WEEK 8
Conflict en stagnatie tussen 1914 en 1945
Tijdens het interbellum vertraagde de economische ontwikkeling, vooral in Europa. De economische groei nam af en de
wereldhandel viel grotendeels stil. Voor de Eerste Wereldoorlog was juist sprake van sterke expansie door de Tweede
Industriële Revolutie. Nieuwe technologieën invoeren bleek echter lastig: bedrijven vervingen machines pas wanneer
nieuwe modellen de investering waard waren. Daarom werden elektrische machines pas vanaf de jaren twintig op grote
schaal gebruikt, terwijl elektriciteit al rond 1900 beschikbaar was. Uiteindelijk zorgde elektriciteit wel voor sterke
productiviteitsgroei. Internationale handel en investeringen stimuleerden technologische innovatie, maar deze verwevenheid
tussen landen werd in 1914 door de oorlog doorbroken en herstelde zich in de jaren twintig slechts langzaam. Daardoor
kwam de economie na de Eerste Wereldoorlog moeizaam op gang.
De oorlog had ook invloed op het neutrale Nederland. Handelsrelaties raakten ontregeld, maar de oorlog stimuleerde
specialisatie. Bedrijven gingen meer samenwerken en er ontstond meer verticale integratie, waarbij bedrijven het volledige
productieproces beheerden. Daarnaast kreeg de overheid een grotere rol in de economie. Een positief gevolg was de verdere
modernisering van de landbouw.
De VS werden de dominante economische macht, ondanks hun aanvankelijke isolement tijdens de Eerste Wereldoorlog. In
de jaren twintig ontstond daar massaconsumptie en kregen de VS een technologische voorsprong. Amerikanen werkten
bovendien meer uren. In Oost-Europa ontstond tegelijkertijd het communistische machtsblok. Lenin kwam in 1917 aan de
macht en in 1922 werd de USSR opgericht. Dit bleef tot 1991 een belangrijk politiek en economisch blok. De economie
werd centraal geleid: de staat bepaalde wat geproduceerd werd. Vanaf de jaren dertig industrialiseerde de USSR snel via
vijfjarenplannen en collectiviseerde Stalin de landbouw.
Op 29 oktober 1929, Zwarte Dinsdag, daalden de beurskoersen op Wall Street met 40 procent. Veel beleggers gingen
failliet. Dit leidde tot de crisis van de jaren dertig, de zwaarste economische crisis van de twintigste eeuw. Consumptie
daalde sterk, bedrijven gingen failliet en op de financiële markten ontstond paniek. Koersen zakten in, banken vielen om en
spaargeld verdween.
Vier aspecten zijn belangrijk om de crisis te begrijpen:
1. Structurele onevenwichtigheden: Groot-Brittannië hield vast aan de Gouden Standaard, waardoor het pond te duur
werd en de export verslechterde, terwijl de VS een gunstige concurrentiepositie kreeg. Daarnaast veroorzaakten
oorlogsschulden grote kapitaalstromen, trokken de VS investeringen uit Duitsland terug en raakten markten voor
duurzame consumptiegoederen verzadigd. Ook hadden boeren te veel geïnvesteerd in mechanisatie.
2. De reële economie: De beurscrisis verminderde de Amerikaanse vraag naar importgoederen, waardoor
exportlanden economisch werden geraakt. Veel landen reageerden met protectionisme, waardoor de wereldhandel
verder afnam en een neerwaartse spiraal ontstond.
3. Beleidsreacties: Landen als Groot-Brittannië en de VS verlieten de Gouden Standaard en devalueerden hun munt,
waardoor hun exportpositie verbeterde. Nederland bleef vasthouden aan de Gouden Standaard. Dit versterkte het
internationale vertrouwen, maar maakte de gulden te duur. Daardoor duurde de crisis in Nederland langer. Premier
Colijn verlaagde de lonen om de exportpositie te verbeteren, maar hierdoor nam de koopkracht af en werd de crisis
verdiept.
4. Monetaire aspecten: Na de beurskrach daalde de geldhoeveelheid omdat mensen gingen sparen in plaats van
investeren. De Amerikaanse centrale bank, de Fed, voerde een te voorzichtig monetair beleid, waardoor banken
failliet gingen.
Keynesianisten en monetaristen verschilden sterk van mening over economisch beleid. John Maynard Keynes vond dat
overheden anticyclisch beleid moesten voeren om recessies te verkorten. De overheid moest in slechte tijden lenen en
investeren om de effectieve vraag te ondersteunen; dit heet deficit spending. Werkloosheid moest worden bestreden via
volledige werkgelegenheid en nieuwe projecten, zodat de vraag naar goederen en diensten op peil bleef. Monetaristen
legden juist de nadruk op inflatiebestrijding. Volgens hen mocht de geldhoeveelheid alleen groeien wanneer ook de
productie en het aanbod toenamen.
Institutionele vernieuwing na 1945
,De Tweede Wereldoorlog vormde een keerpunt. De fascisten waren verslagen en maakten plaats voor democratische en
communistische regimes. Door de Koude Oorlog raakte de wereld verdeeld, terwijl door dekolonisatie veel nieuwe staten
ontstonden. De Koude Oorlog had niet alleen een politieke, maar ook een economische dimensie. De Sovjetunie bood een
communistisch alternatief voor het kapitalisme, dat lange tijd redelijk succesvol leek. Centrale economische planning bleek
dus mogelijk. Tegelijk veranderden de internationale economische verhoudingen. Landen wilden meer internationale
samenwerking om vrije wereldhandel te bevorderen en economische schommelingen beter op te vangen. Het vertrouwen in
de ‘invisible hand’ van de markt nam af.
In 1944 kwamen politici en economen bijeen in Bretton Woods om afspraken te maken over de naoorlogse economie.
Belangrijke economen waren Keynes en White. Een belangrijk resultaat was het Bretton Woods-stelsel, een internationaal
wisselkoerssysteem dat flexibeler was dan de Gouden Standaard maar toch stabiliteit bood. De dollar werd gekoppeld aan
goud en andere valuta werden aan de dollar verbonden. De wisselkoersen bleven tot 1971 grotendeels vast.
In de jaren zestig voerde president Johnson zijn Great Society-programma in om ongelijkheid te verminderen. Samen met
de hoge kosten van de Vietnamoorlog verzwakte dit het vertrouwen in de dollar. Daardoor stortte het Bretton Woods-stelsel
uiteindelijk in.
Na de Tweede Wereldoorlog werd ook het IMF opgericht. Hiermee konden landen tijdelijke tekorten op hun betalingsbalans
opvangen. Na 1971 werden wisselkoersen zwevend: vraag en aanbod bepaalden voortaan de waarde van valuta.
Wederkerigheid bleef belangrijk; landen moesten gezamenlijk hun beleid aanpassen, hoewel sommige staten hun munt
opnieuw aan de dollar koppelden. Met de invoering van de euro in 1999 ontstond binnen Europa opnieuw een vast
wisselkoerssysteem.
In Bretton Woods werd daarnaast de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT) opgericht. Dit verdrag moest
protectionisme beperken door handelstarieven te verlagen en vrijhandel te stimuleren. Twee principes stonden centraal:
wederkerigheid, waarbij landen elkaars markten openstelden, en non-discriminatie, waarbij dezelfde handelsvoorwaarden
golden voor alle deelnemende landen. In 1995 werd de GATT vervangen door de World Trade Organisation (WTO), een
permanente organisatie gericht op het bevorderen van vrijhandel, vooral in de industrie. Westerse landen bleven op
landbouwgebied echter nog lange tijd protectionistisch. Pas vanaf 2001 kwam hierin geleidelijk verandering.
Ontwikkelingssamenwerking
In Bretton Woods werd ook de Wereldbank opgericht om economisch herstel na de oorlog te stimuleren. De bank verstrekte
langetermijnleningen aan landen voor economische ontwikkeling. Veel ontwikkelingslanden wilden industrialiseren.
Daarbij volgde de Wereldbank het model van Rostow: een economie moest een take-offfase bereiken waarna self-sustained
growth mogelijk werd. Hiervoor waren grote investeringen nodig.
Andere economen benadrukten juist internationale machtsverhoudingen. Structuralisten stelden dat voormalige koloniën
economisch afhankelijk bleven van hun oude moederlanden, omdat die hun grondstoffen nodig hadden. Deze vorm van
uitbuiting wordt neokolonialisme genoemd. Later groeide het idee dat economische ontwikkeling afhankelijk was van een
goed functionerende internationale markt, betrouwbare instituties zoals eigendoms- en contractrecht, en een verantwoord
overheidsbestuur.
Er ontstond ook discussie over de economische gevolgen van kolonialisme voor de koloniën zelf. Enerzijds remden
invoertarieven en onderdrukking de groei, anderzijds investeerden koloniale machten in infrastructuur en soms onderwijs.
Hieruit ontstond de reversal of fortune-theorie: arme gebieden profiteerden soms van koloniale overheersing, terwijl rijkere
en verder ontwikkelde gebieden, zoals India, juist economisch werden geremd.
Economische groei had daarnaast grote gevolgen voor het milieu. Door het gebruik van fossiele brandstoffen nam de
uitstoot sterk toe, al was deze energie nodig om het Malthusiaanse plafond te doorbreken. Luchtvervuiling werd een groot
probleem in steden. Britse steenkooluitstoot verminderde zelfs de visstand in Scandinavië. Ook ontstonden zure regen en
inzicht in het broeikaseffect. Economische groei had dus altijd milieukosten.
Groei in de wereldeconomie
Het economisch herstel na de Tweede Wereldoorlog verliep opvallend snel. Europa had echter een tekort aan dollars en was
afhankelijk van voedselimport uit de VS, omdat de landbouw zwaar beschadigd was. De Marshallhulp hielp Europa
herstellen en droeg bij aan verdere welvaartsgroei. De VS investeerde miljarden dollars, waarvan ook Nederland
profiteerde. Via een complex systeem werden met Amerikaans geld infrastructurele projecten gefinancierd. De hulp
verlichtte de voedselschaarste, al herstelde Europa ook deels op eigen kracht; de Marshallhulp versnelde dit proces vooral.
, De hulp had daarnaast twee belangrijke immateriële effecten. Ten eerste werd de OESO opgericht, een organisatie voor
economische samenwerking tussen westerse landen, wat een voorwaarde van de VS was voor de Marshallhulp. Ten tweede
nam de Amerikaanse invloed toe, waardoor veel Amerikaanse technologie Europa bereikte.
De periode 1950–1973 staat bekend als de ‘Gouden Jaren’. De West-Europese economie groeide sterk en Nederland
herstelde snel. Aan het begin van de oorlog kende Nederland al een korte hoogconjunctuur doordat mensen gingen
hamsteren. Tijdens de wederopbouw industrialiseerde Nederland verder, vooral in de chemie en elektrotechniek. De lonen
werden gedereguleerd, maar vanaf de jaren zestig gingen vakbonden hogere eisen stellen.
Ook internationaal veranderde veel. Europese integratie werd een belangrijke ontwikkeling. Handelsblokken bevorderen
onderlinge handel en beschermen lidstaten tegen volledige wereldwijde concurrentie. Naast de EU ontstonden ook andere
handelsblokken, zoals Mercosur in Midden- en Zuid-Amerika, ASEAN in Zuidoost-Azië en NAFTA in Noord-Amerika.
De Europese integratie begon met de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). In 1958 volgde de Europese
Economische Gemeenschap (EEG) en in 1992 ontstond de Europese Unie (EU), een economische en monetaire unie. In
2002 werd de euro ingevoerd.
De integratie had meerdere doelen. Europese landen wilden langdurige vrede veiligstellen en hun gezamenlijke
onderhandelingspositie versterken. Open markten stimuleerden economische groei. Daarnaast konden Europese landen
gezamenlijk hun landbouw beschermen, vooral belangrijk voor Frankrijk. De landbouwsubsidies waren echter zo hoog dat
grote overschotten ontstonden, bekend als ‘boterbergen’ en ‘melkplassen’.
Europese samenwerking is bijzonder omdat staten vrijwillig bevoegdheden overdroegen aan de EU. Toch leverde de
samenwerking meer welvaart en concurrentiekracht op, waardoor landen dit acceptabel vonden. Nederland profiteerde hier
sterk van: ongeveer 60 procent van de export ging naar Europese landen, terwijl import vaak van buiten Europa kwam.
Door de sterke euro werd die import bovendien goedkoper.
De verzorgingsstaat
Na de Tweede Wereldoorlog voerden veel westerse landen een verzorgingsstaat in. Door de economische groei stegen de
belastinginkomsten, waardoor sociale voorzieningen mogelijk werden. In Nederland speelden de samenwerking en
onderhandelingen tussen werknemers- en werkgeversorganisaties hierin een belangrijke rol. Er kwamen onder meer
medezeggenschap, uitkeringen en een minimumloon.
Er bestaat discussie over de invloed van de verzorgingsstaat op economische groei. Tegenstanders stellen dat subsidies het
marktevenwicht verstoren, hoge belastingen ondernemers afremmen en royale uitkeringen de prikkel om te werken
verminderen. Voorstanders wijzen juist op positieve effecten: een gezonde en goed opgeleide bevolking, veilige openbare
voorzieningen en sterke collectieve voorzieningen bevorderen economische ontwikkeling.
De staat kreeg daarnaast steeds meer taken, waardoor het aantal ambtenaren groeide en de rijksoverheid uitbreidde. Tijdens
de Gouden Jaren was dit mogelijk doordat Nederland en andere westerse landen steeds welvarender werden. Daardoor
groeide ook de verzorgingsstaat verder.
De economie vanaf 1970
Tijdens de jaren zeventig verslechterde de wereldeconomie. Inflatie nam toe en in 1973 verhoogde de OPEC de olieprijs
sterk, terwijl de productie daalde door conflicten met Israël. Bondgenoten van Israël kregen bovendien een olieboycot
opgelegd. Hierdoor ontstond de oliecrisis. Europa was economisch kwetsbaar: stijgende lonen verhoogden de arbeidskosten
en in Nederland waren uitkeringen en ambtenarensalarissen gekoppeld aan de lonen in de particuliere sector. Daardoor
stegen ook deze uitgaven voortdurend. De combinatie van stagnerende groei, hoge inflatie en oplopende werkloosheid
leidde tot stagflatie.
Aanvankelijk probeerde men de crisis met Keynesiaans beleid op te vangen, maar na de tweede oliecrisis van 1979 bleek dit
moeilijker. De werkloosheid steeg, de overheid kon minder uitgeven en de gulden was te duur geworden voor een sterke
exportpositie.
In de jaren tachtig kregen het supply-side beleid van Reagan en Thatcher en het herstel van het bedrijfsleven de overhand.
De nadruk verschoof naar vrije marktwerking en een sterke aanbodzijde van de economie. Economische groei kreeg
prioriteit boven Keynesiaanse stimulering en volledige werkgelegenheid. Centrale banken gingen de geldhoeveelheid
strenger controleren. In de VS verhoogde de Federal Reserve de rente om inflatie te bestrijden. Tegelijk zorgden ICT-
innovaties voor efficiëntere productie en communicatie, waardoor de productiviteit steeg.
Conflict en stagnatie tussen 1914 en 1945
Tijdens het interbellum vertraagde de economische ontwikkeling, vooral in Europa. De economische groei nam af en de
wereldhandel viel grotendeels stil. Voor de Eerste Wereldoorlog was juist sprake van sterke expansie door de Tweede
Industriële Revolutie. Nieuwe technologieën invoeren bleek echter lastig: bedrijven vervingen machines pas wanneer
nieuwe modellen de investering waard waren. Daarom werden elektrische machines pas vanaf de jaren twintig op grote
schaal gebruikt, terwijl elektriciteit al rond 1900 beschikbaar was. Uiteindelijk zorgde elektriciteit wel voor sterke
productiviteitsgroei. Internationale handel en investeringen stimuleerden technologische innovatie, maar deze verwevenheid
tussen landen werd in 1914 door de oorlog doorbroken en herstelde zich in de jaren twintig slechts langzaam. Daardoor
kwam de economie na de Eerste Wereldoorlog moeizaam op gang.
De oorlog had ook invloed op het neutrale Nederland. Handelsrelaties raakten ontregeld, maar de oorlog stimuleerde
specialisatie. Bedrijven gingen meer samenwerken en er ontstond meer verticale integratie, waarbij bedrijven het volledige
productieproces beheerden. Daarnaast kreeg de overheid een grotere rol in de economie. Een positief gevolg was de verdere
modernisering van de landbouw.
De VS werden de dominante economische macht, ondanks hun aanvankelijke isolement tijdens de Eerste Wereldoorlog. In
de jaren twintig ontstond daar massaconsumptie en kregen de VS een technologische voorsprong. Amerikanen werkten
bovendien meer uren. In Oost-Europa ontstond tegelijkertijd het communistische machtsblok. Lenin kwam in 1917 aan de
macht en in 1922 werd de USSR opgericht. Dit bleef tot 1991 een belangrijk politiek en economisch blok. De economie
werd centraal geleid: de staat bepaalde wat geproduceerd werd. Vanaf de jaren dertig industrialiseerde de USSR snel via
vijfjarenplannen en collectiviseerde Stalin de landbouw.
Op 29 oktober 1929, Zwarte Dinsdag, daalden de beurskoersen op Wall Street met 40 procent. Veel beleggers gingen
failliet. Dit leidde tot de crisis van de jaren dertig, de zwaarste economische crisis van de twintigste eeuw. Consumptie
daalde sterk, bedrijven gingen failliet en op de financiële markten ontstond paniek. Koersen zakten in, banken vielen om en
spaargeld verdween.
Vier aspecten zijn belangrijk om de crisis te begrijpen:
1. Structurele onevenwichtigheden: Groot-Brittannië hield vast aan de Gouden Standaard, waardoor het pond te duur
werd en de export verslechterde, terwijl de VS een gunstige concurrentiepositie kreeg. Daarnaast veroorzaakten
oorlogsschulden grote kapitaalstromen, trokken de VS investeringen uit Duitsland terug en raakten markten voor
duurzame consumptiegoederen verzadigd. Ook hadden boeren te veel geïnvesteerd in mechanisatie.
2. De reële economie: De beurscrisis verminderde de Amerikaanse vraag naar importgoederen, waardoor
exportlanden economisch werden geraakt. Veel landen reageerden met protectionisme, waardoor de wereldhandel
verder afnam en een neerwaartse spiraal ontstond.
3. Beleidsreacties: Landen als Groot-Brittannië en de VS verlieten de Gouden Standaard en devalueerden hun munt,
waardoor hun exportpositie verbeterde. Nederland bleef vasthouden aan de Gouden Standaard. Dit versterkte het
internationale vertrouwen, maar maakte de gulden te duur. Daardoor duurde de crisis in Nederland langer. Premier
Colijn verlaagde de lonen om de exportpositie te verbeteren, maar hierdoor nam de koopkracht af en werd de crisis
verdiept.
4. Monetaire aspecten: Na de beurskrach daalde de geldhoeveelheid omdat mensen gingen sparen in plaats van
investeren. De Amerikaanse centrale bank, de Fed, voerde een te voorzichtig monetair beleid, waardoor banken
failliet gingen.
Keynesianisten en monetaristen verschilden sterk van mening over economisch beleid. John Maynard Keynes vond dat
overheden anticyclisch beleid moesten voeren om recessies te verkorten. De overheid moest in slechte tijden lenen en
investeren om de effectieve vraag te ondersteunen; dit heet deficit spending. Werkloosheid moest worden bestreden via
volledige werkgelegenheid en nieuwe projecten, zodat de vraag naar goederen en diensten op peil bleef. Monetaristen
legden juist de nadruk op inflatiebestrijding. Volgens hen mocht de geldhoeveelheid alleen groeien wanneer ook de
productie en het aanbod toenamen.
Institutionele vernieuwing na 1945
,De Tweede Wereldoorlog vormde een keerpunt. De fascisten waren verslagen en maakten plaats voor democratische en
communistische regimes. Door de Koude Oorlog raakte de wereld verdeeld, terwijl door dekolonisatie veel nieuwe staten
ontstonden. De Koude Oorlog had niet alleen een politieke, maar ook een economische dimensie. De Sovjetunie bood een
communistisch alternatief voor het kapitalisme, dat lange tijd redelijk succesvol leek. Centrale economische planning bleek
dus mogelijk. Tegelijk veranderden de internationale economische verhoudingen. Landen wilden meer internationale
samenwerking om vrije wereldhandel te bevorderen en economische schommelingen beter op te vangen. Het vertrouwen in
de ‘invisible hand’ van de markt nam af.
In 1944 kwamen politici en economen bijeen in Bretton Woods om afspraken te maken over de naoorlogse economie.
Belangrijke economen waren Keynes en White. Een belangrijk resultaat was het Bretton Woods-stelsel, een internationaal
wisselkoerssysteem dat flexibeler was dan de Gouden Standaard maar toch stabiliteit bood. De dollar werd gekoppeld aan
goud en andere valuta werden aan de dollar verbonden. De wisselkoersen bleven tot 1971 grotendeels vast.
In de jaren zestig voerde president Johnson zijn Great Society-programma in om ongelijkheid te verminderen. Samen met
de hoge kosten van de Vietnamoorlog verzwakte dit het vertrouwen in de dollar. Daardoor stortte het Bretton Woods-stelsel
uiteindelijk in.
Na de Tweede Wereldoorlog werd ook het IMF opgericht. Hiermee konden landen tijdelijke tekorten op hun betalingsbalans
opvangen. Na 1971 werden wisselkoersen zwevend: vraag en aanbod bepaalden voortaan de waarde van valuta.
Wederkerigheid bleef belangrijk; landen moesten gezamenlijk hun beleid aanpassen, hoewel sommige staten hun munt
opnieuw aan de dollar koppelden. Met de invoering van de euro in 1999 ontstond binnen Europa opnieuw een vast
wisselkoerssysteem.
In Bretton Woods werd daarnaast de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT) opgericht. Dit verdrag moest
protectionisme beperken door handelstarieven te verlagen en vrijhandel te stimuleren. Twee principes stonden centraal:
wederkerigheid, waarbij landen elkaars markten openstelden, en non-discriminatie, waarbij dezelfde handelsvoorwaarden
golden voor alle deelnemende landen. In 1995 werd de GATT vervangen door de World Trade Organisation (WTO), een
permanente organisatie gericht op het bevorderen van vrijhandel, vooral in de industrie. Westerse landen bleven op
landbouwgebied echter nog lange tijd protectionistisch. Pas vanaf 2001 kwam hierin geleidelijk verandering.
Ontwikkelingssamenwerking
In Bretton Woods werd ook de Wereldbank opgericht om economisch herstel na de oorlog te stimuleren. De bank verstrekte
langetermijnleningen aan landen voor economische ontwikkeling. Veel ontwikkelingslanden wilden industrialiseren.
Daarbij volgde de Wereldbank het model van Rostow: een economie moest een take-offfase bereiken waarna self-sustained
growth mogelijk werd. Hiervoor waren grote investeringen nodig.
Andere economen benadrukten juist internationale machtsverhoudingen. Structuralisten stelden dat voormalige koloniën
economisch afhankelijk bleven van hun oude moederlanden, omdat die hun grondstoffen nodig hadden. Deze vorm van
uitbuiting wordt neokolonialisme genoemd. Later groeide het idee dat economische ontwikkeling afhankelijk was van een
goed functionerende internationale markt, betrouwbare instituties zoals eigendoms- en contractrecht, en een verantwoord
overheidsbestuur.
Er ontstond ook discussie over de economische gevolgen van kolonialisme voor de koloniën zelf. Enerzijds remden
invoertarieven en onderdrukking de groei, anderzijds investeerden koloniale machten in infrastructuur en soms onderwijs.
Hieruit ontstond de reversal of fortune-theorie: arme gebieden profiteerden soms van koloniale overheersing, terwijl rijkere
en verder ontwikkelde gebieden, zoals India, juist economisch werden geremd.
Economische groei had daarnaast grote gevolgen voor het milieu. Door het gebruik van fossiele brandstoffen nam de
uitstoot sterk toe, al was deze energie nodig om het Malthusiaanse plafond te doorbreken. Luchtvervuiling werd een groot
probleem in steden. Britse steenkooluitstoot verminderde zelfs de visstand in Scandinavië. Ook ontstonden zure regen en
inzicht in het broeikaseffect. Economische groei had dus altijd milieukosten.
Groei in de wereldeconomie
Het economisch herstel na de Tweede Wereldoorlog verliep opvallend snel. Europa had echter een tekort aan dollars en was
afhankelijk van voedselimport uit de VS, omdat de landbouw zwaar beschadigd was. De Marshallhulp hielp Europa
herstellen en droeg bij aan verdere welvaartsgroei. De VS investeerde miljarden dollars, waarvan ook Nederland
profiteerde. Via een complex systeem werden met Amerikaans geld infrastructurele projecten gefinancierd. De hulp
verlichtte de voedselschaarste, al herstelde Europa ook deels op eigen kracht; de Marshallhulp versnelde dit proces vooral.
, De hulp had daarnaast twee belangrijke immateriële effecten. Ten eerste werd de OESO opgericht, een organisatie voor
economische samenwerking tussen westerse landen, wat een voorwaarde van de VS was voor de Marshallhulp. Ten tweede
nam de Amerikaanse invloed toe, waardoor veel Amerikaanse technologie Europa bereikte.
De periode 1950–1973 staat bekend als de ‘Gouden Jaren’. De West-Europese economie groeide sterk en Nederland
herstelde snel. Aan het begin van de oorlog kende Nederland al een korte hoogconjunctuur doordat mensen gingen
hamsteren. Tijdens de wederopbouw industrialiseerde Nederland verder, vooral in de chemie en elektrotechniek. De lonen
werden gedereguleerd, maar vanaf de jaren zestig gingen vakbonden hogere eisen stellen.
Ook internationaal veranderde veel. Europese integratie werd een belangrijke ontwikkeling. Handelsblokken bevorderen
onderlinge handel en beschermen lidstaten tegen volledige wereldwijde concurrentie. Naast de EU ontstonden ook andere
handelsblokken, zoals Mercosur in Midden- en Zuid-Amerika, ASEAN in Zuidoost-Azië en NAFTA in Noord-Amerika.
De Europese integratie begon met de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). In 1958 volgde de Europese
Economische Gemeenschap (EEG) en in 1992 ontstond de Europese Unie (EU), een economische en monetaire unie. In
2002 werd de euro ingevoerd.
De integratie had meerdere doelen. Europese landen wilden langdurige vrede veiligstellen en hun gezamenlijke
onderhandelingspositie versterken. Open markten stimuleerden economische groei. Daarnaast konden Europese landen
gezamenlijk hun landbouw beschermen, vooral belangrijk voor Frankrijk. De landbouwsubsidies waren echter zo hoog dat
grote overschotten ontstonden, bekend als ‘boterbergen’ en ‘melkplassen’.
Europese samenwerking is bijzonder omdat staten vrijwillig bevoegdheden overdroegen aan de EU. Toch leverde de
samenwerking meer welvaart en concurrentiekracht op, waardoor landen dit acceptabel vonden. Nederland profiteerde hier
sterk van: ongeveer 60 procent van de export ging naar Europese landen, terwijl import vaak van buiten Europa kwam.
Door de sterke euro werd die import bovendien goedkoper.
De verzorgingsstaat
Na de Tweede Wereldoorlog voerden veel westerse landen een verzorgingsstaat in. Door de economische groei stegen de
belastinginkomsten, waardoor sociale voorzieningen mogelijk werden. In Nederland speelden de samenwerking en
onderhandelingen tussen werknemers- en werkgeversorganisaties hierin een belangrijke rol. Er kwamen onder meer
medezeggenschap, uitkeringen en een minimumloon.
Er bestaat discussie over de invloed van de verzorgingsstaat op economische groei. Tegenstanders stellen dat subsidies het
marktevenwicht verstoren, hoge belastingen ondernemers afremmen en royale uitkeringen de prikkel om te werken
verminderen. Voorstanders wijzen juist op positieve effecten: een gezonde en goed opgeleide bevolking, veilige openbare
voorzieningen en sterke collectieve voorzieningen bevorderen economische ontwikkeling.
De staat kreeg daarnaast steeds meer taken, waardoor het aantal ambtenaren groeide en de rijksoverheid uitbreidde. Tijdens
de Gouden Jaren was dit mogelijk doordat Nederland en andere westerse landen steeds welvarender werden. Daardoor
groeide ook de verzorgingsstaat verder.
De economie vanaf 1970
Tijdens de jaren zeventig verslechterde de wereldeconomie. Inflatie nam toe en in 1973 verhoogde de OPEC de olieprijs
sterk, terwijl de productie daalde door conflicten met Israël. Bondgenoten van Israël kregen bovendien een olieboycot
opgelegd. Hierdoor ontstond de oliecrisis. Europa was economisch kwetsbaar: stijgende lonen verhoogden de arbeidskosten
en in Nederland waren uitkeringen en ambtenarensalarissen gekoppeld aan de lonen in de particuliere sector. Daardoor
stegen ook deze uitgaven voortdurend. De combinatie van stagnerende groei, hoge inflatie en oplopende werkloosheid
leidde tot stagflatie.
Aanvankelijk probeerde men de crisis met Keynesiaans beleid op te vangen, maar na de tweede oliecrisis van 1979 bleek dit
moeilijker. De werkloosheid steeg, de overheid kon minder uitgeven en de gulden was te duur geworden voor een sterke
exportpositie.
In de jaren tachtig kregen het supply-side beleid van Reagan en Thatcher en het herstel van het bedrijfsleven de overhand.
De nadruk verschoof naar vrije marktwerking en een sterke aanbodzijde van de economie. Economische groei kreeg
prioriteit boven Keynesiaanse stimulering en volledige werkgelegenheid. Centrale banken gingen de geldhoeveelheid
strenger controleren. In de VS verhoogde de Federal Reserve de rente om inflatie te bestrijden. Tegelijk zorgden ICT-
innovaties voor efficiëntere productie en communicatie, waardoor de productiviteit steeg.