago School
of Architecten, onder leiding van Louis H. Sullivan, maakte gebruik van goedkoop staal, versterkt beton, en liften om hoge
wolkenkrabbers te bouwen, vaak zonder enige uiterlijke versiering. Voorstanders van moderne architectuur stelde dat dat
gebouwen moesten worden gemaakt volgens een nieuw principe: Functionalisme. Dit hield in dat gebouwen, net als
industriële producten, zo goed mogelijk moesten functioneren naar hun doeleinde zonder onnodige versiering. In 1919
bracht de architect Gropius de kleinkunst en toegepaste kunst samen in een interdisciplinaire school: het Bauhaus. Het
Bauhaus was een school die veel leiders van de moderne architectuur, design en theater samenbracht.
New artistic movements
Rond de tijd van de eerste Wereldoorlog onderging de visuele kunst ook grote veranderingen. Moderne schilderijen en
beelden werden steeds abstracter nadat kunstenaren vormen gingen afbreken in delen als lijnen, kleuren en vormen.
Een van de eerste moderne bewegingen was het impressionisme. Het impressionisme bloeide in 1870 op in Parijs onder
artiesten als Claude Monet. Deze artiesten keken naar de wereld om hen heen voor inspiratie en keerde zich hiermee af van
klassieke thema’s als religie en veldslagen. In de volgende jaren ontstonden steeds meer artistieke bewegingen.:
Postexpressionisme en expressionisme: Vincent van Gogh bouwde verder op impressieve motieven als kleur en
licht, maar voegde diepe psychologische elementen toe.
Avant-Garde: Pablo Picasso richt het kubisme op, een analytische geometrische kunstvorm met scherpe hoeken en
lijnen waarin kunst steeds abstracter werd.
Futurisme: Uitgevonden door Marinetti, een radicale kunst en literatuur beweging met als doel het transformeren
van de mentaliteit. Volgens Marinetti kon de traditionele cultuur moderne technologie en de veranderingen in de
menselijke geest die deze met zich meebrachten niet aan.
Dadaïsme: Een kunstvorm uit 1920 die alle geaccepteerde standaarden van kunst en gedragen aanvielen en genoten
van buitensporigheid. De stroming ontstond in Switzerland.
Surrealisme: Surrealisten als Salvador Dali waren beïnvloed door de psychologie van Freud en beeldde vormen van
het onbewust zijnde uit in hun kunst.
Twentieth-Century Literature
Na de eerste wereldoorlog werd de Westerse literatuur beïnvloed door het intellectuele klimaat van pessimisme en het
radicale experimenteren van de andere kunsten. Sommige schrijvers maakte gebruik van de stroom van gedachtes techniek.
,Een literaire techniek die werd teruggevonden bij onder andere Virginia Woolf dat gebruik maakt van interne monologen en
de gevoelens en gedachtes van een karakter om het menselijk bewustzijn te ontdekken. Het bekendste werk in deze
stroming is Ulysses door de Ierse schrijven James Joyce. Het doel van Ulysses is het weerspiegelen van modern leven: een
zogenaamd gigantisch raadsel dat onmogelijk is op te lossen.
Modern Music
Componisten en artiesten uitte de emotionele intensiteit en schok van modernisme ook door te experimenteren.
Het ballet the rite of spring van Stravinsky zorgde voor een opstand toen deze voor het eerst werd getoond.
Arnold Schonberg verliet traditionele tonen en harmonie, in een van zijn stukken worden alle twaalf noten van de
toonladder geplaatst in een abstract wiskundig patroon.
An Emerging Consumer Society
Na de eerste wereldoorlog hielpen nieuwe modellen als krediet, handel en advertenties bij het verkopen van massa-
geproduceerde producten. Tijdens het interbellum werden de contouren van een moderne consumptiemaatschappij duidelijk
zichtbaar.
Mass Culture
De consumptiemaatschappij van de jaren twintig laat zien hoe technologie de samenleving veranderde. Door
massaproductie, beter transport en reclame konden goedkope producten door veel meer mensen worden gekocht en
gebruikt. Tijdgenoten zagen de nieuwe massacultuur als een modern aspect van het dagelijks leven, sommige mensen
omarmde de veranderingen, ander waren bang dat hun tradities in gevaar kwamen. De kritiek was niet onterecht,
massaproductie hadden een grote impact op het alledaagse leven van mensen, moderne apparaten spelde nu een belangrijke
rol in het huishouden en privéleven.
Gecommercialiseerd massa entertainment bloeide ook op en kreeg een grote invloed in de manier waarop men hun vrije tijd
besteedde.
De opkomst van de moderne consument kon de bestaande sociale verschillen zowel ondermijnen als versterken. Aan de ene
kant hielp consumentisme met het democratiseren van de Westerse maatschappij en oude sociale barrières werden
doorbroken. Aan de andere kant werden sociale verschillen juist versterkt, producenten kwamen er al snel achter dat er
winst gemaakt kon worden door goederen aan specifieke groepen te adverteren (religieuze literatuur voor katholieken,
nieuwe mode voor jongeren, etc.) Hier kwam ook nog bij kijken dat de nieuwe technische producten vaak duur waren en
alleen toegankelijk voor de rijke, het bezitten hiervan werd dus ook gezien als een symbool van status en welvaart.
Veranderingen waren vooral terug te zien in de levens van vrouwen, de nieuwe huishoudproducten transformeerde hoe
vrouwen het werk in huis deden wat hun vaak veel tijd scheelde. Dankzij de groeiende consumenten cultuur werden
vrouwen steeds zichtbaarder in de samenleving, ze werkte achter de toonbank en waren aan het shoppen in de warenhuizen.
Tijdgenoten maakte gebruik van de term: the modern girl, een onafhankelijke vrouw die mocht stemmen, werken, en haar
salaris uitgaf aan de nieuwste mode, ze maakte gebruik van haar seksuele aantrekkingskracht om mannen te verlijden. De
modern girl was in sommige opzichten een stereotypering, het kwam voort uit advertentiecampagnes die bedoeld waren om
te verkopen aan de wereld, weinig jonge vrouwen konden dit imago bekostigen.
Consumenten cultuur riep verschillende soorten kritiek op:
Links: Socialisten maakten zich zorgen dat de aantrekkingskracht van het consumentisme de radicalisering van de
middenklasse zou ondermijnen, doordat het passieve consumenten zou creëren in plaats van politiek bewuste,
klassenbewuste revolutionairen.
Rechts: Conservatieve klaagde dat het geld dat naar de massaconsumptie ging zorgde voor een achteruitgang van
de ambachtslieden en nationale tradities zou ondermijnen.
Confessionele: Religieuze leiders protesteerde het moderne consumentisme omdat het individualisme aanmoedigde
en ervoor zorgde dat materialisme he spiritualisme zou vervangen.
Overig: Er was ook veel kritiek over de nieuwe rol van vrouwen in de samenleving, men vond dat zij te losse
moralen hadden en dat de traditionele familiewaardes verloren gingen.
The Appeal of Cinema
, De invloed van massacultuur is vooral goed terug te zien in de snelle groei van commerciële entertainment zoals radio en
bioscopen. De eerste bioscopen kwamen op in de VS in 1880, rond 1914 waren ze ook te vinden in GB, Frankrijk, Italië en
Duitsland. Tijdens de eerste wereldoorlog gingen regeringen gebruik maken van films voor het verspreiden van propaganda.
In de jaren 20 werd film echt een vorm van massamedia, over heel de wereld werden studio’s opgezet, bijvoorbeeld de
Duitse Universal Film Company. Het maken van films groeide uit tot een grootschalige industrie en bleef de centrale vorm
van entertainment voor de maatschappij tot na de tweede wereldoorlog.
Propagandafilms werden vooral door regeringsleiders met een dictatoriaal regime gebruikt, zo moedigde Lenin het maken
van Sovjetfilms aan omdat hij geloofde dat het essentieel was in het vormen van de sociale en ideologische hervormingen in
het land. In Nazi-Duitsland werden films voor dezelfde doeleinde gebruikt, de regisseur Leni Riefenstahl produceerde een
propaganda documentaire over de Nazi rally die beeldde bevatte van enorme massa’s mensen die vol vreugde Hitler
welkom kwamen heten.
The arrival of radio
Radio werd, net als de film, een massamedia platform met veel invloed. Experimentele radio’s werden voor het eerst
beschikbaar in 1880, de eerste grote uitzendingen vonden in de VS en GB plaats in 1920; Elke land richtte al snel haar eigen
radioprogramma’s op, in de VS waren deze meestal privaat en in Europa werden ze vaak gefinancierd door de overheid. In
GB zette het parlement de BBC op, en in 1930 waren meer dan 3 van elke 4 huishoudens in GB en Duitsland in het bezit
van een radio. Ook de radio werd ingezet door regeringsleiders om propaganda te verspreiden, dictators als Hitler en
Mussolini konden enorme massa’s mensen bereiken met over gedramatiseerde speeches.
The Search for Peace and Political Stability
Na de vrede van Versailles was er sprake van een instabiele wapenstilstand, geen duurzame vrede, het bereiken hiervan
bleek een lastige taak voor de regeringsleiders:
Duitsland: Was het niet eens met de vrede van Versailles
Frankrijk: Voelde zich bedreigd en geïsoleerd
Groot-Brittannië: Bleek onbetrouwbaar en verloor sterke banden met haar bondgenoten
Verenigde Staten: Keerde hun rug naar Europa’s problemen en gaven steeds minder steun
Oost-Europa: Was in het nauw gedreven
Rusland: De communistische staat had een onzekere en wankele toekomst
Internationaal: de economische situatie was zwak en ingewikkeld door oorlogsschulden en de verstoorde handel
Germany and the western powers
Duitsland had nog steeds de mogelijkheid de sterkste macht van Europa te worden, maar bleef een bron van onzekerheid.
Direct na de oorlog begonnen de Franse de nadruk te leggen op de harde voorwaarden van het verdrag van Versailles.
Franse politici geloofde dat enorme herstelbetaling van Frankrijk vitaal waren voor de economie, het gros van de oorlog had
namelijk op Frans grondgebied plaatsgevonden, en Frankrijk moest nog schulden aflossen aan de Verenigde staten. De grote
betalingen zouden Duitsland ook klein houden, waardoor zij geen bedreiging meer waren voor Frankrijk. Groot-Brittannië
had hier een andere mening in, Duitsland was voor hen een belangrijke handelspartner en een welvarend Duitsland was
essentieel voor de Britse economie. Veel Britten waren het eens met de econoom Keynes, hij stelde dat de enorme
herstelbetalingen en economische sancties Duitsland zouden verarmen, hierdoor zouden economische problemen in heel de
wereld toenemen. Daarnaast stonden Britse politici wantrouwend tegenover het grote Franse leger, en hun expansieve
buitenlands beleid. Eerder keek Frankrijk naar Rusland als sterke bondgenoot, maar door het Russische communisme en de
Brits-Amerikaanse onwilligheid om verplichtingen aan te gaan, begon Frankrijk naar de nieuwe gevormde staten van
Europa te kijken voor steun (bijv. Polen, Roemenië, en Hongarije).
De Weimar Republiek maakte haar eerste herstelbetaling in 1921. In 1922 kondigen de Duitse leiders aan niet meer te
kunnen betalen, dit zou komen door inflatie en politieke aanslagen, maar ook door de arrogantie van de Duitse regering.
Er werd voorgesteld om de herstelbetalingen drie jaar op te schorten, met de bedoeling dat ze daarna sterk verlaagd of
helemaal afgeschaft zouden worden. Groot-Brittannië ging hiermee akkoord, maar Frankrijk niet. Onder leiding van
premier Raymond Poincaré besloot Frankrijk Duitsland onder druk te zetten en het Verdrag van Versailles te handhaven
door het Ruhrgebied te bezetten als Duitsland niet betaalde. Ondanks Brits protest bezetten Franse en Belgische troepen in
januari 1923 het Ruhrgebied, wat leidde tot een grote internationale crisis in de jaren twintig. De Duitse regering gaf
arbeiders in het Ruhr gebied de opdracht hun werk neer te leggen, tien procent van de Duitse bevolking kwam zonder werk
Uncertainty in modern thought
Het tijdperk na de eerste wereldoorlog bracht veel culturele en intellectuele experimentatie met zich mee. Filosofen en
wetenschappers gingen twijfelen en verlieten veel gedachtegangen die de Westerse maatschappij vormde sinds de achttiende
-eeuwse verlichting. Radicale intellectuelen verwierpen de gedachte dat rationeel denken zou leiden tot een beter menselijk
begrip of maatschappelijke vooruitgang. Historici vinden het lastig exacte data te geven voor intellectuele en culturele
opkomsten.
Modern Philosophy
Voor 1914 geloofde de meeste mensen nog in verlichtingsidealen als vooruitgang, rede en individuele rechten. Aanhangers
van deze filosofieën hadden rede voor optimisme, vrouwen en arbeidersrechten kregen langzamerhand meer steun in hun
strijd en dankzij nieuwe sociale voorzieningen verhoogde de levensstandaard. Er was echter een kleine groep intellectuele
die tegen dit optimisme ingingen:
Friedrich Nietzsche: beargumenteerde dat het Westen sinds het klassieke Athene rationaliteit overdreven had
benadrukt. Hij was van mening dat rede, vooruitgang en respectabiliteit achterhaalde concepten waren die zelf-
ontdekking en excellentie tegengingen. Nietzsche waarschuwde dat het Westen een periode van Nihilisme tegemoet
ging (filosofische overtuiging dat het leven geen intrinsieke betekenis, doel, of objectieve waarde heeft).
Henri Bergson: Van mening dat ervaringen en intuïtie net zo belangrijk waren as rationeel en wetenschappelijk
denken voor het begrijpen van de realiteit.
Ludwig Wittgenstein: Volgens hem was filosofie de enige logische verklaring van gedachtes en zich daarom moest
richten op de studie van taal. Hij wordt vaak gelinkt aan het logische positivisme, Dit is Een filosofie die alleen
betekenis ziet in overtuigingen die empirisch bewezen kunnen worden, en die daarom de meeste vraagstukken van
de traditionele filosofie, van het bestaan van God tot de betekenis van geluk, als onzin afwijst.
Andere zochten antwoorden in het existentialisme, Een filosofie die de zinloosheid van het bestaan benadrukt en het belang
van het individu in de zoektocht naar morele waarden in een oneindige wereld benadrukt. Deze stroming verbond een grote
groep intellectuele die zochten naar waarde in een wereld voor spanningen en onzekerheden. Existentialisme had een aantal
negentiende-eeuwse voorlopers zoals Nietzsche, Kierkegaard en Dostoyevsky. Deze schrijvers legde de nadruk op
eenzaamheid en de zinloosheid van het menselijke en de noodzaak om de angst die hierdoor werd veroorzaakt te accepteren.
De meeste existentiële denkers in de twintigste-eeuw waren atheïsten. Vaak geïnspireerd door Nietzsche, geloofde zij niet
dat een goddelijk opperwezen de menselijke aard had gecreëerd en het leven betekenis had gegeven. Volgens intellectuele
als Sartre en de Beauvoir was het menselijk bestaan zelf absurd. Mensen zouden alleen zijn en er was geen God om hen te
helpen. De crisis van existentiële denkers benadrukte de moderne intellectuele crisis, de afbrokkeling van het Christelijke
geloof, rede en vooruitgang. De filosofie groeide enorm in aanhang tijdens en na de tweede wereldoorlog. De
verschrikkelijke omstandigheden versterkte het existentiële wereldbeeld en benadering van het leven.
The Revival of Christianity
Het verlies van geloof in de menselijke rede en vooruitgang zorgde voor een hernieuwde interesse in het Christendom.
Onder Theologen en intellectuele die naar God keerde als de enige oplossing voor de eenzaamheid en angst in de wereld na
de grote oorlog waren Karl Barth, Gabriel Marcel, T. S. Elliot, W. H. Auden, Evelyn Waugh, Aldous Huxley, Max Planck en
nog vele anderen. De Ideeën van theoloog Kierkegaard speelde een belangrijke rol, hij stelde dat men een ‘leap of faith’
moest nemen en het bestaan van een onkenbare maar grote God moesten accepteren.
The New Physics
In de late negentiende-eeuw speelde wetenschap een belangrijke rol in de samenleving en denkbeelden van de Westerse
maatschappij. Een belangrijke stap in de nieuwe wetenschap was de ontdekking van Marie Curie en Max Planck dat atomen
geen harde balletjes waren, maar bestonden uit veel kleine, snel-bewegende deeltjes als elektronen en protonen. Einstein
ging nog verder dan het onderzoek van Curie en Planck in het ondermijnen van Newtoniaanse natuurkunde, zijn speciale
relativiteitstheorie stelt dat de natuurwetten en de lichtsnelheid (𝑐 ≈300.000 km/s) gelijk zijn voor alle waarnemers die met
een constante snelheid bewegen. De Duitse wetenschapper Heisenberg formuleerde het onzekerheid principe. Dit stelt dat
de natuur zelf ultiem onkenbaar en onvoorspelbaar was. Alles zou relatief zijn en afhangen van het waarnemersperspectief.
,Door deze nieuwe wetenschappelijke theorieën verdween de stabiele rationele wereld van Nieuwtonische natuurkunde in
een universum van mogelijkheden.
Freudian Psychology
Vraagstukken omtrent de kracht en potentie van de menselijke geest werden steeds belangrijker. De theorieën van Sigmund
Freud hebben hier een sterke invloed op gehad en werden door vele als verontrustend gezien. Voorafgaand aan Freud
geloofde psychologen dat menselijk gedrag het resultaat was van een rationele beslissing van de bewuste geest. Vanaf de
late 1880’s beargumenteerde Freud dat onbewuste en instinctieve drijfveren ook belangrijke factoren hierin waren. Hij
beschreef drie structuren van de zelf die met elkaar in strijd zouden zijn:
Id: Zoekt onmiddellijke vervulling van alle verlangens en was compleet immoreel, deze werd in balans gehouden
door het superego.
Ego: De rationele zelf met het meeste bewustzijn dat probeerde te onderhandelen tussen het Id en superego.
Superego: De bewuste interne stem van ouderlijke of sociale controle, ook was deze irrationeel. Het superego zou
overdreven streng en punctueel zijn en in constant conflict met het plezier-zoekende Id.
Zijn psychologie werd populair in Europa en Amerika na 1918.
Modernism in Architecture, Art, Literature, and Music
Creatieve artieste verwierpen oude vormen en waardes. Modernisme in kunst, architectuur, literatuur en muziek zorgde voor
constante vernieuwingen en een zoektocht naar nieuwe vormen van expressie. Modernisme is het label dat wordt gegeven
aan de artistieke en culturele beweging van de late negentiende en vroege twintigste eeuw, het werd gekenmerkt door
radicale experimentatie die traditionele artistieke expressie uitdaagde.
Architecture and Design
Door de enorme stedelijke groei kwamen er in de Verenigde staten een nieuwe architectes stroming op. De Chicago School
of Architecten, onder leiding van Louis H. Sullivan, maakte gebruik van goedkoop staal, versterkt beton, en liften om hoge
wolkenkrabbers te bouwen, vaak zonder enige uiterlijke versiering. Voorstanders van moderne architectuur stelde dat dat
gebouwen moesten worden gemaakt volgens een nieuw principe: Functionalisme. Dit hield in dat gebouwen, net als
industriële producten, zo goed mogelijk moesten functioneren naar hun doeleinde zonder onnodige versiering. In 1919
bracht de architect Gropius de kleinkunst en toegepaste kunst samen in een interdisciplinaire school: het Bauhaus. Het
Bauhaus was een school die veel leiders van de moderne architectuur, design en theater samenbracht.
New artistic movements
Rond de tijd van de eerste Wereldoorlog onderging de visuele kunst ook grote veranderingen. Moderne schilderijen en
beelden werden steeds abstracter nadat kunstenaren vormen gingen afbreken in delen als lijnen, kleuren en vormen.
Een van de eerste moderne bewegingen was het impressionisme. Het impressionisme bloeide in 1870 op in Parijs onder
artiesten als Claude Monet. Deze artiesten keken naar de wereld om hen heen voor inspiratie en keerde zich hiermee af van
klassieke thema’s als religie en veldslagen. In de volgende jaren ontstonden steeds meer artistieke bewegingen.:
Postexpressionisme en expressionisme: Vincent van Gogh bouwde verder op impressieve motieven als kleur en
licht, maar voegde diepe psychologische elementen toe.
Avant-Garde: Pablo Picasso richt het kubisme op, een analytische geometrische kunstvorm met scherpe hoeken en
lijnen waarin kunst steeds abstracter werd.
Futurisme: Uitgevonden door Marinetti, een radicale kunst en literatuur beweging met als doel het transformeren
van de mentaliteit. Volgens Marinetti kon de traditionele cultuur moderne technologie en de veranderingen in de
menselijke geest die deze met zich meebrachten niet aan.
Dadaïsme: Een kunstvorm uit 1920 die alle geaccepteerde standaarden van kunst en gedragen aanvielen en genoten
van buitensporigheid. De stroming ontstond in Switzerland.
Surrealisme: Surrealisten als Salvador Dali waren beïnvloed door de psychologie van Freud en beeldde vormen van
het onbewust zijnde uit in hun kunst.
Twentieth-Century Literature
Na de eerste wereldoorlog werd de Westerse literatuur beïnvloed door het intellectuele klimaat van pessimisme en het
radicale experimenteren van de andere kunsten. Sommige schrijvers maakte gebruik van de stroom van gedachtes techniek.
,Een literaire techniek die werd teruggevonden bij onder andere Virginia Woolf dat gebruik maakt van interne monologen en
de gevoelens en gedachtes van een karakter om het menselijk bewustzijn te ontdekken. Het bekendste werk in deze
stroming is Ulysses door de Ierse schrijven James Joyce. Het doel van Ulysses is het weerspiegelen van modern leven: een
zogenaamd gigantisch raadsel dat onmogelijk is op te lossen.
Modern Music
Componisten en artiesten uitte de emotionele intensiteit en schok van modernisme ook door te experimenteren.
Het ballet the rite of spring van Stravinsky zorgde voor een opstand toen deze voor het eerst werd getoond.
Arnold Schonberg verliet traditionele tonen en harmonie, in een van zijn stukken worden alle twaalf noten van de
toonladder geplaatst in een abstract wiskundig patroon.
An Emerging Consumer Society
Na de eerste wereldoorlog hielpen nieuwe modellen als krediet, handel en advertenties bij het verkopen van massa-
geproduceerde producten. Tijdens het interbellum werden de contouren van een moderne consumptiemaatschappij duidelijk
zichtbaar.
Mass Culture
De consumptiemaatschappij van de jaren twintig laat zien hoe technologie de samenleving veranderde. Door
massaproductie, beter transport en reclame konden goedkope producten door veel meer mensen worden gekocht en
gebruikt. Tijdgenoten zagen de nieuwe massacultuur als een modern aspect van het dagelijks leven, sommige mensen
omarmde de veranderingen, ander waren bang dat hun tradities in gevaar kwamen. De kritiek was niet onterecht,
massaproductie hadden een grote impact op het alledaagse leven van mensen, moderne apparaten spelde nu een belangrijke
rol in het huishouden en privéleven.
Gecommercialiseerd massa entertainment bloeide ook op en kreeg een grote invloed in de manier waarop men hun vrije tijd
besteedde.
De opkomst van de moderne consument kon de bestaande sociale verschillen zowel ondermijnen als versterken. Aan de ene
kant hielp consumentisme met het democratiseren van de Westerse maatschappij en oude sociale barrières werden
doorbroken. Aan de andere kant werden sociale verschillen juist versterkt, producenten kwamen er al snel achter dat er
winst gemaakt kon worden door goederen aan specifieke groepen te adverteren (religieuze literatuur voor katholieken,
nieuwe mode voor jongeren, etc.) Hier kwam ook nog bij kijken dat de nieuwe technische producten vaak duur waren en
alleen toegankelijk voor de rijke, het bezitten hiervan werd dus ook gezien als een symbool van status en welvaart.
Veranderingen waren vooral terug te zien in de levens van vrouwen, de nieuwe huishoudproducten transformeerde hoe
vrouwen het werk in huis deden wat hun vaak veel tijd scheelde. Dankzij de groeiende consumenten cultuur werden
vrouwen steeds zichtbaarder in de samenleving, ze werkte achter de toonbank en waren aan het shoppen in de warenhuizen.
Tijdgenoten maakte gebruik van de term: the modern girl, een onafhankelijke vrouw die mocht stemmen, werken, en haar
salaris uitgaf aan de nieuwste mode, ze maakte gebruik van haar seksuele aantrekkingskracht om mannen te verlijden. De
modern girl was in sommige opzichten een stereotypering, het kwam voort uit advertentiecampagnes die bedoeld waren om
te verkopen aan de wereld, weinig jonge vrouwen konden dit imago bekostigen.
Consumenten cultuur riep verschillende soorten kritiek op:
Links: Socialisten maakten zich zorgen dat de aantrekkingskracht van het consumentisme de radicalisering van de
middenklasse zou ondermijnen, doordat het passieve consumenten zou creëren in plaats van politiek bewuste,
klassenbewuste revolutionairen.
Rechts: Conservatieve klaagde dat het geld dat naar de massaconsumptie ging zorgde voor een achteruitgang van
de ambachtslieden en nationale tradities zou ondermijnen.
Confessionele: Religieuze leiders protesteerde het moderne consumentisme omdat het individualisme aanmoedigde
en ervoor zorgde dat materialisme he spiritualisme zou vervangen.
Overig: Er was ook veel kritiek over de nieuwe rol van vrouwen in de samenleving, men vond dat zij te losse
moralen hadden en dat de traditionele familiewaardes verloren gingen.
The Appeal of Cinema
, De invloed van massacultuur is vooral goed terug te zien in de snelle groei van commerciële entertainment zoals radio en
bioscopen. De eerste bioscopen kwamen op in de VS in 1880, rond 1914 waren ze ook te vinden in GB, Frankrijk, Italië en
Duitsland. Tijdens de eerste wereldoorlog gingen regeringen gebruik maken van films voor het verspreiden van propaganda.
In de jaren 20 werd film echt een vorm van massamedia, over heel de wereld werden studio’s opgezet, bijvoorbeeld de
Duitse Universal Film Company. Het maken van films groeide uit tot een grootschalige industrie en bleef de centrale vorm
van entertainment voor de maatschappij tot na de tweede wereldoorlog.
Propagandafilms werden vooral door regeringsleiders met een dictatoriaal regime gebruikt, zo moedigde Lenin het maken
van Sovjetfilms aan omdat hij geloofde dat het essentieel was in het vormen van de sociale en ideologische hervormingen in
het land. In Nazi-Duitsland werden films voor dezelfde doeleinde gebruikt, de regisseur Leni Riefenstahl produceerde een
propaganda documentaire over de Nazi rally die beeldde bevatte van enorme massa’s mensen die vol vreugde Hitler
welkom kwamen heten.
The arrival of radio
Radio werd, net als de film, een massamedia platform met veel invloed. Experimentele radio’s werden voor het eerst
beschikbaar in 1880, de eerste grote uitzendingen vonden in de VS en GB plaats in 1920; Elke land richtte al snel haar eigen
radioprogramma’s op, in de VS waren deze meestal privaat en in Europa werden ze vaak gefinancierd door de overheid. In
GB zette het parlement de BBC op, en in 1930 waren meer dan 3 van elke 4 huishoudens in GB en Duitsland in het bezit
van een radio. Ook de radio werd ingezet door regeringsleiders om propaganda te verspreiden, dictators als Hitler en
Mussolini konden enorme massa’s mensen bereiken met over gedramatiseerde speeches.
The Search for Peace and Political Stability
Na de vrede van Versailles was er sprake van een instabiele wapenstilstand, geen duurzame vrede, het bereiken hiervan
bleek een lastige taak voor de regeringsleiders:
Duitsland: Was het niet eens met de vrede van Versailles
Frankrijk: Voelde zich bedreigd en geïsoleerd
Groot-Brittannië: Bleek onbetrouwbaar en verloor sterke banden met haar bondgenoten
Verenigde Staten: Keerde hun rug naar Europa’s problemen en gaven steeds minder steun
Oost-Europa: Was in het nauw gedreven
Rusland: De communistische staat had een onzekere en wankele toekomst
Internationaal: de economische situatie was zwak en ingewikkeld door oorlogsschulden en de verstoorde handel
Germany and the western powers
Duitsland had nog steeds de mogelijkheid de sterkste macht van Europa te worden, maar bleef een bron van onzekerheid.
Direct na de oorlog begonnen de Franse de nadruk te leggen op de harde voorwaarden van het verdrag van Versailles.
Franse politici geloofde dat enorme herstelbetaling van Frankrijk vitaal waren voor de economie, het gros van de oorlog had
namelijk op Frans grondgebied plaatsgevonden, en Frankrijk moest nog schulden aflossen aan de Verenigde staten. De grote
betalingen zouden Duitsland ook klein houden, waardoor zij geen bedreiging meer waren voor Frankrijk. Groot-Brittannië
had hier een andere mening in, Duitsland was voor hen een belangrijke handelspartner en een welvarend Duitsland was
essentieel voor de Britse economie. Veel Britten waren het eens met de econoom Keynes, hij stelde dat de enorme
herstelbetalingen en economische sancties Duitsland zouden verarmen, hierdoor zouden economische problemen in heel de
wereld toenemen. Daarnaast stonden Britse politici wantrouwend tegenover het grote Franse leger, en hun expansieve
buitenlands beleid. Eerder keek Frankrijk naar Rusland als sterke bondgenoot, maar door het Russische communisme en de
Brits-Amerikaanse onwilligheid om verplichtingen aan te gaan, begon Frankrijk naar de nieuwe gevormde staten van
Europa te kijken voor steun (bijv. Polen, Roemenië, en Hongarije).
De Weimar Republiek maakte haar eerste herstelbetaling in 1921. In 1922 kondigen de Duitse leiders aan niet meer te
kunnen betalen, dit zou komen door inflatie en politieke aanslagen, maar ook door de arrogantie van de Duitse regering.
Er werd voorgesteld om de herstelbetalingen drie jaar op te schorten, met de bedoeling dat ze daarna sterk verlaagd of
helemaal afgeschaft zouden worden. Groot-Brittannië ging hiermee akkoord, maar Frankrijk niet. Onder leiding van
premier Raymond Poincaré besloot Frankrijk Duitsland onder druk te zetten en het Verdrag van Versailles te handhaven
door het Ruhrgebied te bezetten als Duitsland niet betaalde. Ondanks Brits protest bezetten Franse en Belgische troepen in
januari 1923 het Ruhrgebied, wat leidde tot een grote internationale crisis in de jaren twintig. De Duitse regering gaf
arbeiders in het Ruhr gebied de opdracht hun werk neer te leggen, tien procent van de Duitse bevolking kwam zonder werk